ProRun: Hoe traint een marathon toploper?

Je zet alles opzij en je gaat er voor: een absolute toploper worden. Thijs Feuth en Miriam van Reijen trainen veel maar daarbij overheerst de passie voor de sport. Trainen is voor hen soms afzien maar meteen een bron van heel veel plezier. Thijs ontdekt al trainend het Nederlandse landschap. De Veluwe is een geliefde trainingsaccommodatie om zijn marathonambitie aan te scherpen. “Ik hou vooral van dolen.” Een blik in de gedachten van twee toplopers met hoge ambitie voor de marathon.

Lees het artikel verder op de website van ProRun

“Hardlopen is mijn passie”

Thijs Feuth (29) is deelnemer aan de Jaarbeurs Utrecht Marathon. Hij geeft zichzelf een goede kans op een podiumplaats. Het is voor Thijs dan ook al de zevende marathon die hij loopt. Hij is een ervaren hardloper die in de subtop van Nederland meeloopt. Bij de Nederlandse Kampioenschappen marathonlopen haalde hij brons.

Speciaal aan deze marathon vindt hij: ’’Dat het een strijd is tussen Nederlandse toplopers. Met recht een Dutch battle. Voor deze marathon zal het niet alleen lopen op tijd zijn, maar aanpassen aan de andere lopers.’’

Thijs werkt als arts-onderzoeker in het UMC. Hij verdeelt zijn tijd tussen werken en hardlopen. Zijn werk is zittend, zijn hobby benenwerk. Een goede combinatie vindt hij zelf.

Lees het interview door Marijke Wieringa verder op de website van De Weekkrant

La Mar

Vijf dagen na nieuwe maan is het de zee die me roept – ik kan de eindeloze echo van haar roep in de branding niet weerstaan. De branding – en de wind die grote scheppen van haar schuim afroomt en ze speels over het strand voor zich uitrolt. Net als de vrouw wordt de zee beïnvloed door de maan. Daarom noemen de oude vissers de zee bij de vrouwelijke benaming: la Mar. Ze is mooi, mysterieus maar ook doodsgevaarlijk: eens de wieg van het leven, toont zich soms dreigend om het leven van zeelieden weer tot zich te nemen. De als sarcofagen aangespoelde messchelpen kraken onder mijn voeten voor ze worden begraven in het zand.

Ik denk aan Santiago, de trotse visser die na 84 dagen zonder vangst het lot uitdaagt. Op zoek naar het geluk trekt hij ver de zee op. Een enorme vis slaat hij aan de haak, te groot en te krachtig om aan boord te halen. Zijn bootje wordt door de vis verder de zee op getrokken en na een dagenlange machtsstrijd tussen de oude visser en de vis weet de visser zijn prooi toch met zijn harpoen te doden. Op weg terug naar de haven wordt de vis echter aangevreten door de haaien, zodat de visser uiteindelijk slechts met de graat in de haven aankomt.

Geen wedstrijd zo verraderlijk als de halve marathon van Egmond aan zee. Juist terug van een trainingsstage in Kenia was ik gretig om te laten zien wat ik waard was. Door de snelle start kon ik niet aansluiten bij de kopgroep, zodat ik op het strand moest strijden tegen de zuidwesterwind, waartegen je moet vechten als Santiago tegen de marlijn: houd de lijn niet te strak maar laat haar ook niet teveel vieren. Op het strand moet je zuinig met je energie omgaan, want dat wat je in gevecht met de wind verliest krijg je niet meer terug, maar anderzijds moet je ook niet teveel tijd inleveren, want ook dat krijg je niet meer terug. Als je in een groepje over het strand loopt moet je dus samenwerken, maar de één loopt op gemak terwijl de andere alle zeilen moet bijzetten (of eigenlijk: reven) om in het groepje mee te kunnen – samenwerking is dus niet vanzelfsprekend.

