Loneliness

After an early cup of coffee in the Neste Oil filling station, where we were nicely welcomed by nearly a dozen villagers, Eeva left me alone in a rented 32 square meter apartment in the empty middle of Posio and she took off for the twelve hours drive back to South Finland (my publisher once told me that writers often don’t have a driving licence, so, Eeva, here’s my excuse).

I went for a walk as the clouds played with the sun, letting its light through but only rarely showing a glimpse of its weakened body. Although there have been many days with full sun and nights with stars and northern lights, I will always remember Posio as a place where clouds sweep low over the lakes and marshes, as in an attempt to erase everything, or to cover life in eternity. More than once I got the impression that the more north clouds drift, the heavier they become, just like thoughts and dreams and all that.

Last week’s snow had disappeared during the night. The path towards Kirintövaara was now covered by putrefying grasses, burning red like Lemminkäinen’s beard, and the half-light intensified all the colours of the marshes. I breathed an indistinct smell of wetness, scents of an eternal nowhere.

As I strolled through the wilderness, I did not meet any people, I saw no more animals than a couple of ravens that flew over the emptiness and cried for time to pass by. I didn’t really search for it, but I found an intense loneliness today. I think that I had expected it, but not yet on my first day of the months that I will spend here on my own. I did not fear this loneliness, because it was, in a way, the reason to be here. For a writer, loneliness can be the wellspring of creativity.

Still snowless skiing route on Kotivaara

I climbed the old ski-jump of Kotivaara that looks out to the north. The wooden tower has not been used for many years. Its stairs are nearly rotten, and as I reached its platform, I felt the wooden construction slowly moving by the force of the wind. There I stood, watching out over the desolate land behind God’s back, where Ultima Thule starts.

Soon, the loneliness started to work on me. Thoughts appeared silently but they disappeared before I could grab them. All I had to do was to listen to the wind and focus on the dancing moves of the ski-jump. New ideas arose, some of them merely touched me, but others shook my shoulders and took my breath. Were I to have a pen that could instantly write down the stream of thoughts, a book or two would have been produced today.

I pondered on how many great ideas must have risen in billions of minds, and how many of those have stayed there, in the mind, dead as thoughts are dead as long as they remain just thoughts. For a moment I thought that I understood why these thoughts and ideas remained dead – out of fear – but a minute later I rejected the hypothesis. A new breeze blew and pulled the wooden ski-jump tower and then I thought of other things. To whom do people relate themselves?, I thought. City men find friends among the similar; writers’ friends are writers, doctors spend their time with doctors, runners with other runners and the truck driver parks his truck between other trucks. In a village, the doctor’s neighbour can be an old and cheerless widow and on the other side of the street lives a farmer. In a village, the social sphere of influence includes everyone; villagers relate themselves to all other villagers.

Many more thoughts came up, but I will not reveal them – not yet. Just like a brook, a thought needs time and place to magnify, before it is great enough to debouch into the sea of all these other thoughts, ideas and confessions.

I went down the rotten steps of the ski-jump, down the snowless skiing route where wood chips muted my footstep and I turned to the road that took me home. In the 32 square meters apartment I played Einaudi and I burned a candle and in the midst of it, the loneliness suddenly turned into a grey sadness. There I sat, with melancholic wordless music that I had brought up north. Even the poetry that I had brought with me (Ted Hughes’s The Hawk in the Rain, Shakespeare’s Macbeth, T.S. Eliot’s The Waste Land and a couple of Dutch poets) did not include anything that could cheer me, as I had chosen them thematically: the few things that I had brought with me up North were all to promote loneliness.

lompolo


Stemmen

Het meer is zilvergrijs, zijn ijslaag slijt dagelijks en de sneeuw erop is grotendeels gesmolten. Het is tien graden boven nul en de dag duurt achttien uur. De zomer is aangebroken nog voor de winter verstreken is – van een lente heeft men hier nog nooit gehoord.

Toch willen de benen niet. Ik ren over de weg naar Maaninkavaara, de weg naar het noorden, en ik stop af en toe om mijn gedachten te spoelen in de pikzwarte waterstroompjes waar de sneeuw van het moeras in verdwijnt.

