Pine trees and ducks

If you look carefully around, you will find most precious things all along the road. Yesterday evening I went out for a fifteen kilometer run. The path on the Varissuo hill was covered with crusty snow. Although the track is forbidden for runners in winter time, in order to keep the path optimal for skiing, I decided to take my change since the winter has hardly been a real winter this year .

Just after the steepest part of the hill I stopped to walk a little bit – wasn’t the run mend for recovery after the tough training on the indoor track the day before? For a minute I paused and looked around. The pines stood straight along the path and seemed to reach higher than the stars. I admired their verticality and its contrast to the inclination of the ground on which they were standing. I tried to imitate them, stood on one leg and reached with my arms as high as I could. For a few seconds I succeeded, but then my foot started to tremble and I had to come down to the ground with both legs.

Ducks on ice sheets in the Aura river
Ducks on ice sheets in the Aura river

Today morning I did my exercise in the park by the Paavo Nurmi stadion. Although there was a thin fresh layer of snow, the path was in perfect condition. Four times ten minutes at marathon speed. And the squirrels playing in the snow and the blue tits singing. Running is the truest pleasure, I thought. Back home along the river, brown water with sheets of ice drifting on it. Again I paused, this time wondering about the ducks who were standing on the ice rather than swimming on the water. Why, I thought, did they ever choose to be ducks?

Diamond-shaped footprints of a duck.

As I was looking at them, my eyes caught another peculiarity. A beautiful picture was drawn by footprints in the snow at the river shore. They told the story of a duck walking away from the water, changing its mind and turning around. The footprints were shaped like diamonds. But look, a few meters ahead they changed into Algiz-shaped footprints. Could it be that the duck had started to run, and therefore its footprints changed, I thought.

When coming home I took my camera and ran back to the river to catch the story with the lens. Just as I returned to the place, the story revealed itself. A big grey crow was marching around, threatening the ducks by his cold shrieks while leaving behind the footprints I had been wondering about. So the story was not that of a duck who started to run but of a crow and a duck. Much more interesting indeed, leaving me with even more questions as I headed back home again.

Diamond- and algiz-shaped footprints on the shore of the Aura river
Diamond- and algiz-shaped footprints on the shore of the Aura river


De eerste sneeuw

Is er iets droever dan de natte sneeuw? En de straten nat, de wind, en de lucht zo grauw als de ouderdom? Kristallen die vertranen als je ze probeert op te vangen? Warmte en liefde niet duldend, en jij en ik worden koud en nat?

Maar dat was een paar weken geleden. Daarna begon het te vriezen. De zandpaden versteend en ik daar overheen en over de brug, door de bossen, naar het eiland Ruissalo waar houten paleizen en prinselijke torentjes uitkijken over de zee die nergens zo rustig kabbelt als hier, gekalmeerd door de duizenden eilanden van de archipel. Ik, een eenzame loper dolend langs de kust, op zoek naar een vreedzame plek.

Hier, op de hoek van de kade vind ik een steen om op te zitten. Hier zou ik wel willen sterven, al is het nu nog veel te vroeg. Misschien over vijftig jaar, een hartaanval lijkt me wel wat al staat het woord me niet aan, te agressief. Een beroerte klinkt veel serener dus misschien op die manier. Of sterven van de kou. Mijn benen bungelen boven het water en mijn blik dwaalt over de eilanden die niet van elkaar te onderscheiden zijn en over de zee van verlangen die zich daartussen bevindt.

Mijn moeder vroeg me of ik nog een wens had voor ons nieuwe huis, dat aan de andere kant van de stad op een steenworp afstand van de rivier ligt. De rivier, die al een dun laagje ijs draagt. Het brandhout voor de kachel en de sauna is zojuist bezorgd, er is niets meer dat ik wens, moeder. Of misschien wens ik dat de rivier en de zee verder bevriezen, zodat ik me te voet naar de eilanden kan begeven, net als in de vorige winter. Maar laat het toch nog even zo zijn als het nu is: het water dat ons scheidt, zodat het verlangen de pas houdt met de ijslaag.

