
Norwegian coast
Image


Ik gooide steentjes naar een adder en nadat die zich uit de voeten had gemaakt, wat slangen bij voorkeur spreekwoordelijk doen, schrok ik op bij ieder ritselend blad. Toch dommelde ik in, tot een wurgslang zich om mijn nek drapeerde, wat gelukkig maar een droom was. Daarmee is mijn dag wel zo’n beetje samengevat. Ja, ik heb vanochtend een stukje hardgelopen en vanavond opnieuw, maar ik kwam niet in de buurt van de vijfendertig kilometer die ik voor vandaag in gedachten had. Nog definieer mezelf nog steeds als iemand die minstens honderdvijftig kilometer per week loopt, ook al zijn zulke weken inmiddels een zeldzaamheid.
Wat maakt het uit? Ik heb geen sponsor, geen baas en geen supporters die verhaal komen halen als ik geen deuk in een pak boter loop. Mijn enige ambitie als hardloper is om hard te lopen, en hoewel de kilometeraantallen tegenvallen win ik nog steeds wedstrijden, twee weken geleden zelfs een hele marathon.
Maar wees nou eens eerlijk vent, kijk in de spiegel. Die marathon is het zand dat je de mensen in de ogen strooit en waar je je kop in steekt. Geef toe dat je dat zogenaamde baardje van je alleen groeit om niet te hoeven te zien dat je wangen niet meer ingevallen zijn. Jaren geleden was tweehonderd kilometer in de week je norm, een week van honderdvijftig was een rustweek. Aan het eind van zo’n rustweek liep je je beste wedstrijden. Een uur zeven op de halve, met twee vingers in je neus. Dat was nog maar het begin, zei je, maar verder ben je nooit gekomen. Je liep twee uur drieëntwintig op de marathon terwijl je minstens een minuut aan de kant had gestaan met een krampende maag. Je keek op je horloge en realiseerde dat je nog minuten onder je persoonlijk record zat en dat je nog maar een paar kilometer hoefde uit te sjokken. Twee drieëntwintig, daar haalde je je neus niet voor op, maar daar is het uiteindelijk wel bij gebleven. Dat was alles wat je te bieden had.
En nu? Deze week blijf je steken op honderdnegentien kilometer en je neemt niet eens de moeite om de honderdtwintig vol te maken. Na een dienst van vierentwintig uur jog je over de heuvel naar huis, acht kilometer, en dan ga je de hele dag maffen. Je schrijft en je leest, en je denkt dat als excuus aan te mogen dragen voor het feit dat je een training overslaat. En jij denkt de no-nonsense hardloopmethode te mogen prediken?
Herinner je je nog dat iemand zei dat iedere gezonde vent met een beetje training onder de twee uur twintig kon lopen? OK, je hebt astma, dus je bent niet gezond. Mooi bedacht. Als kind had je astma, maar de laatste aanval van je is alweer jaren geleden en al twintig jaar heb je geen medicijnen nodig gehad. ‘Maar jij wordt toch ook kortademig als je een heuvel op rent,’ vroeg een leeftijdgenoot je laatst. Jij verkneukelde je erom dat hij daadwerkelijk dacht dat kortademigheid bij inspanning hoorde. Weet je nog? Nee sukkel, zonder kortademigheid kun je moeilijk zeggen dat je een astmaticus bent, en dus is dat geen geldig excuus. Je liep nooit onder de twee twintig omdat je er te lui voor bent.
Wat zeg je? Begin je nu over de anderen? Ja, verschuil je maar achter hen, en dat lukt je goed want met een BMI van eenentwintig kun je je achter de eerste de beste gemakkelijk verschuilen. De anderen dus. Inderdaad, het overgewicht van vandaag de dag is ten eerste en bovenal een symptoom van luiheid (taboetje). Wat overigens niet wil zeggen dat dikke mensen luier zijn dan dunnen. Nee, de aanleg tot dikheid is grotendeels aangeboren. Er zijn zat luie mensen met een slank figuur en er zijn evenveel dikke mensen die minder eten en meer bewegen dan gemiddeld. Bovendien slepen dikke mensen nou eenmaal meer gewicht met zich mee. Vul je rugtas dus met lood en dan weet je waar je over praat. De luiheid is wel de belangrijkste oorzaak om de aanleg tot overgewicht tot bloei te laten komen, laat ik het zo uitdrukken, maar dikke mensen zijn niet of niet per se luier dan dunnen. Ook dat excuus van je kan dus in de prullenbak.
