Het failliet van Europa

Aan de voet van de Olympus vindt de dramatische implosie plaats van een ideologisch verbond. De Goden zullen er wel om lachen, om dat arme volk dat gebukt gaat onder een schuld die ze door de banken is toegeschoven. Maar die staatsschuld van de Grieken is het grootste probleem niet: de staatsschuld, die hoeft alleen maar kwijtgescholden te worden. Dat mag dan wel ongelukkig klinken, maar volgens de economen is er gewoon geen andere oplossing voor de economische kant van het probleem.

Varoufakis had een inhoudelijk verhaal. Met hem had Griekenland waarschijnlijk de meest deskundige en integere minister die maar denkbaar is aan de onderhandelingstafel, maar hij was zo ontzettend overtuigd van zijn zaak, dat het politieke probleem er alleen maar groter door werd. Zijn deskundigheid en overtuiging leidden er namelijk toe dat de overige spelers niet konden toegeven zonder het risico te lopen door het electoraat als verliezer te worden beschouwd. Omwille van de beeldvorming is hij opzij geschoven. Met die zet gaf Tsipras zijn tegenspeler Dijsselbloem de mogelijkheid zich uit de lastige positie te redden waarin hij zichzelf had gedrongen. Toegeven aan de Grieken zou voor hem politieke zelfmoord zijn, maar met volharden in zijn opstelling van vóór het Griekse referendum, nee = grexit, zou Dijsselbloem de complete Europese economie op het spel zetten. Met het vervangen van zijn minister hoopte Tsipras Dijsselbloem de politieke ruimte te verschaffen om te bewegen in de richting van de enige oplossing die mogelijk is, en die nota bene Varoufakis hem heeft voorgeschoteld.

Integriteit is een eigenschap die we bij politici nauwelijks meer terugzien. Toegegeven, het intelligente brilletje van Dijsselbloem, de korte zwarte krullen met een grijzende glans, de wenkbrauwen die zijn fronsen benadrukken wekken de schijn van integriteit. Maar werkelijke integriteit is een eigenschap die we eerder bij academici dan bij politici treffen. Als politicus was professor Varoufakis dus niet echt op zijn plek. Het had geweldig kunnen werken, als men met integriteit nog raad wist. Maar nee, de Belg Verhofstadt scheen vanmorgen bijvoorbeeld te menen dat de privileges voor reders en de Grieks-Orthodoxe Kerk aan de huidige crisis ten grondslag liggen. Een lachertje natuurlijk, want welk land je ook onder de loep neemt, je vindt altijd wel iets bijzonders waar je je om kunt opwinden.

Het economisch effect van de privileges van de Grieks-Orthodoxe kerk mag dan wel marginaal zijn, het effect van Verhofstadts opmerking moet niet worden onderschat. Want de beeldvorming van Europa, en daarmee ook de besluitvorming, komt tegenwoordig bijna alleen met lachertjes tot stand – maximaal honderdveertig tekens. In politiek en ook in de journalistiek is er bijna geen plaats meer voor relativering. Er is geen journalist die de moeite nam om de opmerking van Verhofstadt in perspectief te plaatsen. In plaats daarvan noemt de NOS hem ‘geëmotioneerd’, wat de lezer dan maar mag interpreteren als ‘oprecht’. Maar zijn die zogenaamde emoties van politici werkelijk oprecht?

Jarenlang gaat de Griekse bevolking reeds gebukt onder hevige bezuinigingen en zogenaamde her- of vervormingen die nauwelijks of zelfs averechts werkten. In Europa heerst er ondertussen boosheid over de Griekse pensioenen. Maar waarom zou je in hemelsnaam de pensioenleeftijd verhogen als er niet eens werk is om mensen bezig te houden? Om te begrijpen waarom de Europese leiders om de problemen heen praten, althans ten overstaan van de media, dient men zich te realiseren dat ze in werkelijkheid niet tegen de Grieken praten, maar tegen hun eigen volk. De onderbuikgevoelens worden zoveel mogelijk uitgebuit ten behoeve van het stemkapitaal. Elke sneer richting de Grieken levert bussen stemmen op. Denk aan Ruttes verkiezingsbelofte: geen cent meer naar de Grieken. Maar in die tijd wist Varoufakis (toen nog professor) al, dat het dieptepunt nog lang niet was bereikt en zelfs Europa uiteen kon drijven.

Zo wordt de democratie uitgehold door lege oneliners die de voorpagina halen – mede dankzij intellectueel onvermogen van een legioen journalisten die enthousiast meetypen met iedere treffende onliner. Voor werkelijke democratie is oprechtheid van politici en kritische houding van journalisten even belangrijk als de vrijheid om te stemmen.