Ik heb te lang aan de waterkant gezeten, was me niet bewust van de kou die het lopen nu haast onmogelijk maakt. Met stijve benen dus terug door het bos, over de brug en langs de rivier. Vanuit het niets, de lucht is helder, vallen minuscule sneeuwvlokjes die door de wind naar de berm worden geveegd. Als ik thuis ben en de koffie pruttelt trekt een wolkendek voor de zon en begint het echt te sneeuwen. Nu is het dan toch de blijvende sneeuw, waarmee de winter is aangevangen.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie februari 2014

Sisu

Ik verlang naar de winter, maar ben er ook huiverig voor. Zodra de sneeuw valt is het gedaan met de nattigheid van de herfst, en is de buitenwereld ook niet meer zo donker. De keerzijde van de winter is dat de hardlooppaden door het bos, die tot tien uur ’s avonds zijn verlicht, aan skiërs en langlaufers worden uitgeleverd zodra de eerste vlokken de aarde raken.

Zo lang het nog kan kies ik dus voor de heuvelachtige route door het bos aan de rand van de stad. Argeloos rijg ik ’s avonds de sliert lantarenpalen als kralen langs het snoer van het pad, als ik plotseling word overvallen door een ijskoude plensbui. In een paar tellen zijn mijn kleren nat, en dringt het onbehagen tot in mijn botten door. De meeste kralen resten nog, de kortste weg naar huis ligt achter me.

Denkend aan Lasse Virén, de laatste Flying Finn, besluit ik dat er maar één weg is, en die ligt voor me. Bij de Olympische Spelen van 1972 leverde Virén de opmerkelijkste sportprestatie aller tijden. Halverwege de wedstrijd over tienduizend meter belandt hij, na een botsing met een andere atleet, op de grond. Snel krabbelt hij op om zijn race te vervolgen en in één ronde maakte hij de achterstand op de kopgroep goed. Voor even houdt hij zich stil, maar in het eind van de wedstrijd vliegt hij dan toch als uit een katapult naar voren en wint op legendarische wijze zijn tweede Olympisch goud.

Sisu, zo heet de wilskracht die nodig is om onverstoorbaar door te gaan als de kansen zich tegen je keren. In geen enkele andere taal bestaat er een woord die de lading van sisu dekt. Maar in Finland weet iedereen wat het is. Men is ermee opgegroeid. Misschien is er ooit, bij veertig graden onder nul, een natuurlijke selectie geweest. Sisu is de karaktertrek die men nodig heeft om de winter te overleven, de rest vriest dood.

Er zit een knoop in het kralensnoer: gedurende twee kilometer is er geen straatlantaarn te bekennen. In het pikdonker laat ik me leiden door de broze weerspiegeling van een onbestemd licht in de waterplassen op het pad. Kou, regen en duisternis – wanneer is eenzaamheid volmaakt? Juist als ik mezelf helemaal alleen waan, steekt een kleine vos het pad over. De kleuren van zijn vacht kan ik niet onderscheiden, maar het silhouet is onmiskenbaar: een spitse kop en een pijlvormige staart. De onverwachte ontmoeting is de hoofdprijs van de avond, sisu betaalt zich uit.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie januari 2014

Koorddanser

Voor de hardloper zijn de watertorens belangrijke markeerpunten. Matti legt me uit dat de reservoirs op de hoogste punten van de regio zijn gebouwd. De volgende kilometers zullen dus netto neerwaarts gaan. Met een onbestemd keelgeluid antwoord ik, voor woorden kom ik adem tekort. Vandaag dwalen we weer tientallen kilometers over de onverharde paden die het uitgestrekte bos doorkruisen. Het pad, dat met vurige bladerresten is bestrooid, danst bevallig langs reusachtige rotsen en dreigende dennen, maar ondanks de honderden hoogtemeters die we onderweg bij elkaar sprokkelen blijft het tempo hoog. De tempotraining van de dag tevoren is alweer verteerd.

