Wortels

Ik was zestien toen ik voor het eerst naar het buitenland op vakantie ging. Met een ander gezin mee naar de Côte d’Azur. Het werd een lange rit over snelwegen die enigszins tegenviel omdat we nooit echt door een berglandschap kwamen, terwijl de Alpen volgens de kaart niet zo ver weg konden zijn. Na de paar weken camping, strand en disco verwonderde ik me erover dat al die Nederlanders, Britten en Duitsers weer teruggingen naar huis. Zelf had ik nog een schooljaar te gaan, maar wat lette die andere mensen om zich te vestigen op een plek waar ze liever verbleven dan thuis? Was de mens dan een soort die wortel schoot?

Een jaar later vertrok ik naar Engeland. En toen naar Ierland. Ik werkte in winkels en in de horeca, en ik leerde dat we geen bomen zijn. Maar nu ik al jaren in Finland woon, besef ik dat het onwaar is dat we niet wortel schieten. Die wortels van ons mogen onzichtbaar zijn, maar ze bestaan wel degelijk. Ze groeien tastend uit ons lichaam, zoeken hun weg door de grond en vinden de niche waarin we ons nestelen. Onze wortels zitten in het huis dat we bewonen, de baan die we betrekken, en de samenleving waarin we betekenis vinden. En als je niet goed uitkijkt, gaan die wortels nieuwe stekjes vormen die hun eigen leven gaan leiden. Maar het zijn ook wortels die we als het ware kunnen intrekken, zodat we ons los kunnen maken en elders ons geluk opnieuw beproeven.

Terug naar de vraag die bij me opkwam toen ik de huid van een Britse leeftijdsgenote insmeerde met zonnebrandcrème. Ze had lange krullen en sproeten rond haar neus. Ze droeg een turquoise bikini in een van de tinten van de Middellandse Zee. Ik verrichtte mijn taak slonzig, verlegen door de plots geboden kans. Maar die avond zoende ik haar in de disco. Daarna zag ik haar nooit meer.

Uiteindelijk belandde ik ergens anders. En ik ben niet de enige. Iedereen kent wel iemand die naar het buitenland is vertrokken. Een tante, een neef, de dochter van de buurman. En we kennen de mensen die zich hier zijn komen vestigen. Je zou denken dat iedereen wel eens met die vraag heeft gespeeld: waarom woon ik hier, en niet een paar grenzen verderop? Zo zouden we over migratie kunnen spreken. Maar als de samenleving het over migratie heeft, gaat het nooit over dat perspectief.

Hoe vergaat het je? Jij, die zich elders vestigde? De bergen waar je naar verlangde, blijven buiten zicht. Waar je je vestigt reiken je wortels minder diep; ze zijn zoekend, en je moet het doen met de mineralen die oppervlakkig liggen, met het vocht dat de anderen voor je overlaten. Zo vol als de inheemsen zul je nooit bloeien.

Maar als je bloeit, bloei je anders.


Deze column schreef ik voor Noorderlicht

Foto: eigen materiaal uit Zomba, Malawi.

Vanzelfsprekend in de lente

Twee paar kinderbenen huppelen over het met steengruis bestrooide fietspad naar een voetbalveldje dat nog half onder een broze ijslaag ligt, en vanuit de bomen wordt de zon verwelkomd met eenzaam maar overtuigend gekwetter. Ik steek mijn hand uit om een straal op te vangen van het vanzelfsprekende geluk van de lente.

Als in de nacht de plassen dooi een laagje creëren dat in de ochtend onder onze voeten zal knisperen, omdat het knisperen en de verraderlijke gladheid net zo goed bij de lente horen als de oogjes op de takken, waar het groen ongeduldig wacht, vliegt hoog door de lucht een stuk kosmisch gruis dat oplicht aan de hemel van mijn geboorteland. In Duitsland raakt een huis beschadigd.

In dezelfde nacht landt een kraanvogel in de Hulavallei, onderweg van Ethiopië, waar hij stilhield tussen het opvlammend geweld tussen de Tigrayanen en Ethiopiërs. In de groene vallei vormen over en weer vliegende raketten oplichtende bogen door de nacht die net zo zwart is als de rijkdommen die uit de grond worden opgepompt. De kraanvogel wacht tot het ochtendgloren, tot zijn kameraden de vleugels uitslaan. 