De luiheid zit in de natuur van de mens en het is onze luiheid die ons aanzet tot uitvinding na uitvinding. We zitten liever achter de knoppen dan dat we onze handen uit de mouwen steken, we zijn liever slim dan sterk. Vooruitgang, weet je wel. Vooruitgang in de automatische piloot, zonder te zweten. Diezelfde luiheid heeft diëtisten uitgevonden. Ja, paradoxaal genoeg is het hun brood, en omdat ook zij liever hun boterham beleggen verkopen ze hun praatjes duur. Maar dik zijn heeft met een dieet weinig te maken, dat weet je ook wel. Toegegeven, een dieet kan helpen om een beetje af te vallen, denk maar aan die uitgemergelde alcoholisten, maar je wordt er niet veel gezonder van. Diëten is een poging om luiheid te compenseren. Maar als je niet voldoende beweegt worden je botten broos en verandert je hart in een slap en vormloos zakje dat nog het meest doet denken aan een dichtgeknoopte condoom.
Men heeft het over een suikertax om de schuld te geven aan gekoelde halveliterflesjes met bubbeltjes, want de schuld moet altijd buiten onszelf liggen, zeker in deze tijd. Maar die flesjes zijn gevuld met jouw brandstof. Bij je zomerse lange duurloop neem je een paar munten mee om onderweg een flesje cola te kopen, die je in een teug leegdrinkt, waarna je een overtuigende boer laat en vervolgens de overgebleven kilometers verorbert als vormen die samen een ijsdessert. De suikertax is een onrechtvaardige poging van politici om hun eigen luiheid financieel te belonen. Degene die lange duurlopen voltooit heeft immers meer cola nodig.
Je hebt nu drie weken vakantie, kerel, en in die drie weken heb je geen excuus. Als je de vijfentwintig kilometer per dag niet haalt, heb je geen recht van spreken meer. Dat zou betekenen dat je ingewanden al aan het verrotten zijn terwijl het van buiten lijkt dat je nog leeft. Ik zou het je vergeven als je rookte, of als je een overtuigd alcoholist was. Ja, misschien moet je dat maar doen, jezelf doelbewust en met overgave ten gronde richten. Als je niet onder de twee twintig loopt kun je jezelf altijd nog een vent noemen als je tien bier per dag drinkt. Laatst hoorde ik over een Fin die beiden deed. Het viel zijn kameraden op dat hij op een trainingsstage van drie weken zeshonderd kilometer had gelopen en tweehonderd bier verorberde. Vijf na de ochtendtraining en vijf na de avondtraining. Hij sliep er goed op, zeiden ze. Eén dag – dat heb je goed uitgerekend – dronk hij op last van de trainer water in plaats van bier maar dat heeft hij moeten bekopen. Zijn maag lag overhoop. Hij genoot aanzien onder de atleten, en vooral vanwege de drank die hij tot zich nam.
Omdat je een nietsnut bent, die ook nog eens het schrijvertje wilt uithangen, mag je kiezen. Of je zuipt je het leplazarus of je gaat weer eens hardlopend aan de bak. Vijfentwintig per dag. Gemiddeld. Knoop dat in je oren. 
Ergens in de loop van mijn eerste jaar als arts-assistent werd ik door mijn leidinggevende op het matje geroepen. Een verpleegkundige had geklaagd dat ik haar denigrerend met ‘meid’ had aangesproken. Het gebruik van dat woord klopte, zei ik, maar het was niet denigrerend of seksistisch bedoeld. Op werk bediende ik me vaker van wat amicaal taalgebruik, en ik dacht dat dat kon omdat mensen op de werkvloer me kenden en zulke woorden dan in perspectief konden plaatsen. Mijn excuses en uitleg werden gelukkig direct geaccepteerd, maar het heeft me toen wel aan het denken gezet en alerter gemaakt op hoe taalgebruik op een ander kan overkomen. Had ik hetzelfde woord durven gebruiken tegen iemand die in de hiërarchie boven me had gestaan? Tien jaar later herinner ik me het kleine incident nog steeds en dus is het een belangrijk leermoment geweest.
Nog steeds is mijn houding op de werkvloer waarschijnlijk net wat lichtzinniger dan dat van mijn meeste collega’s, maar klachten daarover heb ik niet meer gehad. Ik vind het belangrijk dat mensen met plezier naar hun werk gaan, en naast vriendelijke en respectvolle bejegening kan ook humor op de werkvloer daaraan bijdragen. Maar de humor moet wel de juiste zijn. Een grapje kan het ijs breken, en daarom sta ik me ook in het contact met patiënten soms een grapje toe. Hoewel Finnen nu niet bepaald bekend staan om hun humor, valt het eigenlijk altijd in goede aarde.