Jong was hij, de derde zoon. Nog geen veertig, een leeftijd lager dan zijn BMI. Zijn broers waren reeds overleden, aan alcohol en hartproblemen, maar zijn ouders leefden nog: vader aan de drank, moeder lijdend aan het leven. Hij hoorde stemmen, zei hij op vier mei, stemmen van het lot. Ze zeiden dat de duivel bestond en ook de hel, en dat alles zou eindigen op de vijfde van de vijfde. Geloof die stemmen maar niet, stelde ik hem gerust. Ik schreef hem een medicijn voor dat hem rust zou geven en liet hem naar zijn ouders gaan. De psychiatrisch verpleegkundige was het met me eens: zulke stemmen hoorde hij wel vaker, rust zou hem goed doen. Bovendien had hij een belangrijke taak in zijn leven: zijn ouders begraven als de tijd rijp was. Het mocht niet zo zijn dat ze al hun kinderen moesten begraven. Hij kon dus niet komen te overlijden.

De weg en de bermen zijn sneeuwvrij, en de zuidelijke hellingen van de heuvels ook. Na de haast eindeloze winter gaat het toch ineens snel. Een paar weken geleden kwamen de zwanen, maar toen was alles nog wit. Vorige week volgden de wulpen, en precies zoals het oude Finse spreekwoord luidt was vanaf dat moment het ijs niet meer begaanbaar. Ondanks al dat wonderbaarlijke zijn de benen vandaag krachteloos en lijkt de weg eindeloos te zijn en nergens heen te leiden.

In de ochtend van de vijfde van de vijfde belde de verpleegkundige hem op, de derde zoon. Hij voelde zich een stuk beter, had goed geslapen. Hij voelde dat de rust was weergekeerd. Om negen uur ‘s avonds gaf hij zijn moeder een zoen en ging hij naar bed, zoals iedere andere dag.

De beren zijn reeds uit hun winterslaap ontwaakt, de vogels zijn uit het zuiden teruggekeerd en de wereld krijgt kleur, maar de derde zoon werd nooit meer wakker.

Alles duidt op een hartinfarct, al moet de patholoog nog uitsluitsel geven. Ja, hij had chronisch pijn op de borst, hij bewoog zich voort als een mammoet, traag en steunend, en kon ieder moment het loodje leggen. Geen zelfdoding dus, maar wel een aangekondigde dood. De dokter is ontdaan. Hij hoort nog de stemmen van twee dagen tevoren. Misschien hadden die stemmen wel gelijk, denkt hij, misschien bestond de hel inderdaad: het leven was een hel, en die hel is in de nacht van de vijfde op de zesde opgehouden te bestaan.

De zangzwaan

Posio, Fins Lapland. Op de laatste avond van april ligt een wilde zwaan op het ijs, aan de rand van het langzaam groeiende wak, te baden in de zon. Hij is niet de enige, er dobberen een stuk of wat in het water, samen met een paar brilduikers en een kleine soort gans die ik niet bij naam ken. Over het ijs wandelen wulpen, een beetje onwennig nog, want ze zijn pas een paar dagen terug in het noorden, terwijl de zwanen er al een paar weken zijn.

Het hardlooptempo ligt hoog, de dertig kilometers van gisteren zijn goed verteerd. Of komt het misschien door de stilte en de avondzon, geven zij me een duwtje in de rug? Bij de afslag naar Lauhkea keer ik om en als ik opnieuw bij het meer kom, hoor ik dat de zwaan in een polemiek is geraakt met een verre hond. Rauw klinken de wederzijdse kreten over het meer, maar de boosheid is slechts gespeeld, als die van politici, de klanken zijn betekenisloos.

Yrjö Kokko - Laulujoutsen
Yrjö Kokko – Laulujoutsen

Halverwege de vorige eeuw was de zwaan door de jacht aan het verdwijnen. Eind jaren veertig telde Finland nog maar vijftien paren. In 1950 schreef de dierenarts Yrjö Kokko het boek ‘Laulujoutsen’, De Zangzwaan, over de mens en over de met uitsterven bedreigde wilde zwaan. ‘De mens heeft de wrede wens om zeldzame dieren te doden,’ schreef hij. Het boek betekende de redding van de zwaan, die vanaf dat moment status kreeg alsof hij Finland zelf was. De wilde zwaan werd Zangzwaan en sindsdien is er niemand meer die het nog in zijn hoofd haalt om erop te jagen.

Slechts vier jaar later schreef Yrjö Kokko een nieuw boek, met de titel ‘Ne tulevat takaisin’ (ze komen terug). Het onvoorstelbare voltrok zich, de zangzwaan luisterde naar het in spijt rouwende volk en keerde werkelijk terug. Zestig jaar later is er, in het land van tienduizend meren, geen open water meer denkbaar zonder de zangzwaan.