De kraanvogel kent de route van zijn voorouders, over het gebergte van Turkije waar advocaten van de president de aanklachten bedenken die een concurrent een gevangenisstraf moeten opleveren die langer duurt dan de dynastie van de Ottomanen. Hij steekt de Zwarte Zee over, en vliegt boven Oekraïne zij aan zij met een stalen neef met vier propellers die plotseling neerduikt om dood en verderf te zaaien.

Op WhatsApp vraagt een verre vriend of de oorlogen niet te dichtbij komen. Nee, denk ik, de kraanvogel komt, maar de oorlogen hou ik nog op afstand. Ik vang de straal geluk op, wetend dat de wreedheid net zo vanzelfsprekend is, en ik schiet de bal voor me uit. Twee paar benen schieten vooruit en raken in elkaar verstrengeld terwijl de bal tot stilstand komt in de loska.

Deze column verscheen in maart 2026 in Noorderlicht.

De hoogste toren van de wereld

Met de kerst voor de deur loop ik door een grijs bos dat zijn tranen weigert te drogen. Een vlekkig grijze deken houdt de ochtendschemering gevangen. Een witte kerst lijkt dit jaar haast uitgesloten in Zuid-Finland, net als in de winters uit mijn kindertijd in Nijmegen.

Maar ze waren er wel, die koude winters. De winter die me het meest bijstaat is die van zevenentachtig, toen mijn zus geboren zou worden. Aan de overkant van de Broekstraat lag een vijver die zich uitstrekte langs de rand van de stad, en die vijver was bevroren. We schaatsten, eerst een stoel voor ons uitduwend, later zonder. We schaatsten tot we onze tenen niet meer voelden.

De herinnering aan die winter kwam weer tot leven toen ik voor de eerste keer in Finland kwam, bijna een kwart eeuw later. Ik wandelde met mijn nieuwe geliefde over de bevroren Aurarivier en voelde hoe de energie van de winterzon, weerkaatst in de sneeuw, samenbalde in mijn lichaam. Een bol van licht en warmte, schitterend en stralend, die oploste in mijn bloed en me een onbenoembare kracht verleende.

Vanochtend vroeg ik Elias wat hij later, als hij groot is, het liefste zou doen. Een grote toren bouwen, antwoordde hij, stralend op mijn schoot, de grootste toren van de wereld. Met goud en zilver en alle materialen die ervoor nodig zijn. De toren heeft een lange, lange trap, en bovenin staat een telescoop. Dan klim ik naar boven en kijk ik naar de sterren en de planeten. Dan kan ik Jupiter eindelijk goed zien.

Het is treffend hoe groot en tegelijkertijd klein de dromen van een kind kunnen zijn. Want stel dat je de trap op bent geklommen en door de telescoop Jupiter hebt bekeken. Hoe lang zal de aanblik van de planeet je bekoren? Dan heb je een toren gebouwd, de hoogste van de wereld, en de trappen ervan beklommen. En dan?

Tegelijkertijd treft me de gelijkenis met onze dromen. De individualistische dromen van volwassenen. Een carrière waarmee we de treden beklimmen. Misschien blijven we dicht bij de grond, misschien komen we tot halverwege. Maar we zullen nooit de kortstondige tevredenheid kennen van Elias, die boven in zijn zelfgebouwde toren Jupiter aanschouwt.

Met de jaren krijg ik sterker de indruk dat de dromen die we najagen uit onze kinderjaren stammen. Dat onze wensen besloten liggen in een gouden moment ergens in de krochten van onze herinneringen. We beklimmen de trap van de toren die we in gedachten bouwden, zoeken in onze geliefde de liefde die we kregen of die ons juist ontzegd werd door onze ouders. De wereld die de mijne moest worden haalde ik misschien deels uit boeken. Uit de avonturen van de kleine kapitein bijvoorbeeld, die ik inmiddels in de avonden voorlees. Ik zie hem voor me, wijdbeens, met zijn blik op de kim. Zijn het zijn ogen waarmee ik in de verte tuur?