Uit een recente enquête blijkt dat een derde van de jonge vrouwelijke artsen in Nederland te maken krijgt met seksuele intimidatie, vaak door mannelijke collega’s. Ik durf te wedden dat behalve artsen ook vrouwelijke verpleegkundigen zich door artsen seksueel geïntimideerd kunnen voelen. Daar zitten grove incidenten tussen, maar ik kan me ook goed voorstellen dat de dader zich niet altijd bewust is van hoe iets overkomt. Seksueel getinte opmerkingen of geflirt kun je daarom beter maar vermijden, en bij hiërarchische verschillen moet je extra alert zijn op hoe taalgebruik of gedrag overkomt.
Op onze longafdeling zijn alle specialisten vrouw en alle artsen-in-opleiding man. Mijn opleider, een vrouw van vijfenzestig, noemt ons artsen-in-opleiding vaak pojat, jongens. Hoewel het wat denigrerend kan overkomen, is dat op onze afdeling geaccepteerd, althans, wanneer zij dat zegt. Haar noem ik voor de grap wel eens emäntä, het woord voor een boerin, bazin of de vrouwelijke oudste van een kleine traditionele gemeenschap. Onze emäntä houdt er seksistische ideeën op na: mannen (en zeker mannelijke patiënten) zijn zelden in staat voor zichzelf te zorgen, en als geen vrouw het hen belet, zitten ze aan de alcohol. Vrouwen hebben volgens haar juist vaak weer een neiging tot hysterie, maar het is de man die hen daartoe drijft. En de uitzonderingen bevestigen de regel. Kortom, onze emäntä is zoals ieder mens: we zien onze vooroordelen altijd bevestigd en nooit ontkracht.
Onlangs had ik een patiënt op de afdeling die vanaf het eerste moment boos op me was. Omdat ik een arts was en ook nog eens uit het buitenland kwam. Ik liet hem stoom uitblazen en probeerde erachter te komen wat zijn probleem was met de medicatie die een andere arts hem had voorgeschreven voor zijn kortademigheid. Maar in plaats van te bedaren werd hij alleen maar bozer. Hij wilde ‘het beste medicijn tegen kortademigheid’, dat wil zeggen, het medicijn dat zijn vrouw gebruikte. Omdat ik niet direct wist welk medicijn hij bedoelde, zei hij dat ik geen dokter kon zijn want een dokter zou wel weten wat het beste medicijn was. Waarschijnlijk was ik een ongediplomeerde Rus. Hij liep rood aan en had zijn vuisten gebald, alsof hij er zo op los kon slaan.
Toen werd ik boos. Zoiets hoefde ik me immers niet te laten zeggen en ik liet me niet intimideren. Ik verhief mijn stem en zei dat hij erover na mocht denken of hij mijn behandeling wenste of niet, en toen liep ik bij hem weg.
Direct daarop kreeg ik spijt. Door zijn habitus was ik in de veronderstelling geweest dat hij een man was van primaire reacties, iemand die zich snel opwond en uit zijn slof schoot, en in dat geval vond ik het gerechtvaardigd dat ik hem terechtwees toen hij mij respectloos bejegende. Maar was dat wel zo? Of was hij misschien emotioneel labiel door de medicatie die hij kreeg? Het was niet professioneel dat ik mijn stem had verheven en boos bij hem was weggelopen.
Later op de dag ging ik opnieuw bij hem langs. Zijn vrouw was erbij en hij was gekalmeerd. We hadden een goed gesprek over de medicatie en na afloop maakte ik een relativerend grapje over de confrontatie in de ochtend. De volgende dag kon hij naar huis, met het beste medicijn dat er was. Bij het afscheid drukte hij me stevig de hand en ik wuifde zijn excuses weg. Misschien had hij dat moment van boosheid inderdaad gewoon nodig had gehad, dacht ik. Zijn boosheid kwam voort uit wantrouwen, en met die kennis kon ik begrijpen welke zorg hij precies nodig had. Hoewel een dergelijke confrontatie niet tot de communicatie uit het boekje behoorde, voelden we elkaar goed aan en waren we na afloop tevreden met elkaar. Hij met mij als zijn dokter en ik met hem als zijn patiënt. Ik hou eigenlijk wel van mensen met emotionele reacties, maar mooier is het natuurlijk om zelf geen seconde boosheid te voelen en dus denk ik dat ik me dit incident over tien jaar nog herinner.