Terwijl we langs de heuvel naar beneden roetsjen en daarmee een bejaard echtpaar onbedoeld de stuipen op het lijf jagen, denk ik terug aan het tafereel dat ik gisteren in een winkeltje aantrof. Minutenlang staarde ik naar boven, naar de pop die met behulp van een eenvoudig mechanisme heen en weer fietste over een koord dat dwars door de winkel was gespannen. Het fietsje werd in balans gehouden door een loodje, en een slinger aan de muur zorgde ervoor dat de helling van het koord telkens veranderde, waardoor de pop moeiteloos over het koord kon fietsen.

Net als de pop spotten Matti en ik met Newton’s natuurwetten. Of in elk geval, we buiten ze uit. Bij de klim zet je zachtjes aan, zodat je soepel naar boven veert. Naar beneden laat je je vallen en zorg je er slechts voor dat je benen je bijhouden. Het is de kunst om de benen niet te ver naar voren uit te strekken, anders rem je af. Je doseert je kracht, stuurt de val en komt tegelijkertijd op adem voor de volgende klim. Het bospad is ons koord, de watertoren is de slinger.

Matti onderbreekt mijn dwalende gedachten. Hij wijst me de zijpaden die we vandaag onverzilverd achterlaten. Het Finse landschap biedt de langeafstandsloper veel meer dan hij verlangt, maar als trainingsbestemming is het onbekend en dus ongerept. Zodra de eerste sneeuw ons overvalt zal de winter de paden echter aan de langlaufers uitleveren. Maar zover is het nog niet, het bos is nog van ons. Zou het kunnen, vraag ik Matti, dat niet alleen het pad, maar ook de heuvels en het woud in de loop der eeuwen speciaal voor ons zijn aangelegd? Verbeeld ik het me, of zijn die torens niet voor de watervoorziening gebouwd, maar puur ter oriëntatie voor hardlopers en langlaufers? Een onbestemd keelgeluid valt me ten deel, het pad draait een nieuwe heuvel op.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie december 2013

Zeven plus een

In de jaren negentig, toen ik nog naar school ging, geloofde ik in de mens en zou ik Schopenhauer nog voor gek hebben verklaard. Ik was geëngageerd en greep iedere mogelijkheid aan om me vóór de multiculturele samenleving uit te spreken.

Zo opperde ik bijvoorbeeld bij een schoolproject dat op de leeslijst voor scholieren verplicht één verhaal van een vluchteling zou komen te staan, omdat in mijn ogen de maatschappelijke onvrede over vluchtelingen voortkwam uit onbegrip. Met het lezen van een boek leeft men zich in, dus zou mijn voorstel de acceptatie van asielzoekers verbeteren. Het voorstel promootte ik met een eigen geschreven dansmuziekje inclusief rap, geheel in de stijl van 2 Brothers on the 4th Floor, waar ik op dat moment fan van was. De zangeres van de band wilde wel komen om te zingen, maar de datum kwam haar helaas niet uit. Het refrein van het liedje schiet me ineens weer te binnen:

Vluchtelingen in het land

bekijk ze van de andere kant

gevlucht voor oorlog en geweld

zonder huis en zonder geld.

Laatst moest ik terugdenken aan het idee. Het voorstel was natuurlijk een beetje naïef, maar  aardig bedoeld. Een probleem, bedacht ik me, was dat er haast geen goede boeken over vluchtelingen vertellen.

Tot ik vorige week van Abdelkader Benali  de PDF versie kreeg van het boekje dat hij speciaal voor het jubileum van de Zevenheuvelenloop geschreven had. Het boekje bevat zeven-en-één portretten van bijzondere zevenheuvelenlopers, waaronder Haile Gebrselassie. De portretten zijn geen pogingen tot biografieën, daarvoor zijn ze te kort, maar een samensmelting van anekdotes en beschouwingen over lopen en het leven. Ieder verhaaltje heeft een flinke duurloop nodig om te bezinken.