Tenminste, in de zomer, want in oktober trekken ze naar het zuiden, alsof ze ons eraan willen herinneren dat hun aanwezigheid geen vanzelfsprekendheid is. Een half jaar later keren ze pas terug. De hele winter is het Finse volk in afwachting van de zwaan, maar men laat ze begaan. Kinderen leren dat ze de zwaan in de herfst niet mogen voeren, want als je dat wel doet, bestaat de kans dat hij niet naar het zuiden trekt en in het meer doodvriest bij dertig graden onder nul.

Na de duurloop wandel ik naar de vogeltoren aan de andere kant van Posio, aan de rand van het meer dat zich uitstrekt tot daar waar de zon ondergaat. Het wak weerspiegelt de lucht, maar doordat er geen enkel wolkje is te bekennen, blijft een werkelijk spectaculair kleurenspel vanavond uit. Er arriveert een auto. Een oude natuurfotograaf uit het dorp betreedt het ijs en wuift me toe. Als ik me bij hem voeg, mompelt hij dat de zwanen ver weg zitten. ‘Ja,’ zeg ik, ‘te ver weg voor een foto, maar ze zijn er tenminste wel.’ De fotograaf lijkt me niet meer te horen. Hij tuurt door zijn camera naar de zwanen die steeds verder afdwalen in het wak dat langzaam van geel naar oranje verkleurt. Het Finse volk is er een van weinig woorden. Als ik me uit de voeten maak, word ik plotseling overmand door een mengeling van liefdesverdriet en een kwetsbaar geluksgevoel: ze zijn terug.

zwaan


Alles lost op

Alweer sneeuw, verzucht ik als ik de luxaflex openschuif. Ik bevind me op de kamer van mijnheer H., een alcoholist die ongeveer eens per maand een paar dagen op de afdeling van de gezondheidspost verblijft vanwege intoxicatie- of ontwenningsverschijnselen. Dit is de eerste keer dat hij behalve alcohol ook een overdosis pillen heeft genomen – hij zag het leven niet meer zitten, maar kreeg al gauw spijt en belde de ambulance.

Houdt de winter dan nooit op, vraag ik in het niets. De verpleegster mompelt dat de winter nog wel een maand of twee kan aanhouden. Vorig jaar sneeuwde het op midzomerdag, vult mijnheer H. aan. Hij zit midden op zijn bed, in kleermakerszit, en hij glimlacht. Het is de eerste keer dat ik hem zie lachen, maar het is een glimlach die het woord geen eer aandoet. Het is een glimlach waarin een noodlottig wereldbeeld verscholen ligt, een glimlach die je misschien bij de koffie op een begrafenis zou verwachten, die vorm krijgt bij een zoete herinnering maar waarin ook de pijn van het verse verlies te lezen valt. Het is een glimlach tegen wil en dank.

In de afgelopen maanden heb ik alle trucs uit de doos gehaald om mijnheer H. het besef bij te brengen dat zijn alcoholgebruik het kernprobleem is, maar zelf ziet hij het anders. Alcohol verzacht de pijn van het leven, zei hij eens. Uiteindelijk heb ik me erbij neergelegd. Mijn omgang met hem is sindsdien steeds vriendschappelijker geworden. Ik behandel hem met evenveel respect als de man van boven de negentig in de kamer naast hem, de man die er prat op gaat dat hij de enige oorlogsveteraan van het dorp is die nog goed ter been is, en aan wie haast niet te merken is dat hij twee weken geleden een groot hartinfarct heeft gehad. Hij drong er vanaf het eerste moment op aan om naar huis te mogen, het liefst met de blitse auto waarmee hij ook naar de gezondheidspost was gekomen, de auto die nu staat te blinken in de zon, want hoewel het sneeuwt, schijnt ook de zon.

Als ik hem naar zijn dagelijkse activiteiten vraag, vertelt mijnheer H. dat hij tweemaal per dag een rondje van twaalf kilometer wandelt. Het  is precies dezelfde route als mijn hardlooprondje in de ochtend: van het centrum van het dorp naar het zuidelijkste punt, waar het kerkje staat, en dan via een ruime ronde om de begraafplaats terug naar het dorp. Gisteren, vroeg in de ochtend, liep ik er met Eeva en vroeg haar even te stoppen. We bevonden ons op een open plek in het bos, het weggetje slingerde goedmoedig over een pittoresk heuveltje waar twee roodgeverfde houten huisjes en een schuurtje staan. Er lag een antieke ploeg aan de kant van de weg bedolven onder een dikke laag sneeuw. De zon kwam juist op, want dat doet ze nu rond zes uur ‘s ochtends, en ik vertelde Eeva dat dit de mooiste plek was waar ik ooit was geweest. Eeva was verrast, maar gaf uiteindelijk toe dat het inderdaad een heel bijzondere plek was. Toen we onze weg vervolgden vroeg ik me in stilte af wat er mis was met mijn smaak.