En hier ben ik, weg van mijn thuishaven, maar in wezen niet ver van huis, op de onderste tree misschien, dicht bij de grond die vochtig is, in een winter die grauw is, hoewel de kerst voor de deur staat.

Over de domheid

Descartes bewees zichzelf dat hij bestond door te constateren dat hij dacht: cogito, ergo sum (Ik denk, dus ik ben). Vaak definieert de mens zich als een denkend wezen. Ja, denken zit in onze natuur, schreef de filosoof Richard Paul, maar het zit niet in onze natuur om goed te denken. We zijn vaak verstrikt in vooroordelen, mythes en misvattingen. Een kritisch denker stelt niet alleen vragen over de wereld om zich heen; hij durft ook te graven in zijn eigen opvattingen.

De pedagoog Peter Facione trachtte de kritische denker te typeren. Met andere wetenschappers die zich daarmee bezighielden, kwam hij tot een soort van consensus. Het vermogen kritisch te denken kwam neer op bepaalde vaardigheden, waaronder analyseren, interpreteren en zelfreguleren, en op een set van disposities, of houdingen, zoals nieuwsgierigheid, openheid, eerlijkheid en doorzettingsvermogen.

In 1987 waarschuwde Richard Paul op een congres dat kritisch denken ook een risico inhield. Wanneer het voortkomt uit egoïstische motieven, kan de kunst van kritisch denken worden ingezet om ideeën ten dienste van iemands eigenbelang (of tbv groepsbelang) te manipuleren. Populistische politici en opiniemakers weten met succes ongemakkelijke waarheden, zoals de nood van de ander, een uit de hand lopend klimaatprobleem, en onze eigen rol in die zaken, te ontkennen. In plaats van argumenten, baseren ze zich op veronderstellingen – meningen die aan het denken voorafgaan. Het gemak waarmee ze dat doen en het gehoor dat ze vinden, doet de vraag rijzen of ze nu zelf zo onwetend zijn, of dat hun domheid gespeeld is.

Je zou de kritische denker kunnen zien als een ideaalbeeld van de liberale wereld: het Bildung-ideaal. De mens die zich in vrijheid ontwikkelt. Ik ben misschien ouderwets, maar ik geloof nog altijd in die ontwikkelde mens. Ik denk dat de kunst tot kritisch denken voor iedereen haalbaar is. Het heeft in mijn ogen niet met intellectuele capaciteit te maken, maar met de wil je eigen denkbeelden te bevragen.

Domheid is daar het tegenovergestelde van. Het is een vorm van morele en intellectuele luiheid. De hele dag onder de dekens blijven liggen, waar het warm en genoegzaam is. Je mening klaar hebben, maar de moed ontberen om jezelf te confronteren met waarheden die je minder goed uitkomen. In een tijd waarin meningen en waarheden makkelijker gedeeld dan geverifieerd worden, vraagt kritisch denken om verantwoordelijkheid.

Aan de andere kant kan een zelfkritische houding ertoe leiden dat zorgvuldig opgebouwde meningen ongehoord blijven. De nobele denker is immers voortdurend bezig zijn boodschap te ontkrachten. Dat is problematisch, want dan laten we het debat over aan de ongehinderde meningvorming van de domme of de bewust manipulerende denkers.

De oplossing ligt, denk ik, toch in het debat. Daar horen stellingnames bij – de ene keer wat ongenuanceerder dan de andere. Zolang mensen zich maar kwetsbaar durven op te stellen, zich niet ingraven, en behalve het spreken ook de kunst van het luisteren verstaan.

Le penseur (Auguste Rodin). [Wikipedia Commons]

Lopen is een bedevaart

Het donderdagskind dat reist gezwind. Ik vermoed wel eens dat ik een reiziger ben geworden omdat die zin in een prentenboek stond. En net als voor de legendarische Jan Knippenberg is lopen voor mijn vooral een manier van reizen. Maar op de avond dat ik dit schrijf, maak ik een andere reis. Van Finland, waar ik al jaren woon, naar Dalfsen en Ommen. Een reis, bovendien, terug in de tijd.

