Dienst

Zaterdagochtend stond ik iets voor negenen onder de douche in het ziekenhuis. Net als op doordeweekse ochtenden was ik hardlopend naar mijn werk gekomen. Maar eenmaal binnen, is het op zaterdag anders. Je bent de enige in de kleedkamer. Ik droogde mij af en keek in de spiegel. Hoewel het nergens voor nodig was, had ik mijn handdoek om mijn middel gebonden. In de spiegel zag ik geen dokter die zich klaar maakte voor zijn dienst op de eerste hulp, maar een bokser in de catacomben. En zo voelde het ook. Je weet nooit wat je tijdens de dienst te wachten staat. Het kan de hele dag rustig blijven, maar je kunt ook direct in een reanimatiesetting terechtkomen. Dan gaat het om leven en dood.

Zaterdag was redelijk te doen, het was druk genoeg om de dag voorbij te laten vliegen, maar het werd geen gekkenhuis. Op het einde moest ik een alcoholist vertellen dat hij kanker had. Verschrikkelijk vind ik dat. Ziektes hebben de laffe neiging zich aan de zwakkeren te vergrijpen. Gelukkig kon ik niet veel later hardlopend naar huis. Na twaalf uur leed doen die paar kilometers in de buitenlucht me goed.

Zondag stond in het teken van rust. Ik had de dag vrij, maar moest in de nacht werken. Zo’n dag leg ik mezelf niets op. ik fietste naar het centrum, zeven kilometer langs bossen, meren, moerassen en de rivier, en ik dacht erover na hoe ik de ideale wereld zag. Als een dag als deze, dacht ik. Ik wens iedereen zo’n fietstochtje toe, de kalmte die ik op dat moment voelde, een gezond lichaam. Had iedereen dat maar. Even later dacht ik dat dat juist het probleem was, we gebruiken teveel ons eigen leven als maatstaf. Er zijn natuurlijk een hele hoop verschillende manieren om het leven invulling te geven. Maar toch, dacht ik toen, er schuilt toch niets verkeerds in dat ik andere mensen toewens om zich net zo gelukkig en in evenwicht te voelen als ik me voel? Het is een soort van dankbaarheid, maar het heeft verder niets te betekenen.

De nacht was pittig. Lastige gevallen, de hele tijd door. Om zeven uur ‘s ochtends was ik zo moe dat ik haast niet meer kon. Een half uurtje gedut, en toen de boel afgerond. Ik kon naar huis en sliep twee uurtjes. Verbijsterend hoezeer je daarvan opknapt. Daarna weer zo’n dag dat niets hoefde. Ik fietste naar de stad, kocht lijstjes voor wat foto’s en ben niet naar de kapper geweest, al was het beter geweest van wel. Er rust een vloek op mijn kappers. Ze gaan failliet, sluiten hun zaak of er breekt een luizenplaag uit. Mijn laatste kapper was met zijn hele gebouw verdwenen. Er werd gebouwd, waarschijnlijk komt een begrafenisondernemer op zijn plek. Geen zin om op zoek te gaan naar een nieuwe, hoewel mijn haar al voor mijn ogen valt. Zo’n dag dus. En toch, volmaakt gelukkig.

Turku by night

Turun tuomiokirkko
Turun tuomiokirkko, the Turku Cathedral, built in the end of the 13th century.
Kirjastosilta (library bridge)
Suomen joutsen, built in 1902 in in St. Nazaire, France. Previously named Laënnec (after the doctor René Laennec who invented the stethoscope) up to 1922, then Oldenburg and since 1930 named Suomen Joutsen (Finnish Swan).
Aura river
Tehtaankatu – Factory street

De Kemirivier

De rivier stroomt en kolkt met donkere golven, onrustig, alsof ze veel sneller gaat dan ze eigenlijk zou willen. Sinds ze open brak, een goede week geleden, draagt ze ijsbrokken mee, platen en schotsen, afscheidskusjes van de winter. Stroomafwaarts worden ze opgelikt door de zon, die dagelijks aan kracht wint en van de vroege ochtend tot laat in de avond aan de hemel staat.