Als mijnheer H. over zijn wandelingen vertelt is het mijn beurt om te glimlachen. Het is een wandelroute waar ik met plezier mijn lot aan zou verbinden, denk ik bij mezelf. Kan wandelen een alternatief zijn voor drank? Misschien wel, denk ik. Oud-hardlopers eindigen doorgaans als alcoholist, de omgekeerde weg moet dan ook mogelijk zijn. Er zijn ook alcoholisten die gelovig worden en op die manier de fles de rug toekeren – religie als alternatief voor sterke drank. Het is een kiezen tussen kwaden: wandelen, alcohol of religie, een manier om de tijd te vullen die ons rest. Ik staar naar buiten en beweeg mijn lippen, maar geloof niet dat ze me kunnen horen. Misschien prevel ik in het Nederlands, een taal die ze niet verstaan, over de winter die haast oneindig is, over de sneeuw die eeuwig valt, tot ijs wordt samengeperst en dan, als je het eigenlijk niet meer verwacht, oplost in het niets. Al wat lelijk is, is mooi. Pijn is geluk. Met een ruk draai ik me om, naar mijnheer H. en de verpleegster, die me niet-begrijpend aankijken – of vergis ik me? Zien ze de traan, die aan de binnenkant van mijn wang rolt? Het is een traan van geluk, want zon is sneeuw en alles is in beweging, alles draait, danst en verbittert, tot het oplost in de reusachtige oceaan van tijd, waarin herinneringen voortleven als zeeanemonen op de bodem die oneindig diep is.

U mag naar huis, zeg ik tegen mijnheer H., en ik schud hem de hand. Ook de oude man in de kamer ernaast mag naar huis, en dan valt de schemering, midden op de dag. Ik kijk door een oude röntgenfoto naar de zonsverduistering en stel vast dat er van de zon niet veel meer rest, niet meer dan een sikkel, maar even later is het weer volop dag en in de middag, als ik over de verlaten wegen ren, volgt een sneeuwstorm die mijn voetsporen uitwist. Laat me nog eens leven, en nog eens, roep ik, maar er is niemand die me hoort. Dan gaat de storm liggen en trekt de lucht weer open en ligt alles er vreedzaam bij, als de eeuwigheid aan de voet van een berg waarvan de top in misten gehuld gaat.

Een boodschap

Dit is mijn laatste column voor Runner’s World. Het is een mooie dag voor afscheid, want vanochtend kwam voor het eerst sinds lange tijd de zon tevoorschijn. Afscheid op een dag van weerzien dus. Meer dan een glimp was het trouwens niet, wat de zon van zich liet zien, maar toch ontsteeg zij de horizon, een helderrode vuurbal die lippenstift langs de wolken streek, en de heuvel, de weg, het bos, alles wat meestal een blanke diamantlaag van sneeuw is, kortstondig met wellustig rozerood beroerde. Nu, in de avond, neem ik je nog even mee naar buiten, want het is helder en koud, in de zwarte sterrennacht werpt het Noorderlicht een groene glans over de sneeuw.

Meer dan twee jaar kwam je mee met mijn duurlopen, baantrainingen en wedstrijden. Voor jou was mijn column een luikje naar het hoge Noorden, waar de natuur ruig, en de wegen lang en eenzaam zijn. Voor mij was jouw gezelschap een reden om mijn ogen extra de kost te geven. Om alles na te vertellen, moest ik wel goed om me heen kijken. De beste columns, meen ik, ontstaan als je dwars door het stoffelijke heenkijkt. Zie je een boom, dan moet je niet op de stam of op de takken letten, maar op de betekenis ervan. Waar hij staat en hoe hij zijn takken strekt, is een kwestie van choreografie. Het is niet van belang om die te analyseren, maar om de boodschap ervan te doorgronden – de melancholie van de componist, het verlangen van de choreograaf, maar ook de overgave van de danseres die nog niet weet dat dit haar laatste dans is, ze draagt een vrucht in haar schoot.