In oude e-mails zoek ik naar details rondom de avond in mei 2008 dat ik de eerste editie van de Station-tot-stationloop liep. Tot mijn verrassing (nu) had ik er die ochtend niet veel zin in gehad. Maar dat had niet zoveel met de loop te maken. Het was een kleine maand na de marathon en ik was bovendien net begonnen aan mijn eerste baan als arts, op de intensive care van Enschede. Omdat ik geen rijbewijs had moest ik die avond met de trein op en neer. Het concept, van station tot station, kwam dus goed uit. Maar laat ik er geen doekjes om winden: ik liep vooral omdat Henk me had gevraagd. De man met de microfoon.

Terwijl ik me in het verleden dompel, doemen herinneringen voor mijn geestesoog op. Het inlopen, het klaarmaken voor de start. En dan: het aftasten van het tempo in de eerste kilometers. Loop ik hard genoeg? Loop ik comfortabel? De molen is een kwestie van seconden. Van de tegenzin is dan in elk geval niets meer over. Ik herinner me een moment van verwarring, maar ik weet niet meer waarop die verwarring betrekking had. Een onverwachte bocht? Een kilometerbordje dat net te vroeg of te laat kwam? Ik herinner me een onverhard pad langs een boerderij. Of bedriegt mijn geheugen me? Ik meen dat ik tot halverwege mijn geduld bewaarde en het vervolg liep met alle kracht die ik in me had. En van mijn archiefonderzoekje leer ik dat ik toen voor het eerst op nieuwe schoenen liep die ik in een mail aan mijn geliefde mijn flitsende blitse glitterschoenen noemde.

Ik herinner me een biertje in het stationscafé, na afloop. Maar de laatste meters en het winnen zelf zitten ergens verborgen in de krochten van mijn brein. Hoe goed ik nu ook mijn best doe, ik kan er niet bij. Toch is het niet zo dat ik het winnen voor lief nam. Dat deed ik nooit. Ik geloof dat ik altijd een dankbare loper ben geweest. Het winnen was de bevestiging van een sterk en gezond lichaam. Natuurlijk had ik er flink voor getraind, maar dat lichaam waar ik het mee moest doen, had ik bij mijn geboorte cadeau gekregen. Misschien bood het lopen zo tegenwicht tegen het leed van de intensive care. Lopen is niet zomaar een reis, lopen is een bedevaart.


Deze column schreef ik op verzoek van de Station tot Stationloop en is ook op de website van de hardloopwedstrijd te lezen.

Archieffoto van de Station-tot-Stationloop

Echo

Net voor de vroeg ingezette winter zijn vroege dood stierf, was mijn moeder er. Ze kwam natuurlijk in de eerste plaats voor ons, maar ook een beetje voor de winter. Ik had me er ongemakkelijk bij gevoeld als de sneeuw toen al verdwenen zou zijn geweest. Ze zeggen dat het klimaat geen persoonlijke aangelegenheid is, maar dat is maar voor de helft waar. De kou verlamt ons en de winter legt ons het zwijgen op. Het weer heeft een persoonlijke uitwerking.

We hielden min of meer ons normale ritme aan. Op de doordeweekse dagen gingen we hardlopend naar het ziekenhuis om onderweg met de dubbele buggy onze jongens bij de tarha af te zetten en ze tegen het eind van de middag weer op te halen. Als we thuiskwamen, zat mijn moeder in de huiskamer op de bank een wintertrui te breien. Ze had geen speciale wensen, behalve het delen in ons gezinsgeluk. Mee leven.

Elias, de oudste, had geen moeite haar te verstaan. Maar praten in zijn vadertaal was andere koek. In zijn moedertaal hebben de woorden al moeite om de vaart van zijn gedachten bij te houden en een vertaling was simpelweg te veel gevraagd. Ik moest mijn moeder bekennen dat ik mijn eigen taal ook niet consequent genoeg toepas. Ze zeggen weleens dat taal een rijkdom vormt, maar als je een taal niet goed genoeg beheerst, kun je die ook als je armoe beschouwen. Talen zijn net als het weer, onpersoonlijk en persoonlijk tegelijk.

Een kleine maand later, als mijn moeder weer lang en breed thuis is, klauter ik met de jongens over de rotsen van een bos niet ver bij ons vandaan. Elias rent voor me uit. Hij springt over takken en ziet in iedere kallio een nieuwe wedstrijd. ‘Een, twee, drie … Ik heb gewonnen!’ roept hij in zijn vaderstaal.