Naarmate de rivier tot wasdom komt, wordt ze wilder, en daarin verschilt ze van de mens, die trager wordt, rigide, zijn hart verzwakkend. Ik sta aan de oever en tel haar golven. Ik zou me met haar willen verenigen, me in haar baden en misschien laten meesleuren met haar driften, met haar woelen en worstelen, mijn noodkreet ongehoord, in haar woede gesmoord, ik zou mijn buik op een ijsplaat drukken en de zon op mijn rug voelen schroeien.

Pilkintä
Pilkintä op de Kemirivier

Alles is in beweging, niet alleen het water, maar ook het bos en de luchten, nadat alles zo lang heeft stilgestaan, gestold, in ijs of in ijzer gegoten. Nu mengt het luidruchtig gewoel van de rivier zich met het geraas van een vrachtwagen over de oude stalen brug, verlicht door het geschreeuw van meeuwen, sternen en uit de berken het getjilp van vogels, die ondanks alles zijn teruggekeerd. De berken zijn nog kaal, maar het bos kleurt groen van de pijnbomen, die in de winter zwart waren, met wit aangekleed. Het is nauwelijks voor te stellen dat je een week of twee geleden nog veilig over het ijs kon gaan. De vissers boorden hun gaten en hesen om de haverklap met hun korte pilkki-hengel vissen uit de diepte.

Zo wordt haar lichaam gevormd en gekneed door de tijd, het jaar en zijn seizoenen, net als ik, bemerk ik als ik bij thuiskomst in de spiegel zie dat de golven van de rivier zich in mijn voorhoofd aftekenen. Iedere keer als de rivier open breekt zullen zich nieuwe rimpels vormen en zullen de oude dieper worden. Ooit zal ik door de stroom worden meegesleurd, oplossen in het niets, en dat is een gedachte die me hoopvol stemt.

De wreedheid van april

April is the cruellest month, breeding

Lilacs out of the dead land, mixing

Memory and desire, stirring

Dull roots with spring rain.

From: The Waste Land, T.S.Eliot

Bij Rovaniemi is het ijs op de Kemirivier nog dik genoeg om overheen te lopen, maar de zomer staat voor de deur. In de stad en op de zuidelijke hellingen van de heuvels is de sneeuw grotendeels verdwenen. De dagen lengen rap, over zeven weken zal de zon beginnen aan haar toer van dertig rondjes aaneen boven de horizon.

Een week of twee geleden hoorde ik een klank die deed denken aan koperen kerkklokken en zilveren trompetten. Onmiskenbaar: de zangzwaan was terug. En er zijn meer vogels, je hoort ze overal sjilpen en kwetteren. Kort geleden was de specht nog de enige vogel die ik hoorde als ik ’s ochtends naar mijn werk liep. Aan de straat langs de rivier hakten ze in op de zinken kappen van de straatlantaarns, de speelse percussie wekte de serene witheid tot leven. De spechten zaten in vier of vijf straatlantaarns en hielden zich stil tot je onder ze doorliep. Ochtend na ochtend klonk hetzelfde galmende spel, ze moesten zich kosteloos hebben vermaakt om de mensen die onder hen voorbij kwamen en verwonderd opkeken.

De wegen en paden die tot voor kort nog als gefreesde groeven door het landschap liepen, zijn inmiddels vrij van sneeuw. Op verschillende plekken in het land hebben ze te maken met overstromingen, een krachtige lenteschoonmaak. De beren zijn al ontwaakt en de mens lacht, meer dan anders.  Maar de bloesem, de bloemen en het groen laten nog even op zich wachten. Iedere dag ziet er anders uit, alles is onderhevig aan verandering. Waar de winter eindeloos duurt, is de lente vluchtig. Daarin schuilt zowel wel de schoonheid als de wreedheid  van april.

Moon and melted river at Vanttauskoski

Eenvoud

Je hebt twee soorten mensen: zij die naar het Zuiden kijken en zij die naar het Noorden kijken, bedenk ik me als ik vrijdagavond mijn rondje loop.  Zij die naar het Zuiden kijken verlangen naar licht en comfort. Ze geloven in ontwikkeling en vooruitgang. Perfectie wordt bereikt door de wereld van haar ongemakken te ontdoen.