Op het strand was ik sterk. Terwijl ik het gevoel had te sparen voor de tweede helft liep ik op eigen kracht gaten dicht van het ene groepje naar het volgende groepje, om dan achter de rug van anderen dekking te zoeken tegen de wind en even later weer vooruit te kijken. De marlijn draaide al haar rondjes in de zee, ik hoefde haar alleen nog maar in het hart te raken met de harpoen….

Toen kwamen de haaien. Om aansluiting te houden bij C., die iets aanzette, moest ik door het groepje manoeuvreren. Onvoorzichtigheid deed me struikelen, maar ik kon me nog net opvangen. Mijn bovenbenen hadden een oplawaai te verduren gekregen en dus moest ik even rustig aan doen om te herstellen. Het ging inmiddels door het mulle zand het strand af en het duin op. Boven aangekomen bleek een volgende haai op het bloed te zijn afgekomen: ik werd overvallen door krampen in mijn onderbuik – ik moest naar het toilet.

Natuurlijk dacht ik aan de circulerende stoere wielerverhalen en aan Miriam van Reijen, creatieve oplossingen voor het probleem waar ik nu mee te maken had. Maar hoe doe je dat? Voor mij zat er maar één ding op: ik moest het zaakje kwijtraken en wel zo snel mogelijk want ik verloor inmiddels tijd op de andere lopers. De kringsspier vroeg ondertussen een aanzienlijk deel van de kracht die ik kon leveren.

Zodra het publiek wat uitdunde dook ik de struiken in -de verloren tijd zou ik later wel terugwinnen. Maar ook in de struiken wisten de haaien me te vinden: naalden zo groot als haaientanden staken in mijn been en ook daar moest ik vanaf zien te komen. De wedstrijd was inmiddels al lang geen wedstrijd meer. Ik probeerde nog wel volle kracht te lopen maar het tempo was eruit. Het gevecht met de haaien had teveel van mijn krachten gevergd en ik moest nu zorgen dat ik thuiskwam.

Aangekomen in de haven was het stil, zelfs de kroeg was al gesloten. Na het afmeren begaf ik me in de nachtelijke stilte naar huis om uit te rusten. Midden in de nacht werd ik wakker uit een droom: leeuwen brulden aan de rand van het trainingskamp in Iten. Maar het gebrul was niet beangstigend, eerder bemoedigend.

(geïnspireerd door The Old Man and the Sea van Ernest Hemingway)

De tranen van Silvio

Hardlopen kan een eenzame sport zijn. Ik hou ervan ’s ochtends vroeg door het bos te dwalen, als de wereld nog moet ontwaken. De konijnen en reeën houden zich dan verborgen. Een onrustig roodborstje dat schichtig om zich heen keek en van een struiktak naar de grond vloog om in het bevroren zand te pikken was het enige teken van leven tijdens mijn laatste duurloop in Nederland. Zulke momenten blijven bij, omdat je onverwacht uit je eenzaamheid wordt gewekt.

Maar dat was Nederland. Inmiddels ben ik al twee weken in Kenia, om te trainen voor de halve marathon van Egmond. Het dorp Iten, gelegen op 2400m hoogte in de Riftvallei, kent geen eenzaamheid: alles wat leeft loopt hard. In de omgeving van Utrecht zijn atleten van mijn niveau op één hand te tellen, maar hier in Iten mag ik al blij zijn als ik een dame kan bijhouden. In de vroege ochtend, als de zon nog moet opkomen, kom ik op de dustroads, die zich uitstrekken over heuvels die hoger en steiler zijn dan de Piramide bij Austerlitz, tientallen topatleten tegen.

Bijna elke training weet ik met anderen te combineren, van rustige duurloopjes tot snelheidstrainingen met wereldtoppers als Lornah Kiplagat of Mo Farah. Hoewel sport haar beoefenaars in rang sorteert al naar gelang talent en fysieke kracht, ben je in de training elkaars gelijke. Zij aan zij met de wereldtoppers besef je dat het dezelfde wegen zijn die je beloopt. Het zijn dezelfde hellingen waar je tegenop klimt en het is dezelfde zon die haar met haar ochtendgloren de wereld in felle kleuren baadt. Dat is wat hardlopers bindt, van recreant tot wereldtopper.