Maar wat bezielt Tsipras undertussen om de clown uit te hangen terwijl zijn volk ligt te creperen? Het antwoord is heel simpel: hij hangt de clown helemaal niet uit. Het is hem en het Griekse volk menens. Tal van economen zijn het erover eens dat nog meer bezuinigen alleen maar averechts werkt. De enige werkelijke oplossing ligt bij andere landen, die moeten de Griekse staatsschuld ten minste deels kwijtschelden. Maar dat gaat er niet van komen, want als de Europese leiders zouden toegeven, gaan de duimen van het electoraat omlaag. Oud-minister Varoufakis schreef hier een sterk stuk over: Merkel heeft twee knoppen: een rode en een gele. Eén van de knoppen redt zowel de Grieken als Europa. Dat weet Merkel, maar die knop zal ze niet drukken. Dat heeft ze zichzelf namelijk onmogelijk gemaakt.

Als we over de Grieken spreken, hebben we het over een volk in de periferie, met zo een tien miljoen koppen. De staatsschuld per persoon is vergelijkbaar met die van Nederland. Het grootste verschil zit ‘m in de inkomsten. Want de gemiddelde Griek verdient nog niet half van wat een Nederlander verdient. De huidige werkeloosheid is dan ook moordend en deels te wijten aan de bezuinigingen die van Europa en het IMF zijn opgedrongen. De opmerkingen van Tsipras, die stelt dat Griekenland vijf jaar een proeflaboratorium is geweest, zijn dus helemaal niet uit de lucht gegrepen. De Griekse crisis is een Europees probleem, zegt hij. Daar heeft hij tenminste ten dele gelijk in: de afgelopen vijf jaar zijn de banken overeind gehouden, en daarmee is het geld uiteindelijk vooral bij de Duitsers terecht gekomen. En wat dan nog, al zou het een Grieks probleem zijn. Wat kan een Griek eraan doen dat hij in Griekenland geboren is? En een willekeurige Nederlander, jij of ik, hebben wij werkelijk invloed op het relatief gunstig economisch klimaat van de laaglanden, of zijn wij slechts parasieten, net als de Grieken?

In Brussel spreekt men over de euro, over geld en schulden, maar nauwelijks over de morele waarden van een Europees verbond. De crisis in Europa is dan ook slechts voor een klein deel een economische van aard. De inhoudelijke democratie staat op het spel, want de beeldvorming, de volksverlakkerij en grote woorden omwille van het electoraat onderwerpen de rede. Waar is de Europese solidariteit? Grieken zijn mensen als jij en ik: ze moeten eten en willen een dak boven het hoofd. Ze werken of zijn op zoek naar werk. Ze hebben zich een loer later draaien door leuchenachtige leiders, net als wij. Op dit moment hebben de Grieken een vriend nodig – maar wij draaien hen de rug toe. Ik zal toch niet de enige zijn die liever een maandsalaris inlevert om de Grieken te helpen hun last te verlichten (en, als we dan toch bezig zijn, nog eens een maandsalaris om vluchtelingen uit oorlogsgebieden een kans te geven in veiligheid een bestaan op te bouwen). Maar politici zijn doof voor idealen, het denken is steeds meer gericht op, de de klank van de munt. Moedeloos zien we toe hoe politici Europa moreel om zeep helpen.

Stemmen

Het meer is zilvergrijs, zijn ijslaag slijt dagelijks en de sneeuw erop is grotendeels gesmolten. Het is tien graden boven nul en de dag duurt achttien uur. De zomer is aangebroken nog voor de winter verstreken is – van een lente heeft men hier nog nooit gehoord.

Toch willen de benen niet. Ik ren over de weg naar Maaninkavaara, de weg naar het noorden, en ik stop af en toe om mijn gedachten te spoelen in de pikzwarte waterstroompjes waar de sneeuw van het moeras in verdwijnt.

Jong was hij, de derde zoon. Nog geen veertig, een leeftijd lager dan zijn BMI. Zijn broers waren reeds overleden, aan alcohol en hartproblemen, maar zijn ouders leefden nog: vader aan de drank, moeder lijdend aan het leven. Hij hoorde stemmen, zei hij op vier mei, stemmen van het lot. Ze zeiden dat de duivel bestond en ook de hel, en dat alles zou eindigen op de vijfde van de vijfde. Geloof die stemmen maar niet, stelde ik hem gerust. Ik schreef hem een medicijn voor dat hem rust zou geven en liet hem naar zijn ouders gaan. De psychiatrisch verpleegkundige was het met me eens: zulke stemmen hoorde hij wel vaker, rust zou hem goed doen. Bovendien had hij een belangrijke taak in zijn leven: zijn ouders begraven als de tijd rijp was. Het mocht niet zo zijn dat ze al hun kinderen moesten begraven. Hij kon dus niet komen te overlijden.