De tweede soort vormt een minderheid. Wij verlangen naar eenvoud, we geloven dat evenwicht te bereiken is door al het overbodige af te werpen, zoals het rendier zich in de late winter van zijn gewei ontdoet, en daarom dool ik over de donkere wegen buiten de stad. Op zoek naar eenvoud. Het is zo’n twintig graden onder nul, wat zacht aanvoelt na een paar dagen min vijfendertig. Hoewel de kou brandde in het gezicht, liep ik ook toen mijn rondjes en net als op andere dagen wandelde ik tussen huis en werk, via de brug over de brede Kemirivier, waar Biegkegaellies, de god van de winterwinden, de kou nog een extra zetje geeft.

Met heldendom heeft dat trouwens niets te maken. Lopen is slechts een manier om te vergeten. Het maakt niet uit of je records breekt, of je dagenlang achter elkaar loopt of in extreme kou. Het is een ontsnapping aan de wereld zoals zij tegen wil en dank geworden is. Het doet me goed, die kou, de eenzaamheid en de duisternis. Tijdens het lopen vormt zich een ijsbaard als de wasem bevriest en zich in mijn stoppels haakt. IJskristallen in de wimpers prikken in mijn oog. Aan de linkerzijde van de weg slaapt een heuvel, bewegingloos en wit. Schijnbaar dood, maar ik weet dat hij leeft. Hij heeft zijn hoofd gebogen, verborgen tussen zijn armen. Stiekem lacht hij in zijn elleboogholte. Onder de sneeuwlaag groeien de rendiermossen alsof er niets aan de hand is. Zo maakt de heuvel zich in de koudste en donkerste periode van het jaar op voor de kleurensymfonie van de zomer, die korter maar ook zoveel intenser is dan in het Zuiden.

Eenmaal thuis duik ik weg in Neljän Tuulen Tie (De weg van vier winden), de prachtig geschreven roman van Yrjö Kokko over een Samifamilie (‘Lappen’) en over het verdwijnen van de traditionele levensvorm.

Neljän Tuulen Tie van Yrjö Kokko (5e druk, 1951)
Neljän Tuulen Tie van Yrjö Kokko (5e druk, 1951)

Ik vereenzelvig me met Jouni, de jongen die opgroeit als herder en later, in de oorlog, met de Zuidelijke beschaving in aanraking komt. Hoewel hij ook daar gedijt, keert hij terug naar het open Lapse bergland, waar de vier winden heersen. Als Ahku, de vrouw die Jouni als haar eigen kind heeft grootgebracht, komt te overlijden, is het niet eens verdrietig, want dood hoort bij het leven. Ze is met een emmertje naar de kudde gegaan om een rendier te melken. De emmer valt uit haar handen en als ze die wil oprapen komt ze niet meer overeind. Ze sterft in de bergen. De dood van de moeder van het Samidorp markeert het einde van een tijdperk.

De mensen die naar het Noorden kijken zijn niet bang voor de dood. Misschien zijn we er zelfs wel naar op zoek, want uiteindelijk is dood de ultieme eenvoud.