Silvio en Samir, twee recreatieve hardlopers zijn  de enigen uit hun vriendengroep met interesse in hardlopen. Een paar maanden geleden zagen ze een documentaire over Iten, een Keniaans dorp waarin hardlopen verheven werd tot kunst. Honderden jonge mannen uit de omgeving verhuisden al naar dit dorp om hun geluk te beproeven. Dagelijks trainen ze keihard in de hoop tot de tientallen gelukkigen te gaan behoren: atleten die het gemaakt hebben, die aanzien en rijkdom hebben verkregen op het internationale podium. Toen ze de documentaire hadden gezien besloten Silvio en Samir die bijzondere plek op te zoeken.

Silvio had tot voor kort niet de gezonde levensstijl die je van een hardloper verwacht. Hij rookte een pakje per dag en ook het alcohol liet hij zich welgevallen. Misschien om de stress van de problemen van de jeugd van de Parijse buitenwijk waar hij mee werkte te hanteren. Maar de laatste maanden heeft hij zich in dat opzicht sterk verbeterd. Bij de tijd dat twee vrienden in Iten aankwamen rookte Silvio nog maar één sigaret per dag.

Silvio, Silvio. Dat hij de tijd van zijn leven had was aan alles te merken. Dagelijks groette hij iedereen hartelijk in gebroken Engels met een onverstaanbaar Frans accent. Maar woorden had hij niet nodig, want zijn vrolijkheid werd door iedereen begrepen. Van zijn lichaam vroeg hij bijna het onmogelijke, door dagelijks met doorgewinterde atleten op pad te gaan en dan al snel af te moeten haken en uitgeput terug te komen terwijl de anderen al lang klaar waren met het stretchen na de training. Maar daar liet hij zich niet door ontmoedigen. Op een gestolen moment in de middag verliet hij dan het trainingskamp om met een sigaretje nieuwe moed te vinden voor de volgende dag.

Silvio, Silvio. We zijn allemaal fan van je geworden. Op tweede kerstdag namen we afscheid. Lachende gezichten, want je vrolijkheid was het geheime ingrediënt voor een goede trainingsdag. Het gewone leven riep jullie weg. Terug naar de wereld waarin hardlopen een eenzame hobby is. Alle atleten die in het kamp verbleven zwaaiden je uit toen jullie met een Matatu het kamp verlieten. Op je beide wangen blonken tranen als parels…

Sneeuw in het Panbos

Vanaf de verlichte straatweg lijkt het Panbos gehuld in duisternis. Maar zodra je vanaf Z. over het kronkelende pad langs het elektriciteitshuisje het bos in draait, wennen de ogen snel. De door straatlantaarns oranje gekleurde wereld maakt gauw plaats voor een mystieke zwartwitfilm met silhouetten van naakte bomen en takken die afsteken tegen de witheid van de sneeuw. Het is de eerste sneeuw van deze nieuwe winter. Net als vorig jaar verken ik de bospaden die nog onbelopen zijn. In de centimeters dikke laag laat ik zwarte plekken na, als bloeddruppels van een gebroken maagdenvlies.

Het magische licht, dat geen schaduwen werpt, lijkt van boven de komen, net als de aanhoudende sneeuw. Een licht dat niet afkomstig is van de maan, want die komt in haar laatste kwartier pas op als de nacht al een flink eind onderweg is. Het zal van de stad komen, die haar verkwiste energie weerkaatst ziet in de wolken, volgens de eerste wet van de thermodynamica.

Als ik op een kruispunt van paden stop, heerst er stilte die nog extra benadrukt wordt door een eindeloze stroom van witte, zwevende vlokken, die elk afzonderlijk met een unieke parachutesprong neerdwarrelen en samen een deken vormen die de aarde beschermt tegen de kou. Ik stel me voor dat iedere sneeuwvlok een mensenleven symboliseert: na de baring door de wolk kiest ieder individu min of meer zijn eigen weg. Toch is het maar de vraag of ze daadwerkelijk zelf kiezen, of dat ze worden meegedragen door de wind en door kleinere luchtstroompjes. Hoe dan ook, uiteindelijk dalen ze allemaal neer, behouden nog enige tijd hun kristalvorm maar worden dan anoniem opgenomen in het sneeuwdek dat de geschiedenis van de gevallen vlokken behelst. Verloren zielen.