Dat is het leven, en dat is hardlopen. Het voortbewegen van de benen is bijzaak, hardlopen is de verhouding tot de medemens, de weg, de zon en de boom. Ik geloof zelfs, dat je voor hardlopen geen benen nodig hebt.

Hardlopen is de dans, Finland het decor. Een lezer vertrouwde me eens toe dat mijn column iets aanwakkerde, een vaag verlangen, de drang om zelf naar Finland af te reizen, om te rennen door de wereld die ik beschreef. Nou weet ik zeker dat iedere hardloper zich hier zal vermaken, maar toch denk ik dat het helemaal niet nodig is om af te reizen, want mijn ‘Finland’ vind je overal om je heen. Alles wat je hoort en ziet, draagt een boodschap. Mocht je eens ver afdwalen op de Veluwe, langs de Amstel of in het bos net buiten de stad, luister dan naar de fluisterende wind en het zingende gras, en vertel het na.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie maart 2015

Cogito – thoughts on what we are

Cogito ergo sum – I think, therefore I am. The proposition by Descartes is especially of importance when running at -10 degrees temperature, without jacket, without hat, without gloves, just your body and your mind and the power of the sun and almost a meter of snow covering the marshes. The proposition is usually explained as a proof of existence by thinking: you can doubt nearly anything, the only thing you can’t doubt is that you exist.

However, while running, and the sun and the coldness ‘are’ (although nothing demonstrates its existence as relative as does the coldness), I discovered that this proposition is also a statement about what you could call ‘the soul’ or ‘the person I’, as you could also interpret Cogito ergo sum as ‘I am my thinking’, so as the thinking stops, I am not anymore.

For example, one could also say: the wind blows, so the wind is. Also this is true, because the blowing is what defines the wind. Surely the wind does not think, but that does not mean that the wind cannot be. Only, the wind isn´t me. If Descartes would have written: I think, therefore I am; the wind blows, therefore it is; the light shines, etc. – if he would have constructed his proposition thus in a wider context, it would be clear that he defines the ‘self’, or, if you like, the ‘soul’, as the ‘thinking’. My body is merely the material requisite to be meAs the body dies, the brains do not function, the ability to think is forever lost and thus the soul ceases to be.

The being, though, does not necessarily vanish when the body dies. For instance, the idea, or the concept of the person (his soul) can persist in the third person. Mozart, for instance, still exists in the third person, as do many famous people from the past, who left there footprints. Even people who have not existed in the reality can actually exist in the third person, as their (fictive) existence may have impact on our thinking, just as real persons of the past may do. Thus, although I am an atheïst, I must admit that God exists, at least in the third person, as the idea of Him exists and has major influence on peoples thinking and doing, but it does not imply that he also exists in the first person.

The concept can also be implied to the animal: the further emotions and higher thinking are developed in an animal, the more we regard it as an animal with (bit of) a soul. Dogs (especially those with long hair and sad eyes) are of course the philosophers among animals, they surely have to some extend a sort of soul, cats are bipolar beings, full of affection, they may have a soul too, and also elephants, horses, cows and reindeer, but not the snake or the fish (not even the goldfish, they are simply too simple), nor birds – not even the parrot, although it can learn to say ‘cogito ergo sum‘ if one bothers to teach him those words.

Cogito ergo sum not only tells me ‘what’ I am, but also ‘when’ I am: I am when I think. When we sleep, when we are severely drunk or in other conditions in which the consciousness is impaired, we are in a lower degree.

These are the things that kept my body warm while running, today. As often before, I can feel that during the running my consciousness expands, and thus, while running, I am in a more vigorous way, my existence intensifies.


(Descartes lived most of his life in Amsterdam, not in Posio).

Een eenzaam protest

Terwijl in Parijs honderdduizenden mensen samenstromen, begeef ik me naar het marktplein van Posio, ons dorp in Fins Lapland. Het is ruim twintig graden onder nul, maar de wind van de afgelopen dagen is gaan liggen. Met drie broeken over elkaar is het vandaag goed te doen. Dwars over het plein, dat bedekt is door een halve meter sneeuw, is een baan sneeuwvrij gemaakt. Ook bij de papier- en vuilniscontainers is de sneeuw geruimd, maar aan de andere kant van het plein liggen er grote bergen van aangeschoven sneeuw. Het houten theater, op de hoek van het plein, is gesloten – zoals altijd.