ADRVG foto’s

Een rendier en in de verte Laura op de Maaninkanvaaratie

Een rendier en in de verte Laura op de Maaninkavaarantie
IMG_2479 (2)
Karhuperäntie, 35km rondje om het Posiomeer
IMG_2047
Duurloop over de Särkeläntie (44km)
Zangzwanenpaar op het Posiomeer
Zangzwanenpaar op het Posiomeer
Sarvisaari - begraafplaats op een eiland
Sarvisaari – begraafplaats op een eiland
Het graf van Milda Rantanen en haar drie kinderen
Het graf van Milda Rantanen en haar drie kinderen
Aurora borealis
Aurora borealis
Pestvogels in de lijsterbes
Pestvogels in de lijsterbes
Oever van het meer in de mist
Oever van het meer in de mist
rustmoment op het meer
Rustmoment op het meer
Laura op de loipe naar Kirintövaara
Laura op de loipe naar Kirintövaara
De Lapse reuzen op de Kirintövaara
De Lapse reuzen op de Kirintövaara
Winterselfie
Winterselfie
Lapse reuzen op Riisitunturi
Lapse reuzen op Riisitunturi
Pilkintävisser op het Posiomeer met stepslee
Pilkintävisser op het Posiomeer met stepslee
Verbinding tussen twee meren bij Ahvensalmi is al open
Verbinding tussen twee meren bij Ahvensalmi is al open
Zangzwanen in de avondzon
Zangzwanen in de avondzon
Zangzwanenpaar op Kirintöjärvi
Zangzwanenpaar op Kirintöjärvi
Zangzwanenpaar op Kirintöjärvi
Zangzwanenpaar op Kirintöjärvi
De weg naar Maaninkavaara, bezien vanaf Niirokumpu
De weg naar Maaninkavaara, bezien vanaf Niirokumpu
Het eind van de Maaninkavaarantie
Het eind van de Maaninkavaarantie
Uitzicht vanaf Kotivaara naar het noorden
Het Noorden zoals bezien vanaf Kotivaara
Boom in ijzel verpakt
Boom in ijzel verpakt
Rendier bij boerderijtje op de Karhunperäntie
Rendier bij boerderijtje op de Karhuperäntie
Noorderlicht
Noorderlicht


Loneliness

After an early cup of coffee in the Neste Oil filling station, where we were nicely welcomed by nearly a dozen villagers, Eeva left me alone in a rented 32 square meter apartment in the empty middle of Posio and she took off for the twelve hours drive back to South Finland (my publisher once told me that writers often don’t have a driving licence, so, Eeva, here’s my excuse).

I went for a walk as the clouds played with the sun, letting its light through but only rarely showing a glimpse of its weakened body. Although there have been many days with full sun and nights with stars and northern lights, I will always remember Posio as a place where clouds sweep low over the lakes and marshes, as in an attempt to erase everything, or to cover life in eternity. More than once I got the impression that the more north clouds drift, the heavier they become, just like thoughts and dreams and all that.

Last week’s snow had disappeared during the night. The path towards Kirintövaara was now covered by putrefying grasses, burning red like Lemminkäinen’s beard, and the half-light intensified all the colours of the marshes. I breathed an indistinct smell of wetness, scents of an eternal nowhere.

As I strolled through the wilderness, I did not meet any people, I saw no more animals than a couple of ravens that flew over the emptiness and cried for time to pass by. I didn’t really search for it, but I found an intense loneliness today. I think that I had expected it, but not yet on my first day of the months that I will spend here on my own. I did not fear this loneliness, because it was, in a way, the reason to be here. For a writer, loneliness can be the wellspring of creativity.

Still snowless skiing route on Kotivaara

I climbed the old ski-jump of Kotivaara that looks out to the north. The wooden tower has not been used for many years. Its stairs are nearly rotten, and as I reached its platform, I felt the wooden construction slowly moving by the force of the wind. There I stood, watching out over the desolate land behind God’s back, where Ultima Thule starts.

Soon, the loneliness started to work on me. Thoughts appeared silently but they disappeared before I could grab them. All I had to do was to listen to the wind and focus on the dancing moves of the ski-jump. New ideas arose, some of them merely touched me, but others shook my shoulders and took my breath. Were I to have a pen that could instantly write down the stream of thoughts, a book or two would have been produced today.

I pondered on how many great ideas must have risen in billions of minds, and how many of those have stayed there, in the mind, dead as thoughts are dead as long as they remain just thoughts. For a moment I thought that I understood why these thoughts and ideas remained dead – out of fear – but a minute later I rejected the hypothesis. A new breeze blew and pulled the wooden ski-jump tower and then I thought of other things. To whom do people relate themselves?, I thought. City men find friends among the similar; writers’ friends are writers, doctors spend their time with doctors, runners with other runners and the truck driver parks his truck between other trucks. In a village, the doctor’s neighbour can be an old and cheerless widow and on the other side of the street lives a farmer. In a village, the social sphere of influence includes everyone; villagers relate themselves to all other villagers.