De sneeuwvlokken die elk hun unieke weg volgen, doen dat zonder te botsen. Er zullen er vast wel zijn die elkaar raken, kristallen grijpen elkaar vast aan de dendrieten en dwarrelen samen verder, maar dat alles gebeurt in stilte. Geen doodse stilte, maar een vredig en berustend zwijgen. Daarin ligt dan ook het verschil met de mensheid. Wij vliegen elkaar in de haren, beklimmen een politiek podium en scanderen fascistische teksten onder het mom van vrijheid van meningsuiting.  En als we dan uiteindelijk neerkomen op de grond gaat dat gepaard met gejammer en gekerm hoewel het bij de baring al duidelijk was dat de vlucht ooit zou eindigen.

Hier, in het Panbos, worden gedachten gesmoord door de dempende deken van ijskristallen. Meningen zijn overbodig geworden. Al het leven kleurt vanavond zwart terwijl het levenloze gehuld gaat in een witte deken. Tientallen zwarte hoopjes liggen op een veld van landgoed Houdringe, maar die hoopjes blijken te leven als ik passeer, ze stuiven uit elkaar: konijnen. En in het dennenbos van landgoed Beerschoten schiet een ree als een flitsende schaduw over het pad. Was onze gekleurde wereld maar zo als die van het Panbos in de winter: koud en wreed, zwart-wit, maar wel eerlijk en zonder schijn of verborgen bedoelingen.

Een succesvol leven in 24 uur

Nacht. Alles slaapt en is stil. Misschien dat de wind door de bossen jaagt, of de regen op de daken slaat, maar niemand die het hoort. Het bewegen van de borstkas doet leven vermoeden, maar ook niemand die dit ziet. Laat staan de beelden die zich op de cortex projecteren: illusies en dromen. Groots in ambitie, maar onschuldig omdat ze vergeten zullen worden.

Ochtend. Nog voor de wekker gaat een voorzichtig ontwaken. Vroeg schouwspel van kleuren aan de hemel: een belofte van een zomerse dag. Maar de wereld gaat nog gehuld in een sluier van mist. Duidelijk is het, dat ze wat te verbergen heeft. Je trekt je schoenen aan om de nieuwe dag te vieren. Een eerste begroeting van een jonge vrouw die je bewonderend toelacht: “dat ziet er soepel uit! Mooi! Sterk!” Dat ze een vermomming is van de duivel realiseer je je later pas, veel te laat. Maar voor nu: talent wordt belofte, een drang om te worden. Al snel vallen records aan diggelen. De wereld ademt plezier, iedere overwinning wordt gevierd. Niet om te gedenken wat is bereikt, maar om te vieren dat nog meer je te wachten staat.

Het middaguur. Als je je op straat begeeft, klampen mensen zich aan je vast, zo beroemd ben je om je daden. Medailles hangen aan de muur en je lacht de wereld toe vanaf de billboards langs de kant van weg. Nog nooit heb je zoveel vrienden gekend: iedereen wil een slokje uit de graal van succes. De zucht naar meer. Een enkeling keert zich van je af en spuwt op de grond van jaloezie. Gewend zijn we eraan tot de besten te worden gerekend, terwijl de dag pas halverwege is. Zoals de zon haar weg aan de hemel zoekt dat ben jij: steeds hoger. Met het verschil dat de zon weet dat ze ook weer af zal dalen, en morgen opnieuw haar baan zal kiezen. Oneindige cycli, die zich in de zomer steeds hoger wagen, in de winter bescheidener maar het jaar erop opnieuw steeds hoger komen. Maar jij, als je in de ochtend zo hoog geklommen bent, dan is het toch zonde weer af te dalen! Je neemt je voor om, in tegenstelling tot de zon, nog hoger te klimmen, je plek te kiezen in het zenith en de zon overbodig te maken door altijd je licht over de wereld te verspreiden. De mensheid zal je dankbaar zijn, omdat de nacht tot het verleden behoort. Altijd zullen er mensen omhoog kijken en je bewonderen.