‘Onnen, onnen, onnen …’ klinkt het om ons heen. Ik probeer een kreet, en ja, ook die echoot alsof we in een enorme akoestische hal staan. Ligt het aan het halfopen landschap van bos en rots, of aan de dunne resterende sneeuwlaag, die hard is als de korst van een oude wond? In de lente zal ik deze plek weer opzoeken, beloof ik mezelf, om uit te vinden of de mossen, bessenstruiken en varens het landschap het zwijgen opleggen.

Sinds het bezoek van oma doet Elias zijn uiterste best. Hij puzzelt met letters en woorden, presenteert zinnen in de taal waarvan hij weet dat oma die zal verstaan. In de zomer gaan we bij haar op bezoek, en hij heeft zich voorgenomen om tegen oma te praten. Als ik hem naar bed breng, probeert hij zinnen uit die hij bij oma zal herhalen. Aleksis, de jongste, herhaalt alle woorden van zijn broer en heeft zich een bepaalde toon aangemeten waarmee hij duidelijk maakt dat het hem ernst is, hoewel hij de betekenis van zijn woorden niet altijd doorgrondt. Onze kleine levende echo.

Bij oma zullen de broers de dieren voeren. De geiten, de schapen. Ze mogen de eieren uit de kippenren halen en de boeken doorbladeren waar ik een generatie geleden in woonde. Ze mogen ruiken aan de rozen die daar beter bloeien dan hier en voelen dat de wind anders waait. Voller, en overtuigender. Ze zullen leren dat niet alleen de woorden er anders klinken, maar dat de begrippen ook een andere waarde hebben. Ze zullen inzien dat de klanken van woorden hol zijn, betekenisloos, als de echo op de kallio.


Deze column verscheen in maart 2024 in Noorderlicht.

In verhalen thuis

De straten gaan getooid in paarsblauwe franjes van bloeiende jacaranda’s. Het is onbegrijpelijk waar die bomen de levenslust vandaan halen na de maandenlang aanhoudende droogte die het land zijn kleur heeft ontnomen. De meeste loofbomen hebben hun blad verloren. Je kunt de kurkdroge bladeren horen als ze op de grond vallen of als de wind ermee speelt. Ze worden op hopen geharkt die in de vroege ochtend worden aangestoken. In de windstille lucht vormen de rookpluimen lange, kaarsrechte pilaren die het firmament lijken te dragen.

Als er iets is wat ik mis, dan is het de regen. Ik mis de frisse, vochtige lucht en de mist van de ochtendvroegte boven de rivier.

De jongste van onze twee kinderen is nog te klein om te missen. Hij neemt de wereld in zich op zoals die zich aandient. De oudste is op de leeftijd dat de fantasiewereld net zo werkelijk is als de fysieke. In onze verhaaltjes voor het slapengaan komen de kinderen zelf voor, soms als mensenkinderen maar vaker in een dierenlijf. We vormen een berenfamilie, we zijn muizen, herten of apen. Van Moederland reizen we naar Afrika, en we bezoeken oma’s boerderij in Vaderland. We beleven spannende avonturen in Finse taigabossen, waar eekhoorns en vossen wonen, en in Tanzaniaanse eucalyptusbossen met vlinders en apen. Daar treffen we monsters aan en grote, gevaarlijke dieren die uiteindelijk toch lief blijken te zijn. Meer dan eens eindigen de verhalen met het naderend geluid van de ijscowagen die in Turku eens in de maand voor de deur stopte. Zo kneden we de verschillende werkelijkheden tot een bevattelijk geheel waarin we thuis kunnen zijn.

Als er iets is wat hij mist, die oudste van ons, dan is het die ijscowagen. Maar gelukkig staat daar heel wat tegenover. Zo smult hij van de ugali en de chapati, en op straat kijkt hij zijn ogen uit. Want in Afrika speelt dáár het leven zich af. Vrouwen in kleurige jurken die in plastic bakken op hun hoofd hun koopwaar dragen, kinderen in schooluniform, mannen die zakendoen. Er wordt gelachen, geroepen, getoeterd, en er bestaat geen manier om je afzijdig te houden. Als de schoolbus onze jongens ophaalt, klimt de oudste direct op de stoel naast de chauffeur, van waar hij het bruisende leven in al zijn details in zich op kan nemen.