Het is al donker. Het plein is niet verlicht, maar de weg aan de zijkant ervan wel. En er zijn sterren. Er is de Grote Beer en de Poolster en er zijn nog tal van sterren die zich buiten constellaties lijken te bevinden maar dat komt omdat de avond nog vroeg is. Ik loop op en neer over de sneeuwvrije baan op het plein. Af en toe speur ik de hemel af op een spoor van de poollichten, dan weer dwaalt mijn blik over de berken aan de rand van het plein met de dikke sneeuwklodders op hun takken.

Een vleugje wind snijdt me in het gezicht. Mijn lippen en wangen zijn bevroren. Ik trek de muts dieper over het hoofd en vraagt me af wat ik hier eigenlijk doe. Was ik onderweg naar de supermarkt, aan de andere kant van het plein? Dan mag ik wel haast maken want die sluit op zondag om zes uur. Of ben ik hier uit saamhorigheid, om te demonstreren voor vrede en tegen terrorisme? In dat laatste geval ben ik hier de enige. Zojuist kwam er wel een oud vrouwtje langs, maar zij is dementerend en heeft geen idee in welke tijd we leven, weet ik, want ze is laatst nog op mijn polikliniek geweest.

Had ik me dan naar Helsinki moeten begeven? Dat ligt duizend kilometer zuidelijker en daar hebben zich niet meer dan tweehonderd mensen verzameld. In elk geval valt daar wat te neuken, en daar is het de meeste demonstranten natuurlijk om te doen. Demonstreren in de schaduw van de verschrikkelijke geschiedenis en dan neuken uit saamhorigheid. Dat geldt vast niet voor iedereen, want ik kan me niet voorstellen dat Hollande en Merkel, …, nee, die hebben vast en zeker politieke bijbedoelingen.

Wat zou ik nou bij een demonstratie te zoeken hebben? Ik kom thuis niets tekort en Posio is trouwens de meest vreedzame plek die ik me kan indenken. In de winter blijven de mensen zoveel mogelijk binnen, en in de zomer is men zo blij met de zon die wekenlang niet ondergaat, dat men helemaal geen benul heeft van de geschiedenis die zich voorbij de horizon afspeelt.

Politiek is typisch iets voor het stadsvolk, voor mensen die te dicht op elkaar wonen en daar zo zenuwachtig van worden, dat ze elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Hier in Posio vind je een kerkje maar geen moskee of synagoge. Ik ben atheïst en woon ongetrouwd samen maar daar heb ik nog niets kwaads over gehoord. Posio is een heel tolerant dorp. Cartoonisten, terroristen en schreeuwende politici kennen we hier niet. Wel was er laatst een journalist, maar die kwam vanwege een gift. Op de begrafenis van een overleden patiënt was door familieleden geld ingezameld en daarvan kochten ze een televisiescherm voor op de afdeling van het gezondheidscentrum. Dat was een mooie gelegenheid om het lokale krantje van enige inhoud te voorzien.

De kou dringt langzaam door de kledinglagen heen en ik heb er genoeg van. Stel nu dat je helemaal niet wilt neuken en ook geen politieke bijbedoelingen hebt, waarom zou je dan gaan demonstreren, vraag ik me af. Je kunt toch ook prima tegen terrorisme zijn en voor vrede, zonder aan demonstraties mee te doen? Moest je de kranten nou eens zien! Op internet maakte het NRC een waar feest van de aanslagen in Parijs. ‘Drie dagen angst. Wat weten we nu?’ kopte de krant vanochtend nog op het internet. Al drie dagen lang vulde Parijs de voorpagina van de website, en nog steeds was alles live te volgen, alsof het de Tour de France betrof. Al die sensatiegeilheid en het gebruik van termen als ‘angst’ zijn koren op de molen van de terrorist. Juist door zulke kranten en door aandacht op sociale media bereiken de terroristen precies wat ze willen. Invloed. Maatschappelijke chantage. Het internet is misschien wel het sterkste wapen van het moderne moslimterrorisme.

Het is trouwens nog maar de vraag of moslimterrorisme een goede term is. Veel moslims vragen uitdrukkelijk om het terrorisme los te zien van hun geloof. Dat wil ik best doen, maar ik vraag me af of het terecht is. Men zou de moslim namelijk ook kunnen antwoorden: jij kiest toch zelf voor dat geloof? Natuurlijk wil ik ‘de moslim om de hoek’ (fictief, hier in Posio), niet de schuld van de terrorist in de schoenen schuiven, want ieder mens is slechts verantwoordelijk voor zijn eigen daden. Als God zou bestaan, zou Hij zeker ter verantwoording moeten worden geroepen, maar in mijn perceptie is het geloof in God een abstractie vermenigvuldigd met een niet-bestaandheid – het behoeft wel enorme kunstgrepen om aan zo iets dergelijks iets op te hangen. Aan de andere kant vormen religies en stromingen binnen religies sinds mensenheugenis al een belangrijke factor in allerlei conflicten en bovendien zijn het juist de terroristen die geweld aan hun religie koppelen. Misschien moeten we dan maar pragmatisch zijn: je zou kunnen veronderstellen dat we met het ontkoppelen van geweld en het geloof, de kwaadwillende moslim moreel ontwapenen.