Namiddag. Je krijgt een eerste kleine tegenslag is te verwerken. Het succes van de ander is vast tijdelijk, een eendagsvlieg. Straks zul je weer bovenaan staan, de plek innemend waar je hoort. Een volgend verlies vraagt om verandering. Er hapert iets, het is zaak de boel weer op de rails te krijgen. Even later dienen zich volgende tegenslagen: blessures en, erger nog, de buurman die je voorbij rent. Welk onrecht wordt je aangedaan? De ouderdom dwingt je op je knieën, maar toegeven zul je niet. Strijdvaardig als op vroegere uren duw je je tegenstanders aan de kant. Je zult ze laten zien dat er niet me je te spotten valt!

Avond. Een enkeling die je nog herkent. Was jij niet de man die toen op nummer 1 stond? Wil je dat liedje nog eens voor me zingen? Je staat voor een keuze: blijf je standvastig strijden tot de dood, of werp je de handdoek in de ring? Er is eigenlijk geen keuze, want de ouderdom tast je lichaam aan terwijl de roem je geest al heeft aangevreten. Verdoemd die vrouw die jou toen zo bemoedigend toesprak. Nu herken je de duivel in haar, maar het is al te laat. Er zijn middelen die je het oude, bekende gevoel weer geven. Poedertjes. Of nog een laatste heldenvlucht als superman van een flatgebouw af. Het moet een kortstondig gevoel van macht geven, de wereld die weer op je afkomt.

Nacht. Woelend grijp je naar het potje slaappillen. Sluimering maakt zich van je meester maar de rust heb je nooit meer hervonden. Je wordt weer wakker uit een nachtmerrie: een stadion vol mensen met witte zakdoekjes. La pañolada. Een van de zakdoekjes waait naar je toe, wordt groter en groter, en valt als een parachute over je heen. Handen knopen haar dicht terwijl je geen woord kunt uitbrengen. Onbekenden dragen je weg, komen tot stilstand bij de waterkant. Terwijl je in de verte twaalf klokslagen hoort beland je met een zwaai in het water. Een plons en water dat snel door het laken heen lekt en je neus binnendringt. Geen dood erger dan de verdrinkingsdood, die je doet verstikken in de stille duisternis van de Ganges.

Het is triest om te zien hoe Yuri van Gelder nu publiek ten onder gaat. Bram Bakker laat in het NRC optekenen dat topsporters die niet langer winst opleveren worden weggegooid. Niets zo vergankelijk als succes en de daarmee gepaard gaande bewondering. Als sporter moet je uitkijken dat die zucht naar bewondering niet de belangrijkste drijfveer wordt. Dat geldt natuurlijk niet alleen voor sporters, maar ook voor muzikanten, politici, wetenschappers en ieder ander. Want wat onderscheidt eerzucht eigenlijk van ambitie? Bewondering en aandacht doen bloeien, maar wat als we minder krijgen dan waar we naar streven? De eerzucht neemt, volgens La Bruyere, alle andere hartstochten in zich op en geeft hun een tijdlang de schijn van alle deugden. Bewondering maakt de mens slaaf van haar ambities. Pas daarom op voor complimenten – accepteer ze als uiting van vriendschap, maar wees er niet gevoelig voor, want wat doet de mening van een ander er eigenlijk toe?

In memoriam: de Veluweloop

Vanochtend zag ik een oude man hardlopen. Nauwelijks kwam hij vooruit, maar het was mooi om te zien. Zijn armen zwaaide hij langs het lichaam alsof zijn leven ervan afhing – misschien deed het dat ook wel, je weet het maar nooit met die oudjes. Boven de tachtig was-ie. Daar heb ik respect voor!