Voel je je inmiddels meer Fin dan Nederlander? Ik geloof dat wij ons die vraag allemaal wel eens stellen, en als we dat zelf niet doen, stellen anderen hem wel. Van Nederlanders hoor ik vaak dat ik helemaal verfinst ben, met die wilde bos haar van me. Zo eenvoudig kan de diagnose dus gesteld worden, al heb ik de indruk dat Finse mannen over het algemeen hun kapsel strikter bijhouden dan Nederlanders. Ik vind me er meer als Nederlander dan als Fin uitzien. Als Finnen me verfinst noemen, doelen ze op mijn redelijke taalvermogen, bepaalde karaktertrekken waarvan ze menen dat ze typisch Fins zijn of het feit dat ik de sauna maar ook de vrieskou beter verdraag dan Eeva, mijn vrouw, die Finse is. Ze bedoelen het dan als complimentje, en dat maakt me wantrouwig want van Finse complimentjes weet je nooit of ze wel helemaal oprecht zijn.
Maar wat vinden we er zelf nu van? Ik geloof dat de taal heel belangrijk is om te voelen dat je erbij hoort. Gelukkig spreek ik inmiddels voldoende Fins om me te redden in de spreekkamer en aan de lunch met collega’s. Ik begin steeds meer praatjes te krijgen, maar ik heb nog niet zo’n grote mond als in mijn moedertaal. Toch voel ik me nog altijd behoorlijk beperkt in mijn woordenschat en ook de ingewikkelde grammaticale constructies vloeien er ook niet zomaar uit. Het is dus voortdurend behelpen, en ik geloof dat ik me daarom nog altijd vaak een Nederlander onder Finnen voel, maar ik ben niet meer de buitenstaander die ik eerder was.
De Finse cultuur blijft me nog altijd verrassen. De sauna heeft niet zoveel geheimen meer voor mij, maar vissen bijvoorbeeld, dat is zo’n hobby die iedere Fin beheerst maar die mij vreemd is gebleven. Welke haakjes je moet hebben en wat voor aas, waar je wel en niet zonder vergunning mag vissen, hoe al die vissen heten en hoe je ze op de gril klaarmaakt. Ik zie nog regelmatig nachtmerries van die ene spartelende vis die ik met een plankje doodsloeg zoals ik anderen dat had zien doen. In mijn dromen komt die vis tot leven en slaat me met zijn staart knock-out.
Een andere typische Finse bezigheid is pussikalja. Iedereen die zomerdagen doorbrengt met Finse vrienden kent het wel. In de supermarkt vul je een plastic tas (pussi) met bier (kalja) en daarmee begeef je naar het park. Mijn eerste pussikalja was jaren geleden met vappu. Ik voelde me wel een beetje een sloeber, maar voor die vrienden van mij was het heel normaal. Lang ben ik ervan uitgegaan dat ik gewoon verkeerde vrienden had, ongemanierde sloebers met een neiging tot openbaar dronkenschap, tot ik me onlangs in Hamburg na afloop van de marathon in goed gezelschap bevond. Alexander S., een Finse oud-ministerpresident die daar ook de marathon had gelopen, nodigde ons uit in het park, waar hij een plastic tas vol Franziskaner Weissbier tevoorschijn haalde. Het was zonnig, we hadden allemaal pijn in de benen en het witbier was daar een prima middel tegen. Daar, in dat park voelde ik me Finser dan ooit.
Deze column verscheen in juni 2018 in Noorderlicht.
Wat is er nou mooier dan hardlopen over wandelpaden door de ruige wildernis? Na jaren om verschillende redenen niet aan een trailwedstrijd te hebben meegedaan, moest het er nu maar eens van komen. Zelfs Eeva voelde ervoor en dus stuurde ik een mailtje naar de organisatie van de Karhunkierros, want de officiële inschrijfperiode was al verlopen. Op Facebook waren kaartjes te krijgen van afhakers, was het antwoord, maar we konden ons ook rechtstreeks aanmelden: 99 euro voor de 31 km die Eeva wilde lopen en 119 euro voor de 51 km die ik van plan was.

Ondertussen waren we al onderweg om een week eerder het parcours te verkennen. We parkeerden bij het startpunt van de 31 km in Juuma, waar het cafeetje nog niet voor het zomerseizoen geopend was. Met een slechts ten dele gevulde maag en rugtasjes die we op onze bruiloft van Gert-Jan Wassink en zijn vrouw Veerle gekregen hadden, voorzien van flesjes met water dat onderweg al lauw was geworden, gingen we op pad. We beklommen steile heuvels en rotsen, vergaapten ons aan watervallen en aan de loop van de rivier in het filmische heuvellandschap. Bijna alle sneeuw was gesmolten en de route was grotendeels goed begaanbaar. Af en toe kwamen er lange zoldertrappen aan te pas, houten stellages waar af en toe een trede uit miste, die je tientallen meters hoger of lager brachten.