Toen ik vanochtend in mijn lange duurloop het laatste verhaaltje aan het verwerken was, realiseerde ik me dat de meeste portretten over allochtone Nederlanders handelden. Thuisgekomen bladerde ik door het boekje heen, en verrek! Er zat geen Karel, geen Annemiek, niet één oerhollandse naam tussen de gelukkige zeven-plus-één. De geportretteerde groep zal dus vast niet representatief zijn voor het voltallige lopersveld van de wedstrijd. Wie had deze lopers uitverkoren om te worden geinterviewd? En wat was de achterliggende gedachte? Was het boekje puur bedoeld ter viering van de verjaardag van de zevenheuvelenwedstrijd, of waren er hogere ambities, die bewerkstelligd moesten worden door de Odyssee van de Senegalese Abou Babacar Sarr te beschrijven, en de weg die Slobodan Jesic had afgelegd vóór hij in Nijmegen aan de start verscheen?

Toch is het boekje veel meer dan een multicultureel pamflet waartoe hardlopen als excuus dient. Wekenlang woonde Benali in het Besiendershuis in mijn geboortestad Nijmegen, en via de sociale media vernam ik met vreugd dat hij iedere dag een beetje Nijmeegser werd. Dat is ook uit het boekje op te maken, het gevonden plezier spat ervan af. Hoe kan het ook anders: breng een hoofdstedeling naar een plek waar het zonlicht niet door de uitlaatgassen wordt gesmoord, en hij leeft op. Doe je dat met iemand die de pen zo weet te hanteren als Abdelkader Benali, dan brengt hij een parelmoerketting van gedachten op papier tot leven. Het boek is sprankelend, literair, soms luchtig, op een enkel moment pijnlijk. Het is een boek dat de kern van het leven raakt, en je sluit bij het lezen ieder van de geportretteerde lopers in de armen. Dank je, Abdelkader Benali, voor het heerlijke boek dat bijna twintig jaar later alsnog verschijnt.

(De 7 van Nijmegen, Abdelkader Benali, 2013)

Waarom we lopen

De hardlopende mens verschilt van andere dieren daarin, dat hij bij tijd en wijle nadenkt over de vraag waarom hij hardloopt, maar die vraag steekt vooral de kop op wanneer hij even niet hardloopt. Hij zit op zo’n moment thuis op de bank, met een boek op schoot dat hem niet boeit, en staart voor zich uit. Filosofische vraagstukken zijn er immers slechts om lege momenten een schijn van betekenis te verlenen. Filosofen zijn nietsnutten die zich verschonen door te claimen dat ze de kern van de existentie verkennen, zich voorhoudend dat er iets van een ui overblijft als men die van zijn schillen ontdoet.

Ook hardlopen is salonfähig gemaakt. Waarom loopt men hard? Ik heb de filosofie inmiddels afgezworen. In plaats van hem te beantwoorden draai ik de vraag om: waarom loop ik op dit moment niet hard? Ik pak mijn schoenen, die nog nat zijn van de ochtendregen, en trek eropuit. Nog even langs de rivier om de zeemeeuwen te horen, om de koude buitenlucht in mijn gezicht te voelen en te wachten tot een bundel zonnestralen voor even door het wolkendek doordringt en het verkleurende bos in vuur en vlam zet.

Door de vraag om te keren blijft alleen het antwoord over: dit is de reden dat ik hardloop. Ik hol met mijn hardloopmaatjes over de atletiekbaan en we glijden over de heuvels alsof de benen wielen zijn. Welkom in de filosofie van de hardloper! Punt één: het universum reikt niet verder dan mijn benen me willen dragen. Punt twee: tijd is de afstand van boom tot boom gedeeld door de pasfrequentie. Punt drie: ik ben omdat ik loop en andersom. Jaloers kijk ik naar de ekster die over het pad hupt en plotseling weg fladdert. Ik ben vrij en gezond, ik kan lopen, hardlopen, maar op eigen kracht vliegen is me nog nooit gelukt. Ik was een jaar of zes toen ik dat voor het eerst probeerde: ik liep door de storm van school naar huis, leunde voorover tegen de wind om niet te worden weggeblazen en kwam op een idee dat wonderlijk genoeg nog nooit door iemand anders was bedacht: als ik nu spring, zo hoog ik kan, en in het bovenste van mijn sprong nog eens spring, en nog eens, en eindeloos in mijn sprongen verder omhoog spring, dan kan ik vliegen zonder vleugels. Ik heb het geprobeerd maar het is me niet gelukt. Nog niet. Het vereist veel oefening, net als lopen. Dus loop ik hard omdat ik niet vliegen kan.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie november 2013

Nazomer

De Finse zomer is warm en intens. Toch beginnen de berken te verkleuren en draagt de appelboom ineens prille vruchten. Het kleurenpallet is mooi, maar stemt me een beetje weemoedig: is dit het einde van de zomer? Het bos verkleurt echter niet van de naderende herfst, maar van de maandenlang aanhoudende droogte. Dan regent het plotseling een weekend lang, en zijn we voor even verlost van het gouden pallet. Het bos is weer even vol en groen als in juli.

Twee dagen na een halve marathon heb ik met twee vrienden afgesproken voor een lange duurloop, maar na anderhalf uur houden mijn maatjes het voor gezien. Het tempo lag redelijk hoog en Matti heeft over twee dagen alweer een wedstrijd op de planning.

In mijn eentje vervolg ik de weg door het schemerrijke bos. Maandenlang was de zon, zelfs ’s avonds laat, niet weg te denken en de bermen stonden volop in bloei. Aan het begin van de zomer leerde Eeva me al hardlopend de Finse namen van de bloemen, maar in juli waren er zoveel soorten dat het niet meer bij te houden was. Vanavond is er geen bloem meer te zien. Het pad is half bedekt door berkenbladeren en de bodem is doordrenkt van de regen.

Syksy. De afgelopen dagen heb ik het Finse woord voor de herfst verschillende malen gehoord. Eeva fluisterde het eens voor zich uit toen de regen ’s nachts tegen de ruiten sloeg – ik meende dat ze sliep. Maar ook op straat vang ik het woord zo nu en dan op. Zojuist meende ik zelfs van een van de meeuwen te horen. De genadeloze klank van het woord doet me sidderen; de herfst komt voor mij veel te vroeg. Laten we het dus voorlopig maar nazomer noemen.

Vreemd genoeg verlangde ik op de heetste zomerdagen terug naar de winter. Misschien vanwege de dagelijkse verrassing: sneeuwt het, zal de zon zich laten zien? Een paar weken geleden stelde ik dan ook tevreden vast dat het ’s nachts weer echt donker bleek te worden. Toch heeft de zomer ook genoeg fijns te bieden. Zo zijn de meeste bospaden zijn in de winter niet voor hardlopers toegankelijk – dan zijn de langlaufers aan de beurt. Nazomer dus. Nog een paar weken om hard te trainen voor de najaarsmarathon. Fragmenten van deze zomer zal ik meenemen tot dat moment. In twee-en-een-half uur zal ik die zomerrestjes dan verteren en mezelf klaarmaken voor een nieuw winteravontuur van duizenden kilometers door de sneeuw.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie oktober 2013

Kleurenloop

Rock [small]

Op twee kilometer van huis ligt Luolavuori. Hier begint een heuvelachtige route door het bos.

Een eindje verderop, in Katariinalaakso (het Katarinadal), op een steenworp afstand van de zee, wuift de zomer me gedag.

Sunflower

Shades of greenIs dit het einde van de zomer, of het begin van de herfst? Bij Lauste zijn de bomen het er niet over eens: de berk is zich al aan het ontkleden, maar de eik trekt zich er niets van aan. Zolang de zon nog schijnt, is het met de zomerpret niet gedaan.

De hardloper vervolgt zijn weg, daar is hij tenslotte hardloper voor. Hij stopt alleen voor rood: een gratis lunchpakketje aan de boom. Najaarsaanbieding?

Omena