Als het kwaad niet in de religie zit, waardoor komt het dan dat in de zeer recente geschiedenis juist moslimjongeren ontsporen? Geen lastige vraag, bedenk ik me terwijl ik de huissleutel opdiep uit een zakje in de onderste broek: sinds Pim Fortuyn hebben de moslims van alles de schuld gekregen, net als de joden in de eerste helft van de vorige eeuw. Terrorisme is een van de vele manieren om tegen zulke morele onderdrukking in het verweer te komen – gelukkig laten de meeste moslims zien dat het ook op andere manieren kan.

Binnengekomen neem ik mijn langlaufski’s en stokken in de arm en dan vertrek ik voor een koude en eenzame vredesmars door het bos. Een echte demonstratie wordt het niet, want ik weet niet waarvoor of waartegen ik eigenlijk demonstreer. Via internet zijn we dan wel getuige van de geschiedenis, maar zijn we er ook deelgenoot van? Is de geschiedenis misschien een kwaadaardig monster waarbij je maar beter uit de buurt kunt blijven? De moraal is wat ons mens maakt, maar vrede lijkt soms wel voorbehouden aan de plekken waar de mens zich niet vertoont. Is de moraal dan een brouwsel van giftige ingrediënten? Is vrede niet gewoon dat je de ander laat begaan, ook als hij iets doet wat in strijd is met jouw moraal?

Vrijheid van religie is trouwens een leugen, niet door gebrek aan tolerantie, maar doordat mensen hun religie niet bewust uitgekozen hebben, meen ik, als ik me tegen de zwaartekracht in langs een steile helling naar boven werk. Nu werk ik, maar straks mag ik glijden. Meestal is religie met de paplepel ingegoten, in andere gevallen is het misschien een kwestie van hersenspoeling of psychiatrische ziektebeelden. Verleden jaar had ik op de afdeling een jongeman die ‘tot religie was gekomen’ zoals je dat in het Fins zegt. Ook had hij hoofdpijn. Ik vertrouwde het niet en haalde de neuroloog erbij. Die liet een MRI-onderzoek verrichten en zo werd hersentumor gediagnosticeerd.

Maar dat zegt niets over de moslim die als moslim geboren is, die gelooft omdat hij niet anders kan en misschien wel niet anders kan omdat er mensen zijn die hem het geloof af willen nemen. Het geloof als verdedigingsbolwerk, om niet moreel te worden geëxploiteerd. Zo zijn de cartoonist en de moslim morele bondgenoten, want het enige wat ze verlangen is werkelijk vrij te zijn, denk ik, en ik realiseer me plotseling dat ik het ondanks de kou warm heb gekregen.

Op de latten

Vandaag lag er teveel sneeuw om te lopen en te weinig om te skiën, dus deed ik het beide. In de ochtend, voor werk, hardlopend een ‘rondje kerkhof’ en in de namiddag nog een stukje op de latten. Skiën betekent hier trouwens crosscountryskiën, oftewel langlaufen. Maar langlaufen klinkt zo Duits en traag, dat ik het liever skiën noem.

In het skiën worden Eeva en ik aangemoedigd door de topskiërs Esa Mursu en zijn vrouw Heli Heiskanen, die een paar kilometer verderop wonen. Als vriendendienstje heeft Esa onze ski’s op professionele wijze van wax voorzien en binnenkort krijgen we zelfs trainingen van hem. Hardlopen en skiën zijn goed inwisselbaar, verzekerde hij me. Als in de lente de sneeuw verdwijnt, verruilt hij zelf de ski’s voor hardloopschoenen en andersom onderhouden hier in het Noorden veel atleten ‘s winters met ski-trainingen hun conditie op peil. Voor mij is het bovendien een uitgelezen mogelijkheid om af te rekenen met een hamstringprobleemje dat dit najaar opspeelde.