Na een kilometer of acht gaf Eeva aan dat ze het behoorlijk pittig vond. Of we niet de korte ronde konden nemen, van 12 kilometer. Maar dat was voor mij geen optie.
Af en toe pauzeerden we. Ik herinnerde Eeva eraan dat we weinig water hadden en nog een lange weg te gaan, toen ze haar gezicht koelde met water uit een flesje. Daar kreeg ik een boze blik voor terug.
Het landschap veranderde. Doordat de sneeuw nog maar net gesmolten was, was het veen moerasachtig. We sprongen van graspol naar graspol maar natte voeten waren niet te voorkomen.

Halverwege de route dronken we van een snelstromend beekje. Koud water dat smaakte naar mineralen en bos. Even verder liep het pad dood, maar met behulp van de wandelkaart die we bij ons hadden vonden we zonder problemen de weg terug. Juist bij dat hemels riviertje hadden we een bordje niet opgemerkt.
Een lange trap omhoog en spectaculaire vergezichten. Het was onvoorstelbaar hoe groen alles plotseling was, nauwelijks twee weken na de lange winter. Terwijl de route vorderde, veranderde het humeur van Eeva. Ze was moe en leeg, en dat was mijn schuld. Ze had duidelijk op tijd aangegeven dat 31 kilometer vandaag te lang was. Ik weet dat ik eigenlijk een nazi ben of een slavendrijver, of toch gewoon een slaaf van de ongezonde drang om altijd tot het uiterste te gaan. Ik moedig haar aan en noem haar stoer en sexy, maar als ze gaat wandelen schiet ik uit mijn slof. Wandelend zijn we nog uren onderweg, we zullen vergaan van de honger en dorst. Zo wordt ergens in de wildernis de vredigheid verstoord door twee mensen die naar elkaar schreeuwen. We haten elkaar en gaan scheiden zo gauw we terugkomen in de mensenwereld, áls we die tenminste levend bereiken.
We komen weer in beweging op het pad dat steeds moeilijker begaanbaar wordt. Als Eeva voor de derde keer valt over een steen en schreeuwt van de pijn, mag ik haar niet naderen. Ik ben een lul. Toch rent ze verder, over de vermoeidheid geen woord. In stilte bewonder ik haar om haar doorzettingsvermogen. Ik vergeet wel eens dat ik qua hardlopen voor mezelf vrij extreme normen heb, en dan denk ik bij mezelf dat zij lui is. Maar niets is minder waar.
Ook bij haar is de boosheid gezakt. Als we met nog zes kilometer te gaan een weg oversteken, stel ik voor om een taxi te bellen, maar dat doe ik op zo’n manier dat ik weet dat Eeva daar nooit mee zal instemmen.
Onderweg denk ik aan een van mijn eerste lange duurlopen, als student in mijn eerste paar hardloopschoenen. Ik liep met een groepje van vier of vijf doorgewinterde hardlopers, waaronder Paul Koorn, twee uur door de Kennemerduinen. Toen we terugkwamen bij de auto waren de stroopwafels zo hard bevroren, dat je er geen hap van kon nemen. Dát was het, zo moest het, keer na keer. Ik geloof dat die ervaring mij als hardloper heeft gevormd.

De Valtavaara, de laatste heuvel in de route, is het meest extreme wat ik semi-hardlopend heb gedaan. Semi omdat er van hardlopen vaak geen sprake is: ik trek mezelf aan touwen omhoog langs een steile route met losse stenen. Zoals vaker het geval is, blijkt iedere keer als je de top hebt bereikt, de echte top nog een heel eind verder en significant hoger te liggen. Zoals echter zelden het geval is, is die echte top alleen te bereiken door weer een stuk steil naar beneden en steil omhoog. Desondanks heeft Eeva haar vermoeidheid overwonnen en is ons huwelijk gered. We kunnen er zelfs om lachen hoe onze crises ontstaan door fysieke beproevingen, het moet iets met oeroude evolutionaire mechanismes te maken hebben.
Maar dan is het einde in zicht. Althans dat denken we. Er is nog een onvoorziene skiheuvel waar we tegenop moeten: Rukatunturi.
Het skidorp Ruka is uitgestorven. Gelukkig leeft de taxichauffeur nog en is er een bar waar we een ijsje kopen en een flesje Seven-up, maar het duurt tot laat op de avond voor we ergens bij een wegrestaurant een opgewarmd stokbroodje naar binnen werken.