Juist in dat bruisende Afrikaanse leven, waar geen ontkomen aan is, verlang ik behalve naar de regen ook zo nu en dan terug naar het Finse solitarisme. Naar lange hardlooptochten in het sprankelend witte winterlandschap van Lapland, waar je niemand tegen hoefde te komen. Naar tijdloze avonden die we vulden met wandelingen door het moeras, op zoek naar kruipbramen, bessen of paddenstoelen. De geur van de suopursu bleek een werkzaam medicijn tegen de rusteloosheid.

Het geluid van de ijscowagen heeft geklonken. De leeuw die geen dieren eet omdat hij lief is, had geen geld, maar de aapjes hebben voor hem een doos met ijsjes gekocht. De jongens zijn in slaap gevallen en ik sta met Laura op de veranda te kijken naar de grote, donkergele vollemaan die onmerkbaar langzaam omhoogklimt. De sterrenhemel mag dan wel anders zijn, maar de maan die we zien blijft altijd hetzelfde. Ik sla mijn arm om haar heen en realiseer me dat er ook een moment zal komen dat we dit gaan missen. Misschien is de herinnering aan regen inwisselbaar voor de herinnering aan de droogte. En misschien is de eenzaamheid inwisselbaar voor het bruisende leven.


Deze tekst verscheen in iets andere vorm als column in Noorderlicht, het tijdschrift van de Nederlandse Vereniging in Finland.

Afscheid van Kafka

Met ‘Kafka is dood’, mijn derde boek bij De Arbeiderspers, heb ik in 2020 precies het boek afgeleverd dat ik geschreven wilde hebben. Het verhaal speelt zich af in de Connemara, in het westen van Ierland, waar ik op mijn achttiende enige tijd heb gewoond. Voor het boek heb ik geprobeerd de lokale historie, mythologie en het landschap met elkaar te laten versmelten. Het thema van het boek is een vrij extreme vorm van escapisme, of zelfs wat ik ‘ontmenselijking’ noem, en in mijn ogen een vervolmaking van het thema dat ik met mijn eerdere boeken heb verkend. Het is ook een boek dat heel dicht bij me staat. Diepe gevoelens of instincten kon ik uiten via het medium van een man die geleidelijk in een hond verandert.

Tijdens het schrijven heb ik mezelf zoveel mogelijk beperkt: ik wilde het verhaal compact houden en dwong mezelf zo dicht bij het thema te blijven. In perfectie geloof ik niet, zeker niet met betrekking tot mijn eigen werk, maar dit is wel een boek waar ik nog steeds erg blij mee ben.

Het boek verscheen tussen de lockdowns van 2020 in, bleef daarom zonder boekpresentatie. Het enige beeld/geluid interview dat tijdens mijn korte verblijf in Nederland stond ingepland werd afgezegd vanwege quarantaine van de interviewer. Wel werd ik telefonisch geïnterviewd door Marnix Verplancke. Dolf Jansen besteedde een prachtige radiocolumn aan het boek. Het boek kreeg louter positieve recensies, maar haalde de grote Nederlandse literaire media niet. Kafka is dood was niet het enige boek dat in die periode relatief onopgemerkt bleef. Voor mij persoonlijk was ‘succes’ niet meer zo belangrijk. Dat ik zelf ondubbelzinnig tevreden was met mijn boek was al een hele vooruitgang, dat ik me niet ben gaan schamen zoals bij mijn eerdere boeken (of dat nu terecht was of niet).

Maar nu wordt het boek binnenkort uit de handel genomen, zoals het nu eenmaal de meeste boeken vergaat. Een plaatsje op het Kerkhof der Vergeten Boeken. Wie nog een exemplaar wilt voor het te laat is dient er dus snel bij te zijn!

De rijke arts

‘Eens vroeg een opleider me waarom ik niet rijk was als ik zo slim was. Misschien wilde hij me vertellen dat ik te bijdehand deed, maar de vraag deed met mij iets heel anders. Ik ging nadenken. Rijk?’

Lees mijn nieuwe column voor het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde hier.