Tot voor kort geloofde ik niet dat er een andere sport bestond die net zoveel voldoening kon geven als hardlopen. Maar dat had ik mis. De eerste ski-training, eind oktober, was qua trainingsplezier een daverend succes. Uit alle macht duwde ik mezelf vooruit over het glooiende pad door het bos. Telkens als ik bovenaan een heuvel kwam, zakte ik door mijn knieën, hield de stokken precies zoals Eeva me voordeed en probeerde ik zo stoer en meedogenloos mogelijk te kijken. Ik geloof werkelijk dat het er behoorlijk professioneel uitzag, als je die trillende benen van mij tenminste niet opmerkte. En waarlijk, daar ging ik, heel voortvarend (of voortglijdend, zoals dat wellicht in vaktermen heet) de heuvel af. De latten sneden een smalle reep in het witte kleed, eerst traag, maar dan kwam de versnelling en, patsboem, daar lag ik alweer. In de berm of midden op het pad, met het hoofd in de sneeuw en de benen in de lucht. Zodra ik het zelf niet meer was, die de snelheid bepaalde, maar de helling van de heuvel, verloor ik de controle volledig, dan draaiden mijn ski’s de verkeerde kant op en helde mijn lichaam teveel naar voren, naar achteren of opzij. Eeva keek toe maar lachte niet (lang leve de Finse gewoonte de ander altijd in zijn waarde te laten). Vandaag lukte het zonder te vallen. Bijna, bedoel ik. Slechts eenmaal, vanaf de steilste heuvel  omlaag, verloor ik de controle. Maar met nog een aantal wintermaanden te gaan moet het lukken om me de techniek helemaal eigen te maken en misschien zelfs eens aan een wedstrijdje deel te nemen.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie januari 2015

De eenzame weg

In juli, bij de afscheidsbarbeque in Turku, voor Eeva en ik naar Lapland vertrokken, verzekerde  Matti mij ervan dat ik me in Posio zou vermaken. Er zijn nauwelijks mensen, vertelde hij, en de heuvels zijn pittiger dan in het zuiden, maar de natuur is zo overweldigend dat ik de mensen niet zal missen.

Zijn woorden schieten me te binnen als de duisternis over de weg valt. Zojuist ben ik een grote kudde rendieren gepasseerd, en deze keer vluchtten ze niet van me weg. Een van dieren maakte een slobberend geluid, alsof hij maar wilde aangeven dat hij bezwaren had. Waartegen, verstond ik niet.

Nee, mensen kom ik nauwelijks tegen. Afgelopen weekend liep ik het dertig kilometer lange rondje om het meer. Halverwege vlogen een paar moerashoenderen op toen ik passeerde, en een eindje verderop maakte ik kennis met een taigagaai. Ik stopte, de vogel vloog van boom tot boom om me heen en koos uiteindelijk voor een pijnboom op enkele meters afstand. Hij zat op ooghoogte, draaide zijn kopje naar me toe en keek me nieuwsgierig aan. Het was duidelijk wie de gastheer, en wie slechts de voorbijganger was. Op dat moment wist ik trouwens nog niet wat voor vogel het was, maar zijn kopje had iets gaaiigs, en met zijn fijngestreken roodbruine vleugels was het een kleine moeite om hem in de vogelgids terug te vinden.

Na die duurloop vroeg Eeva mij of ik niet bang was om een beer tegen te komen. Nee, bang voor de beren ben ik niet. Ze kunnen er best zijn, want het is nog niet zo lang geleden dat er hier eentje werd gespot, maar het landschap is zo sprookjesachtig en verlaten, dat het onvoorstelbaar is dat de vreedzaamheid zomaar verstoord wordt. Mijn ontmoetingen met beren zijn trouwens op één vinger te tellen en in dat geval ging het hoogstwaarschijnlijk om een imaginaire beer; een schaduw, een ooghoek, in een halfduister bos.

Ik heb de kudde rendieren inmiddels achter me gelaten (ik kon ze horen denken: kijk, een renmens!) en ik bevind me onderaan de heuvel, daar waar het bos overgaat in het moeras. Het oostelijke deel van de hemel wordt zichtbaar, de maan komt net boven de bosrand tevoorschijn. Ze is vol en naakt, en op haar wenk vertel ik over mijn dromen. Ik zou mijn dokterslicentie best wel willen inruilen voor een kudde rendieren, fluisterde ik haar toe, en dan bedenk ik me ineens hoe trouw ze is, die maan. De minnares die me overal volgt, en altijd naar me luistert.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie december 2014