Het antwoord van de organisatie over de inschrijving voor de trailwedstrijd een week later, had ik echter nog onbeantwoord gelaten. Ik maakte me enigszins zorgen om de veiligheid als ik op mijn hardst die zoldertrappen nam die ik nu voetje voor voetje afgedaald had. Maar dat was overkomelijk. Wat me meer tegenstond was al het gedoe dat erbij kijken kwam als je mee wilde doen. Zo zou worden gecontroleerd of je wel over de juiste equipement beschikte, waarvan de helft me overbodig leek of juist ontoereikend in geval van nood. Je moest zo-en-zoveel drank bij je hebben en dat mocht geen wodka zijn, en ook nog eens energierijke voeding met een bepaald aantal calorieën, terwijl zelfs magere types als ik genoeg vet hebben om duizend kilometer op te teren.
De twijfel steeg met de dag en we bleven de inschrijving uitstellen. De grootste vraag was wat nu eigenlijk de meerwaarde was van zo’n evenement, waar je in totaal honderden euro’s aan kwijt was, terwijl je op andere dagen lekker in je eentje of met je maatje zo hard of zo langzaam over die paden kon gaan als je wilde, uit riviertjes kon drinken en ruziemaken zonder dat iemand behalve de bosgeest Tapio er getuige van was. Zeg nooit nooit, maar voorlopig blijft hardlopen door de wildernis iets wat ik het liefst buiten wedstrijdverband doe. Voor mij dus nog even geen trail.





‘…het overgewicht is dus de kern van het probleem.’ Terwijl ik dat zeg, zie ik haar ineenkrimpen. Er zijn geen medicijnen die haar kunnen helpen, ze zal echt moeten afvallen om de decennia waar ze volgens de statistieken recht op heeft te kunnen verzilveren. Pijnlijke knieën, suikerziekte, hoge bloeddruk en slaapapneu. En dus alveolaire hypoventilatie: vanwege het overgewicht schiet de ademhaling tekort, terwijl de longen zelf eigenlijk gezond zijn.
Ben ik te hard geweest, te bot, had ik het woord niet moeten uitspreken? Voor mij is het een medische term, een risicofactor, of zo je wilt een ziekte op zich. Je kunt er wel andere woorden voor verzinnen, maar daarmee verander je de werkelijkheid niet. Tegelijkertijd zijn er veel mensen die ‘overgewicht’ als een synoniem voor ‘falen’ beschouwen: heb je overgewicht dan ben je lui, je eet ongezond, en je hebt geen controle over lichaam en geest. Het negatieve beeld dat aan overgewicht kleeft is misschien wel net zo’n groot probleem als de medische gevolgen van overgewicht, en zo ben ik tot het standpunt gekomen dat de strijd voor acceptatie van overgewicht net zo belangrijk is als de (medische) strijd tégen overgewicht. Maar hoe beweeg je je als arts over de smalle richel tussen die twee schijnbare tegenstrijdigheden?
‘Eigenlijk ben ik heel sportief,’ zegt de vrouw tegenover me. Haar stem klinkt zwak, alsof ze het tegen zichzelf zegt in plaats van tegen mij. Heel even voel ik iets protesteren. Met een BMI van boven de veertig lijdt ze volgens de definities aan morbide overgewicht. Wie probeert ze nou voor de gek te houden, zichzelf of mij? Een fractie van een seconde slechts houdt die vraag me bezig, en toch vind ik het belangrijk om die gedachte hier te benoemen, want ze lijkt heel logisch. Het is echter een gedachtefout, een gapende valkuil, en onbarmhartig ook. In die ene seconde stel ik mezelf tegenover mijn patiënte in plaats van naast haar. Daar komt patiënte noch arts verder mee, en dat is dus precies de reden waarom de strijd voor acceptatie van overgewicht belangrijk is. Geef me daarom één seconde om mijn vooroordeel te overwinnen en ik vraag haar te vertellen over haar sportiviteit en de geschiedenis van haar gewicht.
Als ik de kamer verlaat geloof ik dat ik haar begrijp. Ik zie haar nu zoals ze zichzelf ziet als ze in de spiegel kijkt, als dat meisje van dertig jaar geleden, dat gepassioneerd handbalde, bij een val haar pols brak en sindsdien tegenslag na tegenslag kreeg te verduren. Op dit moment kan ze door de pijn in haar knieën maar korte stukjes lopen.