De weg en de bermen zijn sneeuwvrij, en de zuidelijke hellingen van de heuvels ook. Na de haast eindeloze winter gaat het toch ineens snel. Een paar weken geleden kwamen de zwanen, maar toen was alles nog wit. Vorige week volgden de wulpen, en precies zoals het oude Finse spreekwoord luidt was vanaf dat moment het ijs niet meer begaanbaar. Ondanks al dat wonderbaarlijke zijn de benen vandaag krachteloos en lijkt de weg eindeloos te zijn en nergens heen te leiden.

In de ochtend van de vijfde van de vijfde belde de verpleegkundige hem op, de derde zoon. Hij voelde zich een stuk beter, had goed geslapen. Hij voelde dat de rust was weergekeerd. Om negen uur ‘s avonds gaf hij zijn moeder een zoen en ging hij naar bed, zoals iedere andere dag.

De beren zijn reeds uit hun winterslaap ontwaakt, de vogels zijn uit het zuiden teruggekeerd en de wereld krijgt kleur, maar de derde zoon werd nooit meer wakker.

Alles duidt op een hartinfarct, al moet de patholoog nog uitsluitsel geven. Ja, hij had chronisch pijn op de borst, hij bewoog zich voort als een mammoet, traag en steunend, en kon ieder moment het loodje leggen. Geen zelfdoding dus, maar wel een aangekondigde dood. De dokter is ontdaan. Hij hoort nog de stemmen van twee dagen tevoren. Misschien hadden die stemmen wel gelijk, denkt hij, misschien bestond de hel inderdaad: het leven was een hel, en die hel is in de nacht van de vijfde op de zesde opgehouden te bestaan.

Pleidooi voor het lezen in een andere taal

Meyrueis, Lozère, 26 juni 1977. Warm, bewolkt weer. Ik pak mijn spullen uit mijn auto en zet mijn fiets in elkaar. Vanaf terrasjes kijken toeristen en inwoners toe. Niet-wielrenners. De leegheid van die levens schokt me.

Aan die laatste zin moest ik denken toen ik het pleidooi van Jan van Mersbergen las om van buitenlandse boeken alleen de Nederlandse vertaling te lezen, en ik wil u uitleggen waarom. Van Mersbergen voert verschillende redenen aan om in het Nederlands te lezen. Reden één tot en met drie vormen zijn gebrekkige beheersing van andere talen. Een prima reden, zou ik zeggen, het is precies de reden dat boeken worden vertaald – maar daar laat Van Mersbergen het niet bij. Hij haalt venijnig uit. Zo zegt hij dat niet alleen hij, maar alle Nederlanders die Engels lezen die taal niet voldoende beheersen. Bovendien is het geen onschuldige daad, volgens Van Mersbergen: ze verloochenen hun taal, zegt hij, en dat doen ze voor de status. Die stellingen brengen me bij het terrasje in Meyrueis, Lozère, 26 juni 1977. De Renner van Tim Krabbé. Een van de mannen op het terrasje is Jan van Mersbergen. Hij stoot zijn kameraden aan en wijst naar de wielrenner. ‘Wat een idioot, vinden jullie ook niet? Denkt een beetje stoer te zijn, in zijn wielrennerspakje. Maar weet je wat, wij nemen straks een taxi, dat scheelt een hoop gezweet.’

Zou de renner werkelijk het idee hebben dat hij stoer is? Onzin. Net zo min lezen mensen boeken in het Engels omdat aanzien geeft. Dat houd je misschien een hoofdstuk vol, maar geen heel boek. En zelfs al zouden mensen Engels lezen om stoer te doen, laat ze dan lekker stoer zijn, zou ik zeggen, en lees zelf de vertaling als je dat liever doet.

Maar dat doet Van Mersbergen niet, want Nederlanders nemen nu eenmaal sinds mensenheugenis zichzelf als maatstaf, een reden voor Slauerhoff om niet in Nederland te willen sterven. Bij ons in het dorp was lezen trouwens voor mietjes. Aanzien kreeg je van een mooie auto en het was stoer om een veel grotere kerel een mep te verkopen – verstandig was dat overigens niet.

Zonder mezelf als maatstaf te willen stellen, kan ik u lezen van harte aanbevelen. Lees wat u wilt en hoe u wilt. Maar als schrijvers u gaan vertellen dat u iets niet moet lezen wat wellicht te moeilijk voor u is, dan wil ik u toch een hart onder de riem steken.

Ten eerste wil ik u aanraden het onbekende niet te schuwen. Er zijn hele handige naslagwerken beschikbaar, zogenaamde woordenboeken, die de mystiek van een vreemde taal helpen doorgronden. Natuurlijk blijft het soms behelpen, zeker als u zich nog maar net aan een nieuwe taal waagt, maar oefening baart kunst.