Zo teken ik op van mijn broer, aan tafel in een cafe. In mijn familie is er weinig begrip voor mijn hardlopen. Gewerkt moet er worden, de dieren voeren, appels rapen en de moestuin omspitten. Hardlopen om weer op dezelfde plek terug te komen is zonde van de tijd en energie. Ze doen hun best wel om interesse te tonen maar het blijft vreemd gedrag van de zoon die stedeling is geworden.

In die stad wordt veel geschreven en gesproken over het verschijnsel van de laatste ‘hardloopgolf’. Miljoenen mensen steken zich in strakke, felgekleurde kleding, en witte schoenen met dikke, dempende zolen. Die hardlopende oude man is het ideaal van de moderniteit: het ontkennen van ouderdom. Juist omdat we geen lichamelijk werk meer verrichten gaan mensen sporten, een nutteloze besteding van energie die ons, tegenstrijdig genoeg, zonder netto opbrengst toch voldoening geeft.

‘s Ochtends liep ik een etappe van de Veluweloop als gastloper bij een oud-Tartlétos* team: tobbe(n)metWobbe. Het enthousiasme van het jaarlijkse hoogtepunt wordt getemperd door excuses. “Ja, ik woon wel aan de rand van het bos, maar voor hardlopen heb ik geen tijd meer. Kinderen, weet je, daar moet je nooit aan beginnen.” Lichamen, die ooit als jonge goden over de atletiekbaan vlogen, beginnen hun mankementen te vertonen – een kwestie van gebrekkig onderhoud. Voor het team maakt het niet uit, want de instelling is recreatief, maar ik gok dat de constatering van de fysieke teloorgang de oud-atleten toch wel in hun ziel moet treffen.

Wobbe, naamgever van het team, voldoet wel of niet aan de hooggespannen verwachtingen door al na één kilometer met kramp op te moeten geven. Zijn etappe wordt overgenomen door de meefietser. Gekkenwerk, dat hardlopen, en al helemaal als fietsteam, wat betekent dat je zo’n tachtig kilometer meefietst terwijl je ook nog moet hardlopen. “Meer dan mijn maandelijks gemiddelde,” meldt Wobbe trots, doelend op zowel het hardlopen als het fietsen.

Tobbe(n)metWobbe is niet het enige team dat begint te haperen en waar de doorgeroeste onderdelen van afvliegen. Welbeschouwd is de Veluweloop, een estafette die haar oorsprong kent in de studentenatletiek, een reünie geworden van honderden oud-atleten. Enkele studententeams lopen er wat verdwaald tussen. Eén student zag ik kokhalzen, waarschijnlijk was de antiperistaltiek van de slokdarm opgewekt door de confrontatie met de ouderdom.

Vijf-en-tachtig teams hadden zich ingeschreven. Ver onder de norm van honderd die enkele jaren geleden nog als de ondergrens van rendabel was genoemd. De jammerlijke teloorgang van de meest charmante estafette van Nederland. Hoe bestaat het, nu iedereen massaal de hardloopschoenen aantrekt? Heeft de estafette een stoffig imago, wordt er te weinig reclame gemaakt, of is er te weinig draagkracht onder het Wageningse studentenleven dat de laatste jaren steeds internationaler is geworden?

Het winnende team bestaat voor een groot deel uit studenten. Maar ze rijden met busjes in plaats van op de fiets. Ze hebben dus wel gewonnen maar eigenlijk niet echt meegedaan in de ogen van de fietsende ploegen. De charme die de Veluweloop nog altijd heeft is juist de kneuterigheid en de schoonheid van het landschap, en die beleef je niet vanuit een busje: de vroege zonnestralen die zich aftekenen tegen de mist in het bos dat nog wakker moet worden.

Op de Beerenberg, vlakbij de herstart in Arnhem, ligt de grote begraafplaats Moscowa. Ruimte genoeg voor een massagraf met een grafsteen: De Veluweloop 1980-2010. Rust in vrede.

(*)Tartlétos is de organiserende studentenatletiekvereniging van Wageningen.