Ik wou dat ik kon zeggen dat ik haar heb genezen, maar dat is niet zo. Ik heb haar de medische hulp verleend die men van me mag verwachten, maar de mogelijkheden ter ondersteuning zijn bij ons ernstig beperkt. Misschien lukt het haar om af te vallen. Uiteindelijk is het bij overgewicht niet zo dat de dokter de zieke beter maakt. Je moet er zelf mee aan de slag. Toch heb ik het gevoel dat we elkaar wat hebben gegeven als we een dag later met een warme handdruk afscheid nemen bij haar ontslag naar huis.
Ritva kwam van ver. Wat bracht haar van het dorpje aan de rivier die de grens tussen Zweeds- en Fins Lapland markeert naar hier? Op weg naar mijn polikliniek moet ze tegen de zon in hebben gereden, en als ze straks weer naar huis ging, zou de zon langzaam maar zeker weer recht in haar gezicht gaan schijnen. Een verstokte rookster, las ik in de verwijsbrief… pogingen te stoppen niet gelukt, ondanks medicale ondersteuning… en verderop verslechterende longfunctie… hoest… opgeven van bloed. Dat laatste is de reden dat de arts van het gezondheidscentrum haar doorstuurt. Ik zal moeten onderzoeken of ze longkanker heeft. Vanwege de logistieke problemen bij patiënten die van ver komen, heeft ze de CT-scan en wat andere onderzoeken al gehad voordat ik haar zie.
‘In de onderzoeken is géén longkanker ontdekt,’ zeg ik om maar gelijk met de deur in huis te vallen, want die uitslag zou tussen ons in blijven hangen als ik haar eerst zou bevragen. Door kanker gelijk de deur uit te gooien, lukt hem me om aan te sluiten bij de opgewekte stemming waarmee ze mijn kamer binnenkwam.
‘Gelukkig!’ lacht ze. ‘Ik ben trouwens gestopt met roken.’
Ik probeer de achterdocht te verbergen als ik haar vraag wanneer ze de laatste heeft gerookt. Het zal niet de eerste keer zijn dat een patiënt vertelt dat ze in de ochtend de laatste heeft gerookt. Om een paar dagen later opnieuw te beginnen.
’55 dagen geleden,’ zegt ze glunderend. ‘Ik had een week een vervelende hoest en op een dag zat er een spikkeltje bloed bij. Toen dacht ik ineens, waarom doe ik dit toch? Dus ben ik maar gestopt.’
’55 dagen? Dat is niet niks!’
‘Jawel dokter, dit is pas het begin! En weet je wat het gekke is: het was helemaal niet moeilijk. Van de ene op de andere dag, hupsakee. En ik weet zeker dat het me blijft lukken, ik heb helemaal geen trek meer gehad. Het idee te gaan roken staat me tegen.’
Daarna vertelt ze me dat ze desondanks met haar collega-schoonmaaksters gewoon naar buiten gaat als die er een opsteken. Inmiddels is een collega van haar ook al gestopt. ‘En die anderen, die volgen wel.’
Haar woorden ontwapenen me. Ik kijk naar de stethoscoop van me die op tafel ligt, wat een nutteloos ding. Hier zit ik in mijn witte jas, deel uitmakend van een medisch leger dat van mening was dat haar rookverslaving onbehandelbaar was. Wat doet ze in mijn kamer? Ze is helemaal geen patiënte, nee, ze is een mens. De medicatie die ze voor haar kortademigheid gebruikte, zijn veel en veel minder effectief dan stoppen met roken. En dat is ook precies wat ze vertelt: sinds ze gestopt is, heeft ze de Ventolin niet meer gebruikt, en ze voelt zich sterker dan voorheen. Lichamelijk, maar vooral mentaal.
Het kan dus wel, zeg ik bij mezelf als ik naar huis ga. Zelfs als je eigen arts je een verstokte rookster noemt, als je eigenlijk al bent opgegeven, kun je van de ene op de andere dag stoppen met roken. En wij, zorgprofessionals, hoeven alleen maar toe te kijken. Ritva, die van ver kwam, vertelde me dat ze nooit eerder werkelijk had geprobeerd te stoppen. ‘Ja, de dókter had het geprobeerd, maar ik wílde helemaal niet stoppen. Dat veranderde in die ene week hoest.’ Ze stelde zich voor dat ze ooit afhankelijk zou worden van zuurstofflessen. Dat leek haar maar niks. Waarom rook ik eigenlijk, had ze zichzelf afgevraagd, en daar had ze geen bevredigend antwoord op gevonden.