Many more thoughts came up, but I will not reveal them – not yet. Just like a brook, a thought needs time and place to magnify, before it is great enough to debouch into the sea of all these other thoughts, ideas and confessions.

I went down the rotten steps of the ski-jump, down the snowless skiing route where wood chips muted my footstep and I turned to the road that took me home. In the 32 square meters apartment I played Einaudi and I burned a candle and in the midst of it, the loneliness suddenly turned into a grey sadness. There I sat, with melancholic wordless music that I had brought up north. Even the poetry that I had brought with me (Ted Hughes’s The Hawk in the Rain, Shakespeare’s Macbeth, T.S. Eliot’s The Waste Land and a couple of Dutch poets) did not include anything that could cheer me, as I had chosen them thematically: the few things that I had brought with me up North were all to promote loneliness.

lompolo


Stemmen

Het meer is zilvergrijs, zijn ijslaag slijt dagelijks en de sneeuw erop is grotendeels gesmolten. Het is tien graden boven nul en de dag duurt achttien uur. De zomer is aangebroken nog voor de winter verstreken is – van een lente heeft men hier nog nooit gehoord.

Toch willen de benen niet. Ik ren over de weg naar Maaninkavaara, de weg naar het noorden, en ik stop af en toe om mijn gedachten te spoelen in de pikzwarte waterstroompjes waar de sneeuw van het moeras in verdwijnt.

Jong was hij, de derde zoon. Nog geen veertig, een leeftijd lager dan zijn BMI. Zijn broers waren reeds overleden, aan alcohol en hartproblemen, maar zijn ouders leefden nog: vader aan de drank, moeder lijdend aan het leven. Hij hoorde stemmen, zei hij op vier mei, stemmen van het lot. Ze zeiden dat de duivel bestond en ook de hel, en dat alles zou eindigen op de vijfde van de vijfde. Geloof die stemmen maar niet, stelde ik hem gerust. Ik schreef hem een medicijn voor dat hem rust zou geven en liet hem naar zijn ouders gaan. De psychiatrisch verpleegkundige was het met me eens: zulke stemmen hoorde hij wel vaker, rust zou hem goed doen. Bovendien had hij een belangrijke taak in zijn leven: zijn ouders begraven als de tijd rijp was. Het mocht niet zo zijn dat ze al hun kinderen moesten begraven. Hij kon dus niet komen te overlijden.

De weg en de bermen zijn sneeuwvrij, en de zuidelijke hellingen van de heuvels ook. Na de haast eindeloze winter gaat het toch ineens snel. Een paar weken geleden kwamen de zwanen, maar toen was alles nog wit. Vorige week volgden de wulpen, en precies zoals het oude Finse spreekwoord luidt was vanaf dat moment het ijs niet meer begaanbaar. Ondanks al dat wonderbaarlijke zijn de benen vandaag krachteloos en lijkt de weg eindeloos te zijn en nergens heen te leiden.

In de ochtend van de vijfde van de vijfde belde de verpleegkundige hem op, de derde zoon. Hij voelde zich een stuk beter, had goed geslapen. Hij voelde dat de rust was weergekeerd. Om negen uur ‘s avonds gaf hij zijn moeder een zoen en ging hij naar bed, zoals iedere andere dag.

De beren zijn reeds uit hun winterslaap ontwaakt, de vogels zijn uit het zuiden teruggekeerd en de wereld krijgt kleur, maar de derde zoon werd nooit meer wakker.

Alles duidt op een hartinfarct, al moet de patholoog nog uitsluitsel geven. Ja, hij had chronisch pijn op de borst, hij bewoog zich voort als een mammoet, traag en steunend, en kon ieder moment het loodje leggen. Geen zelfdoding dus, maar wel een aangekondigde dood. De dokter is ontdaan. Hij hoort nog de stemmen van twee dagen tevoren. Misschien hadden die stemmen wel gelijk, denkt hij, misschien bestond de hel inderdaad: het leven was een hel, en die hel is in de nacht van de vijfde op de zesde opgehouden te bestaan.