Andere talen dan de moedertaal kunnen lastig zijn, maar dat wil nog niet zeggen dat het ongezond is, dat u een ernstige vorm van kanker krijgt of u eerder doodgaat, zoals bij het roken van een sigaret. Nee, het lezen van vreemde talen is volstrekt veilig, en dat vertel ik u als dokter. Sterker nog, er zijn zelfs aanwijzingen dat meertaligheid gezond is. Het zou de levensduur kunnen verlengen en het ontstaan van dementie vertragen.

Schrijvers als Vladimir Nabokov bewijzen overigens dat je een vreemde taal heel goed eigen kunt maken. Hij schopte het zelfs tot professor en tot grootste taalkunstenaar ooit, misschien wel juist omdat hij migreerde en in een andere taal ging schrijven. Een andere grote taaljongleur is Salman Rushdie, eveneens migrant. Daarnaast zijn er tal van toonaangevende schrijvers die migreerden of in verschillende talen communiceerden, hetgeen te denken geeft dat het beheersen van vreemde talen wat literatuur betreft helemaal geen kwaad kan en zeker niet beperkend werkt.

Nu hoeft u zelf geen Vladimir Nabokov te zijn, want de Nederlandse taal is het kleine broertje van zowel de Engelse en de Duitse taal. Als u bij een Duitse tekst de ogen een beetje toeknijpt, lijkt het net of het in het Nederlands geschreven is. Voor Engels geldt min of meer hetzelfde. Als wij Nederlanders moeilijk gaan lopen doen over Engels, hoeven we ook niet van onze immigranten, veelal afkomstig uit een totaal ander taalgebied, te verwachten dat ze ooit onze taal gaan leren.

Een belangrijk voordeel van het lezen in vreemde talen, is dat uw horizon verbreedt. Vanwege het veel grotere aanbod aan schrijvers, artikelen en boeken, wordt er in het Engels, maar ook in het Duits, veel meer geschreven, en is de kwaliteit van stukken die boven komen drijven vaak veel hoger dan die in de Nederlandse taal. Natuurlijk worden de meest succesvolle boeken (niet per se de beste) naar het Nederlands vertaalt, dus kunt u ze ook in uw eigen taal lezen. Er zijn echter ook tal van artikelen en essays, die nooit vertaald zullen worden. Lees bijvoorbeeld eens wat verslagen van voetbalwedstrijden op de website van The Guardian, dan zul je begrijpen dat de Nederlandse sportverslaggeving (Voetbal International) slechts bruikbaar is om je reet mee af te vegen – iets waartoe normaal wc-papier trouwens veel beter is en nog goedkoper ook. Of mag ik verwijzen naar het essay ‘Why are you still here’ van James Meek over het lot van het Engelse vissersplaatsje Grimsby, in London Review of Books. Misschien heeft u van Grimsby nooit gehoord, maar dat doet er niet toe. Het is een prachtige vertelling dat model staat voor het algemeen wantrouwen jegens de Europese Unie en waar ik u verder niet over ga vertellen want u u kunt het ook gratis lezen op internet.

Je horizon zal niet alleen verbreden doordat er meer en beter te lezen valt in vreemde talen, maar ook omdat het denken in een andere taal ertoe kan leiden dat men gebeurtenissen vanuit een ander perspectief ziet. Dat is waarschijnlijk deels toe te schrijven aan verschillen in grammatica, maar ook doordat in vreemde landen vanzelfsprekend andere kwesties actueel of relevant zijn.

Een andere reden om in de oorspronkelijke taal te lezen, indien je die taal min of meer beheerst, is dat een vertaling altijd zijn beperkingen kent. Niet alleen vanwege nuanceverschillen in betekenis van bepaalde woorden, maar ook doordat schrijvers niet enkel de taal gebruiken om een verhaal te vertellen, maar juist de taal zelf verheffen. Zelfs de beste vertaler kan er niet aan ontkomen zijn eigen interpretatie en smaak mee te geven aan zijn werk – dat ligt niet aan hem.

Maar of u nou puur voor de ontspanning leest, of om de schrijver te leren kennen of om wijzer te worden, uiteindelijk doet u het voor uzelf. Er zijn net zoveel manier om boeken te lezen als manieren om een berg te beklimmen. De renner kiets voor het weggetje met de haarspeldbochten, een luie toerist neemt de auto. Die laatste mag dan wel het beste uitzicht hebben, maar daar heeft de klimmer waarschijnlijk geen boodschap aan.

Lees dus vooral lekker wat en hoe u wilt, laat u inspireren, maar niet ontmoedigen. Wat betreft Jan van Mersbergen wil ik u meegeven: lees hem bij voorkeur in het Nederlands. Hij is de moeite meer dan waard.

De zangzwaan

Posio, Fins Lapland. Op de laatste avond van april ligt een wilde zwaan op het ijs, aan de rand van het langzaam groeiende wak, te baden in de zon. Hij is niet de enige, er dobberen een stuk of wat in het water, samen met een paar brilduikers en een kleine soort gans die ik niet bij naam ken. Over het ijs wandelen wulpen, een beetje onwennig nog, want ze zijn pas een paar dagen terug in het noorden, terwijl de zwanen er al een paar weken zijn.

Het hardlooptempo ligt hoog, de dertig kilometers van gisteren zijn goed verteerd. Of komt het misschien door de stilte en de avondzon, geven zij me een duwtje in de rug? Bij de afslag naar Lauhkea keer ik om en als ik opnieuw bij het meer kom, hoor ik dat de zwaan in een polemiek is geraakt met een verre hond. Rauw klinken de wederzijdse kreten over het meer, maar de boosheid is slechts gespeeld, als die van politici, de klanken zijn betekenisloos.

Yrjö Kokko - Laulujoutsen
Yrjö Kokko – Laulujoutsen

Halverwege de vorige eeuw was de zwaan door de jacht aan het verdwijnen. Eind jaren veertig telde Finland nog maar vijftien paren. In 1950 schreef de dierenarts Yrjö Kokko het boek ‘Laulujoutsen’, De Zangzwaan, over de mens en over de met uitsterven bedreigde wilde zwaan. ‘De mens heeft de wrede wens om zeldzame dieren te doden,’ schreef hij. Het boek betekende de redding van de zwaan, die vanaf dat moment status kreeg alsof hij Finland zelf was. De wilde zwaan werd Zangzwaan en sindsdien is er niemand meer die het nog in zijn hoofd haalt om erop te jagen.

Slechts vier jaar later schreef Yrjö Kokko een nieuw boek, met de titel ‘Ne tulevat takaisin’ (ze komen terug). Het onvoorstelbare voltrok zich, de zangzwaan luisterde naar het in spijt rouwende volk en keerde werkelijk terug. Zestig jaar later is er, in het land van tienduizend meren, geen open water meer denkbaar zonder de zangzwaan.

Tenminste, in de zomer, want in oktober trekken ze naar het zuiden, alsof ze ons eraan willen herinneren dat hun aanwezigheid geen vanzelfsprekendheid is. Een half jaar later keren ze pas terug. De hele winter is het Finse volk in afwachting van de zwaan, maar men laat ze begaan. Kinderen leren dat ze de zwaan in de herfst niet mogen voeren, want als je dat wel doet, bestaat de kans dat hij niet naar het zuiden trekt en in het meer doodvriest bij dertig graden onder nul.

Na de duurloop wandel ik naar de vogeltoren aan de andere kant van Posio, aan de rand van het meer dat zich uitstrekt tot daar waar de zon ondergaat. Het wak weerspiegelt de lucht, maar doordat er geen enkel wolkje is te bekennen, blijft een werkelijk spectaculair kleurenspel vanavond uit. Er arriveert een auto. Een oude natuurfotograaf uit het dorp betreedt het ijs en wuift me toe. Als ik me bij hem voeg, mompelt hij dat de zwanen ver weg zitten. ‘Ja,’ zeg ik, ‘te ver weg voor een foto, maar ze zijn er tenminste wel.’ De fotograaf lijkt me niet meer te horen. Hij tuurt door zijn camera naar de zwanen die steeds verder afdwalen in het wak dat langzaam van geel naar oranje verkleurt. Het Finse volk is er een van weinig woorden. Als ik me uit de voeten maak, word ik plotseling overmand door een mengeling van liefdesverdriet en een kwetsbaar geluksgevoel: ze zijn terug.

zwaan


Suomen kansan suurin suru

On pitkäperjantai, kaksi viikkoa ennen SM-maantiekilpailua. Ollaan Turussa, tulin viikoksi Lapista Etelä-Suomeen. Juostaan Aurajoen rannalla. Ilma on surkea, tänään ei vielä tullut sadetta, mutta tummat pilvet uhkaavat meitä. Sitä vastoin Aurajoen rannalla sijaitsevat talot ovat värikkäitä, kirkkaan keltaisia ja punaisia. Yksi nuori punakenkäinen tyttö juoksee koiransa kanssa, koira on isompi kuin tyttö.

Joen vesi on harmaa kuin vanhus. Kaupungin keskustassa juoksee vanha Parkinsonmies, olen nähnyt hänet usein juoksemassa Aurajoen rannalla. Hänen askeleensa ovat pienet, vain muutaman senttimetrin, vuosittain ne kutistuvat, kunnes kohta loppuvat kokonaan. Näyttää kuitenkin siltä, että hän on Suomen viimeinen mies, jolla on sisua.

Lapissa talvella oli vaikea juosta, kun tiet olivat jäätyneet ja pimeys täytti melkein koko vuorokauden. Vauhtitreenit jäivät usein tekemättä, kun oli liian kylmä ja takareidet eivät kestäneet. Nyt trooppisessa Etelä-Suomessa kilometrimäärä riittää, mutta vauhti ei. Juoksijan paratiisi on täällä, mutta Etelä-Suomessa asuvat juoksijat eivät ole kotona. He ovat Amerikassa, Portugalissa tai Afrikassa, missä on paljon lämpimämpi niin, että voi juosta T-paidassa. Vaikka minä olen ulkomaalainen, olenkin minä se mies, joka juoksi koko talven ajan täällä pyhällä Paavo Nurmen maalla.

Tunnin juoksemisen jälkeen alkaa sataa rakeita. Olen yksin metsässä, missä polut ovat raskaat ja arvaamattomat. Metsän puut ovat täysin kalpeita, koivujen oksat punaisia kuin vanha veri ja maa on märkää vanhojen sukupolvien kyynelistä. Onhan huhtikuu kansan suurin suru!

Ennen tuloa Suomeen, ajattelin, että Suomen kansa on ylpeä ja karu. Luin Väinö Linnan kirjasta, miten maaviljelijät muuttivat suot ruispelloiksi. Nykyinen todellisuus on kuitenkin ihan eri asia. Ruispellot muuttuvat taas soiksi, upeat maisemat jäävät tyhjiksi. Suomalaiset ovat metsämiehiä, jotka ovat kadonneet kaupunkeihinsa, ajaneet partansa pois ja laittaneet puvut päällensä. Miehet ovat kotona, juovat KELA-tukea pois ja sanovat, että töitä ei löydy. He, jotka eivät juo, syövät masennuslääkkeitä. Naiset ovat kauniita, mutta vasta vietettyään kaksi tuntia peilin edessä. Suomalaisien seksuaalisuus riippuu täysin Viagrasta ja rauha saavutetaan vain koska nukahtamislääkkeet ovat halpoja. Hanskat ja myssy ovat vuoden ympäri käytössä. Jopa suomalaiset hiihtäjät syyttävät lunta ja kylmää säätä, kun epäonnistuvat kilpailussa. Perussuomalaisetkin ovat ihan samanlaisia kuin muut eurooppalaiset, paitsi että he ovat niitä, jotka eivät ehtineet junaan. He seisovat ulkona ja vettä sataa päähän.

Raatteentie on unohtunutta historiaa. Nykyiset suomalaiset sotilaat eivät pysty juoksemaan Cooperin testiä loppuun. Itse asiassa, kun Venäjän politiikka on niin uhkaavaa, nousee kysymys, mitä tapahtuisi jos Suomeen höykättäisiin. Antaisiko tämä heikentynyt kansa itsenäisyytensä pois taistelutta?

Taistelusta puhuttaessa en voi sanoa olevani itse hyvä taistelija. Kilpailussa kyllä pidän kamppailusta, mutta kun voittaminen on kyseessä, ei ole koskaan tarpeeksi tahtoa. Ajattelen joskus, että kilpailun voittaminen on kuin huono Hollywood-elokuva, jonka lopun pitää aina olla hyvä. Olen juoksija, kyllä, juoksen niin kovasti kuin pystyn, ja joskus voitan, mutta voittaminen sinänsä ei ole syy kilpailuun. Näyttää siltä, että kahden ja puolen vuoden aikana minustakin on tullut suomalainen mies.

Tullaan kohta kotiin. On ollut hyvä lenkki ja lännen taivas saa vihdoin väriä. Päivän lopussa aurinko tulee lopulta esiin, juuri ennen laskuaan. Ehkä tämä olisi hyvä loppu, kun koko päivä on ollut harmaa ja surullinen. Askeleet kyllä kestävät, mutta samalla kutistuvat, kunnes loppuvat kokonaan.

Alles lost op

Alweer sneeuw, verzucht ik als ik de luxaflex openschuif. Ik bevind me op de kamer van mijnheer H., een alcoholist die ongeveer eens per maand een paar dagen op de afdeling van de gezondheidspost verblijft vanwege intoxicatie- of ontwenningsverschijnselen. Dit is de eerste keer dat hij behalve alcohol ook een overdosis pillen heeft genomen – hij zag het leven niet meer zitten, maar kreeg al gauw spijt en belde de ambulance.

Houdt de winter dan nooit op, vraag ik in het niets. De verpleegster mompelt dat de winter nog wel een maand of twee kan aanhouden. Vorig jaar sneeuwde het op midzomerdag, vult mijnheer H. aan. Hij zit midden op zijn bed, in kleermakerszit, en hij glimlacht. Het is de eerste keer dat ik hem zie lachen, maar het is een glimlach die het woord geen eer aandoet. Het is een glimlach waarin een noodlottig wereldbeeld verscholen ligt, een glimlach die je misschien bij de koffie op een begrafenis zou verwachten, die vorm krijgt bij een zoete herinnering maar waarin ook de pijn van het verse verlies te lezen valt. Het is een glimlach tegen wil en dank.

In de afgelopen maanden heb ik alle trucs uit de doos gehaald om mijnheer H. het besef bij te brengen dat zijn alcoholgebruik het kernprobleem is, maar zelf ziet hij het anders. Alcohol verzacht de pijn van het leven, zei hij eens. Uiteindelijk heb ik me erbij neergelegd. Mijn omgang met hem is sindsdien steeds vriendschappelijker geworden. Ik behandel hem met evenveel respect als de man van boven de negentig in de kamer naast hem, de man die er prat op gaat dat hij de enige oorlogsveteraan van het dorp is die nog goed ter been is, en aan wie haast niet te merken is dat hij twee weken geleden een groot hartinfarct heeft gehad. Hij drong er vanaf het eerste moment op aan om naar huis te mogen, het liefst met de blitse auto waarmee hij ook naar de gezondheidspost was gekomen, de auto die nu staat te blinken in de zon, want hoewel het sneeuwt, schijnt ook de zon.

Als ik hem naar zijn dagelijkse activiteiten vraag, vertelt mijnheer H. dat hij tweemaal per dag een rondje van twaalf kilometer wandelt. Het  is precies dezelfde route als mijn hardlooprondje in de ochtend: van het centrum van het dorp naar het zuidelijkste punt, waar het kerkje staat, en dan via een ruime ronde om de begraafplaats terug naar het dorp. Gisteren, vroeg in de ochtend, liep ik er met Eeva en vroeg haar even te stoppen. We bevonden ons op een open plek in het bos, het weggetje slingerde goedmoedig over een pittoresk heuveltje waar twee roodgeverfde houten huisjes en een schuurtje staan. Er lag een antieke ploeg aan de kant van de weg bedolven onder een dikke laag sneeuw. De zon kwam juist op, want dat doet ze nu rond zes uur ‘s ochtends, en ik vertelde Eeva dat dit de mooiste plek was waar ik ooit was geweest. Eeva was verrast, maar gaf uiteindelijk toe dat het inderdaad een heel bijzondere plek was. Toen we onze weg vervolgden vroeg ik me in stilte af wat er mis was met mijn smaak.

Als mijnheer H. over zijn wandelingen vertelt is het mijn beurt om te glimlachen. Het is een wandelroute waar ik met plezier mijn lot aan zou verbinden, denk ik bij mezelf. Kan wandelen een alternatief zijn voor drank? Misschien wel, denk ik. Oud-hardlopers eindigen doorgaans als alcoholist, de omgekeerde weg moet dan ook mogelijk zijn. Er zijn ook alcoholisten die gelovig worden en op die manier de fles de rug toekeren – religie als alternatief voor sterke drank. Het is een kiezen tussen kwaden: wandelen, alcohol of religie, een manier om de tijd te vullen die ons rest. Ik staar naar buiten en beweeg mijn lippen, maar geloof niet dat ze me kunnen horen. Misschien prevel ik in het Nederlands, een taal die ze niet verstaan, over de winter die haast oneindig is, over de sneeuw die eeuwig valt, tot ijs wordt samengeperst en dan, als je het eigenlijk niet meer verwacht, oplost in het niets. Al wat lelijk is, is mooi. Pijn is geluk. Met een ruk draai ik me om, naar mijnheer H. en de verpleegster, die me niet-begrijpend aankijken – of vergis ik me? Zien ze de traan, die aan de binnenkant van mijn wang rolt? Het is een traan van geluk, want zon is sneeuw en alles is in beweging, alles draait, danst en verbittert, tot het oplost in de reusachtige oceaan van tijd, waarin herinneringen voortleven als zeeanemonen op de bodem die oneindig diep is.

U mag naar huis, zeg ik tegen mijnheer H., en ik schud hem de hand. Ook de oude man in de kamer ernaast mag naar huis, en dan valt de schemering, midden op de dag. Ik kijk door een oude röntgenfoto naar de zonsverduistering en stel vast dat er van de zon niet veel meer rest, niet meer dan een sikkel, maar even later is het weer volop dag en in de middag, als ik over de verlaten wegen ren, volgt een sneeuwstorm die mijn voetsporen uitwist. Laat me nog eens leven, en nog eens, roep ik, maar er is niemand die me hoort. Dan gaat de storm liggen en trekt de lucht weer open en ligt alles er vreedzaam bij, als de eeuwigheid aan de voet van een berg waarvan de top in misten gehuld gaat.

Een boodschap

Dit is mijn laatste column voor Runner’s World. Het is een mooie dag voor afscheid, want vanochtend kwam voor het eerst sinds lange tijd de zon tevoorschijn. Afscheid op een dag van weerzien dus. Meer dan een glimp was het trouwens niet, wat de zon van zich liet zien, maar toch ontsteeg zij de horizon, een helderrode vuurbal die lippenstift langs de wolken streek, en de heuvel, de weg, het bos, alles wat meestal een blanke diamantlaag van sneeuw is, kortstondig met wellustig rozerood beroerde. Nu, in de avond, neem ik je nog even mee naar buiten, want het is helder en koud, in de zwarte sterrennacht werpt het Noorderlicht een groene glans over de sneeuw.

Meer dan twee jaar kwam je mee met mijn duurlopen, baantrainingen en wedstrijden. Voor jou was mijn column een luikje naar het hoge Noorden, waar de natuur ruig, en de wegen lang en eenzaam zijn. Voor mij was jouw gezelschap een reden om mijn ogen extra de kost te geven. Om alles na te vertellen, moest ik wel goed om me heen kijken. De beste columns, meen ik, ontstaan als je dwars door het stoffelijke heenkijkt. Zie je een boom, dan moet je niet op de stam of op de takken letten, maar op de betekenis ervan. Waar hij staat en hoe hij zijn takken strekt, is een kwestie van choreografie. Het is niet van belang om die te analyseren, maar om de boodschap ervan te doorgronden – de melancholie van de componist, het verlangen van de choreograaf, maar ook de overgave van de danseres die nog niet weet dat dit haar laatste dans is, ze draagt een vrucht in haar schoot.

Dat is het leven, en dat is hardlopen. Het voortbewegen van de benen is bijzaak, hardlopen is de verhouding tot de medemens, de weg, de zon en de boom. Ik geloof zelfs, dat je voor hardlopen geen benen nodig hebt.

Hardlopen is de dans, Finland het decor. Een lezer vertrouwde me eens toe dat mijn column iets aanwakkerde, een vaag verlangen, de drang om zelf naar Finland af te reizen, om te rennen door de wereld die ik beschreef. Nou weet ik zeker dat iedere hardloper zich hier zal vermaken, maar toch denk ik dat het helemaal niet nodig is om af te reizen, want mijn ‘Finland’ vind je overal om je heen. Alles wat je hoort en ziet, draagt een boodschap. Mocht je eens ver afdwalen op de Veluwe, langs de Amstel of in het bos net buiten de stad, luister dan naar de fluisterende wind en het zingende gras, en vertel het na.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie maart 2015

Cogito – thoughts on what we are

Cogito ergo sum – I think, therefore I am. The proposition by Descartes is especially of importance when running at -10 degrees temperature, without jacket, without hat, without gloves, just your body and your mind and the power of the sun and almost a meter of snow covering the marshes. The proposition is usually explained as a proof of existence by thinking: you can doubt nearly anything, the only thing you can’t doubt is that you exist.

However, while running, and the sun and the coldness ‘are’ (although nothing demonstrates its existence as relative as does the coldness), I discovered that this proposition is also a statement about what you could call ‘the soul’ or ‘the person I’, as you could also interpret Cogito ergo sum as ‘I am my thinking’, so as the thinking stops, I am not anymore.

For example, one could also say: the wind blows, so the wind is. Also this is true, because the blowing is what defines the wind. Surely the wind does not think, but that does not mean that the wind cannot be. Only, the wind isn´t me. If Descartes would have written: I think, therefore I am; the wind blows, therefore it is; the light shines, etc. – if he would have constructed his proposition thus in a wider context, it would be clear that he defines the ‘self’, or, if you like, the ‘soul’, as the ‘thinking’. My body is merely the material requisite to be meAs the body dies, the brains do not function, the ability to think is forever lost and thus the soul ceases to be.

The being, though, does not necessarily vanish when the body dies. For instance, the idea, or the concept of the person (his soul) can persist in the third person. Mozart, for instance, still exists in the third person, as do many famous people from the past, who left there footprints. Even people who have not existed in the reality can actually exist in the third person, as their (fictive) existence may have impact on our thinking, just as real persons of the past may do. Thus, although I am an atheïst, I must admit that God exists, at least in the third person, as the idea of Him exists and has major influence on peoples thinking and doing, but it does not imply that he also exists in the first person.

The concept can also be implied to the animal: the further emotions and higher thinking are developed in an animal, the more we regard it as an animal with (bit of) a soul. Dogs (especially those with long hair and sad eyes) are of course the philosophers among animals, they surely have to some extend a sort of soul, cats are bipolar beings, full of affection, they may have a soul too, and also elephants, horses, cows and reindeer, but not the snake or the fish (not even the goldfish, they are simply too simple), nor birds – not even the parrot, although it can learn to say ‘cogito ergo sum‘ if one bothers to teach him those words.

Cogito ergo sum not only tells me ‘what’ I am, but also ‘when’ I am: I am when I think. When we sleep, when we are severely drunk or in other conditions in which the consciousness is impaired, we are in a lower degree.

These are the things that kept my body warm while running, today. As often before, I can feel that during the running my consciousness expands, and thus, while running, I am in a more vigorous way, my existence intensifies.


(Descartes lived most of his life in Amsterdam, not in Posio).