Het is onvoorstelbaar hoeveel ziekten te maken hebben met levensstijl. Roken, overgewicht en alcohol zijn waarschijnlijk de grootste leefstijlproblemen met medische gevolgen. Suikerziekte, hart- en vaatziekten, slaapapneu, kanker en COPD zijn de bekendste gerelateerde ziekten, maar de problemen sijpelen ook door naar ziekten die je er in eerste instantie niet mee zou associëren. Astma bijvoorbeeld: ongeveer de helft van de mensen met astma en overgewicht, heeft geen astmamedicatie nodig als ze afvallen tot een normaal gewicht. Voor zowel roken, overgewicht als alcoholgebruik bestaan er geen medicijnen of behandelingswijzen die werkelijk wat doen tegen de gevolgen van de ongezonde leefstijl. Men heeft het wel eens over het kostenargument (weggegooid geld), maar eigenlijk is het nog veel erger: de medicijnen werken simpelweg niet. Je kunt een patiënt met overgewicht wel behandelen voor zijn diabetes, slaapapneu, hoge bloeddruk, gewrichtsslijtage, depressie en erectiestoornis, maar dat is eigenlijk gestoord als je weet dat de kern van het probleem het overgewicht is en dat de situatie van al die ziekten zal blijven verslechteren als er niets met dat overgewicht gebeurt. Wie denkt dat ik overdrijf heeft het mis: dit soort problematiek is voor iedere arts aan de orde van de dag, en vaak gaat het hand in hand met relatieve armoede.
Terwijl wij artsen gretig de diagnoses noteren en patiënten ook echt wel vertellen wat de kern van het probleem is, staan we er vaak machteloos bij, of we hebben het gevoel, ook al is dat bij patiënten als Ritva onterecht. In de korte tijd die je op de poli ter beschikking hebt, lukt het vaak net om het probleem aan te kaarten, maar echte ondersteuning geven is lastig. Ik kan doorverwijzen naar een verpleegkundige of een fysiotherapeut, maar is dat voldoende? Bovendien lijkt het voor patiënten alsof gezond eten niet bestaat: het ene moment is vlees uit den boze, een paar jaar later is vlees goed maar zijn de koolhydraten de boosdoener. Is een wijntje per dag nu goed of juist niet?
Uit den boze… boosdoener… goed… De woorden die ik hierboven gebruik, probeer ik op mijn spreekuur zoveel mogelijk te beperken, want ze suggereren dat je als dokter een moreel oordeel velt. Van mij mág een patiënt best roken, en eten wat hij wil. Het is niet de taak van de arts om de patiënt te vertellen wat moet en wel of niet mag, maar je vult de kennis van de patiënt aan met die van jezelf en de uitslagen van de onderzoeken. Soms laat je een patiënt zien dat er opties zijn die hij of zij niet voor mogelijk hield. Het is aan de arts om te motiveren en ondersteunen. Wanneer je echter de leefstijl overslaat, neem je de mens in de patiënt niet serieus.
Misschien vanuit mijn sportieve achtergrond leg ik naast stoppen met roken de nadruk vaak op beweging, maar ik presenteer die optie niet als medicatie. Je behandelt geen ziektes door meer te bewegen en af te vallen, maar je streept ze door op de diagnoselijst. Het is een kwestie van de-medicaliseren, of: gezond worden. Dat het ook echt zo werkt, weten we uit verschillende studies en observaties waarbij patiënten geen medicijn of dokter meer nodig hadden na een succesvolle verandering van leefstijl. Gemakkelijk zal het echter nooit worden, voor de patiënt noch voor de dokter. Vaak is er een life changing event nodig, voor de een is dat het ophoesten van bloed, een ander heeft daar een hartinfarct voor nodig.
Ritva reed die middag de zon achterna terug naar haar dorp. Nu was het eens een patiënt die de dokter hoop gaf, in plaats van andersom. Ik had alle spullen uit mijn witte jas gehaald en op tafel gelegd om te demonstreren dat ik geen medische instrumenten nodig had bij haar. ‘Goed dat je gestopt bent met roken, nu heb je geen dokter nodig. Probeer uit onze handen te blijven, maar schroom niet contact op te nemen als het nodig is.’
(in Nederland is er een groeiende beweging van artsen met oog voor leefstijl, zoals DAI huisartsen, die o.a. seminars en cursussen op dit vlak organiseert)
De IAAF voert een persoonlijke strijd tegen Semenya en baseert zich op een eigen studie die onethisch tot stand is gekomen en die statistisch een puinhoop is. Een opiniestuk door Thijs Feuth verscheen op Sport Knowhow XL en is hier te lezen.
Wat beelden uit de Lapse lente bij het lied Drijven ze morgen dat singer-songwriter Serge Epskamp schreef op tekst uit Achter de rug van God: