







De rivier stroomt en kolkt met donkere golven, onrustig, alsof ze veel sneller gaat dan ze eigenlijk zou willen. Sinds ze open brak, een goede week geleden, draagt ze ijsbrokken mee, platen en schotsen, afscheidskusjes van de winter. Stroomafwaarts worden ze opgelikt door de zon, die dagelijks aan kracht wint en van de vroege ochtend tot laat in de avond aan de hemel staat.
Naarmate de rivier tot wasdom komt, wordt ze wilder, en daarin verschilt ze van de mens, die trager wordt, rigide, zijn hart verzwakkend. Ik sta aan de oever en tel haar golven. Ik zou me met haar willen verenigen, me in haar baden en misschien laten meesleuren met haar driften, met haar woelen en worstelen, mijn noodkreet ongehoord, in haar woede gesmoord, ik zou mijn buik op een ijsplaat drukken en de zon op mijn rug voelen schroeien.
Alles is in beweging, niet alleen het water, maar ook het bos en de luchten, nadat alles zo lang heeft stilgestaan, gestold, in ijs of in ijzer gegoten. Nu mengt het luidruchtig gewoel van de rivier zich met het geraas van een vrachtwagen over de oude stalen brug, verlicht door het geschreeuw van meeuwen, sternen en uit de berken het getjilp van vogels, die ondanks alles zijn teruggekeerd. De berken zijn nog kaal, maar het bos kleurt groen van de pijnbomen, die in de winter zwart waren, met wit aangekleed. Het is nauwelijks voor te stellen dat je een week of twee geleden nog veilig over het ijs kon gaan. De vissers boorden hun gaten en hesen om de haverklap met hun korte pilkki-hengel vissen uit de diepte.
Zo wordt haar lichaam gevormd en gekneed door de tijd, het jaar en zijn seizoenen, net als ik, bemerk ik als ik bij thuiskomst in de spiegel zie dat de golven van de rivier zich in mijn voorhoofd aftekenen. Iedere keer als de rivier open breekt zullen zich nieuwe rimpels vormen en zullen de oude dieper worden. Ooit zal ik door de stroom worden meegesleurd, oplossen in het niets, en dat is een gedachte die me hoopvol stemt.
Vandaag stond haar naam niet meer op de lijst. Natuurlijk was er de mogelijkheid dat ze was overgeplaatst naar Helsinki, waar ze af en toe naartoe werd gereden – een reis van twaalf uur – maar het lag nu eenmaal in de lijn der verwachtingen dat ze een dezer dagen er niet meer zou zijn.
In de kamer van de verpleegkundigen werd ik bijgepraat. Op mijn vrije dag was het snel bergafwaarts gegaan en op het eind van de middag was ze overleden.
Zij – een meisje van nog geen twintig dat me telkens aan mijn jongste zusje deed denken. Zij, een meisje dat altijd ziek was geweest, twee longtransplantaties achter de rug had en de afgelopen maanden bijna continu in het ziekenhuis had gelegen. Zij, die niet over de dood wilde denken of praten en altijd ihan hyvä, prima, antwoordde als ik vroeg hoe ze het maakte. Maar ze had wel pijn en ze wist dat het einde in zicht was.
En wij, dokters en verpleegkundigen, wij waren machteloos. Wij deden alles om haar leven zo lang mogelijk te rekken. Zelfs in de laatste dagen, toen we er bijna zeker van waren dat ze deze infectie niet meer zou overleven, we bleven haar volstoppen met medicijnen, niet alleen middelen die het leed moesten verlichten maar ook met antibiotica en middelen die de afgestoten long nog zoveel mogelijk moest beschermen. We brachten haar zelfs nog naar de intensive care om onder narcose haar longen schoon te kunnen spoelen, terwijl we vermoedden dat het allemaal niets meer uit zou halen.
Toen ze in slaap werd gebracht zag ik de angst in haar ogen en toen wist ik dat zij besefte dat het hoogstwaarschijnlijk het laatste wakkere moment van haar leven was.
Waarschijnlijk… Het was de onzekerheid die ons dreef, dat verschrikkelijke hellend vlak van hoop naar wanhoop. We zetten in op die paar procent kans dat ze nog een week of hooguit twee zou leven, weken die ze waarschijnlijk toch niet thuis zou hebben kunnen doorbrengen. Nu zie ik pas in hoe onzinnig dat was. Dat is achteraf, maar op dat moment, toen ze in ademnood op bed zat, leek het de enige optie om nog eens alles uit de kast te halen. Zij was nog zo jong, en jonge mensen sterven niet.
Zij dacht er waarschijnlijk anders over, dat realiseerde ik me toen ik die laatste wakkere blik van haar zag. Ze was niet meer bang voor de dood, maar wel voor de machines die haar leven moesten rekken. Toen ik die avond naar huis ging liet het me niet los. Ik had geen energie om te gaan joggen, niet eens om een boek te lezen en in plaats daarvan keek ik een film op televisie.
Manolete, een Spaanse matador, is verslaafd aan zijn angst voor de dood en als Lupe Sino, zijn geliefde, niet bij een stierengevecht is wil hij sterven… Laat het nu juist Penélopez Cruz zijn die Lupe Sino speelt. Schaamteloos heb ik gehuild. Om de film natuurlijk, niet om mijn jonge patiënte, want dokters huilen niet.
Vanochtend, toen ik na de ronde over de afdeling alleen in mijn werkkamer zat, pinkte ik weer een traantje weg, alleen was er nu geen Penélopez Cruz die me een excuus verleende. Ik ging naar het hoofd van de afdeling met het idee om een bijeenkomst met de verpleegkundigen te regelen, want die moeten het er zwaar mee hebben gehad. Ze keek een beetje vreemd op van mijn voorstel. Maak je daar maar niet druk om, zei ze, daar hebben we een protocol voor. Ik droop af maar liep nog wel even langs de verpleegkundigen, en ja, om drie uur ’s middags zou er een bijeenkomst zijn waarbij ook een psycholoog aanwezig zou zijn.
Daar heb ik natuurlijk niets te zoeken, dacht ik bij mezelf, maar besloot toch mee te gaan, en daar zaten we dan, ook ik. ‘Eigenlijk huil ik nooit,’ probeerde ik nog.
April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.
From: The Waste Land, T.S.Eliot
Bij Rovaniemi is het ijs op de Kemirivier nog dik genoeg om overheen te lopen, maar de zomer staat voor de deur. In de stad en op de zuidelijke hellingen van de heuvels is de sneeuw grotendeels verdwenen. De dagen lengen rap, over zeven weken zal de zon beginnen aan haar toer van dertig rondjes aaneen boven de horizon.
Een week of twee geleden hoorde ik een klank die deed denken aan koperen kerkklokken en zilveren trompetten. Onmiskenbaar: de zangzwaan was terug. En er zijn meer vogels, je hoort ze overal sjilpen en kwetteren. Kort geleden was de specht nog de enige vogel die ik hoorde als ik ’s ochtends naar mijn werk liep. Aan de straat langs de rivier hakten ze in op de zinken kappen van de straatlantaarns, de speelse percussie wekte de serene witheid tot leven. De spechten zaten in vier of vijf straatlantaarns en hielden zich stil tot je onder ze doorliep. Ochtend na ochtend klonk hetzelfde galmende spel, ze moesten zich kosteloos hebben vermaakt om de mensen die onder hen voorbij kwamen en verwonderd opkeken.
De wegen en paden die tot voor kort nog als gefreesde groeven door het landschap liepen, zijn inmiddels vrij van sneeuw. Op verschillende plekken in het land hebben ze te maken met overstromingen, een krachtige lenteschoonmaak. De beren zijn al ontwaakt en de mens lacht, meer dan anders. Maar de bloesem, de bloemen en het groen laten nog even op zich wachten. Iedere dag ziet er anders uit, alles is onderhevig aan verandering. Waar de winter eindeloos duurt, is de lente vluchtig. Daarin schuilt zowel wel de schoonheid als de wreedheid van april.
In 1991 overleed Queen-zanger Freddie Mercury aan aids, ten gevolge van Hiv-infectie. Dat betekende een keerpunt in de geschiedenis van de ziekte, want ineens raakte ze het hart van de westerse samenleving, terwijl aids voordien voornamelijk een ziekte was van Afrika en van minderheden waarmee de gemiddelde westerling zich niet identificeerde. Vanaf dat moment heeft de sociale acceptatie en de aanpak van hiv en aids grote sprongen gemaakt, waarvan het effect bekend is. Hiv is een behandelbare ziekte geworden en inmiddels daalt het aantal nieuwe infecties wereldwijd.
In 2016 overlijdt Johan Cruijff aan longkanker. Zonder op de hoogte te zijn van de details van zijn ziekte, is er voldoende reden om aan te nemen dat zijn moordenaar Tabak heet. Dat wordt echter in de media verzwegen omdat men bang is de indruk te wekken dat longkanker een kwestie van ‘eigen schuld’ zou zijn. Dat is onterecht, want het lijden aan een ziekte is nooit een morele kwestie. Soms hebben we daar iemand als Freddie Mercury of Johan Cruijff voor nodig om dat in te zien. Hoewel een roker gemiddeld ongeveer tien jaar aan levensduur inboet en daarnaast ook nog eens veel vaker ernstig invalideert, is dat niet waar de roker voor gekozen heeft. De roker kiest voor roken, niet voor de schadelijke gevolgen ervan.
Johan Cruijff was ooit een fervent roker, maar als hij in 1991, het jaar dat Freddie Mercury overlijdt, een bypassoperatie moet ondergaan vanwege kransslagaderverkalking, is dat voor hem reden om te stoppen met roken. Hij neemt deel aan een antirookcampagne, waarin hij zegt: ‘Ik ben Johan Cruijff. Ik ben aan twee dingen verslaafd geweest. Roken en voetbal. Voetbal heeft me alles gegeven in het leven. Roken heeft me bijna het leven gekost.’ De Spaanse versie van de reclame eindigt met de zin Fumar te mata (roken is dodelijk).
Als arts op de longafdeling in een ziekenhuis in Finland word ik dagelijks geconfronteerd met de verschrikkelijke gevolgen van roken. Als ik op de sociale media tabak aanwijs als de moordenaar van Cruijff wordt dat me echter niet in dank afgenomen. Het zijn vooral rokers die het onkies vinden, en als reactie schrijven dat er ‘zoveel in het leven ongezond’ is. Doordat tabak als doodsoorzaak in de taboesfeer wordt gehouden, beseffen mensen niet hoe schadelijk het roken is. Bijna iedere roker gelooft zelf aan de dans te ontspringen daarmee is het roken een lugubere loterij.
In Finland rookte in de jaren ’50 maar liefst tachtig procent van de mannen, tegenwoordig is dat nog maar vijftien procent en bij de vrouwen ligt dat percentage op bijna hetzelfde niveau. De regering heeft een rookvrij Finland als doel gesteld, waarbij het streefpercentage rokers onder de vijf procent ligt. Ook in Nederland is het aantal rokers gedaald, maar het percentage rokers ligt nog altijd boven de twintig procent.
Mede door de sterke tabakslobby sterven in Nederland jaarlijks naar schatting tienduizenden mensen aan de gevolgen van roken. Daarmee is de tabakslobbyist gevaarlijker dan een gemiddelde terrorist. Toch wordt roken niet als een veiligheidsrisico beschouwd. Als reactie op de terroristische aanslag in Brussel schreef Arnon Grunberg op 23 maart in zijn voetnoot: ‘Terrorisme is zelden een reële bedreiging voor staten. Op het hoogtepunt van de Tweede Intifada, toen er elke week een of meer aanslagen in Israël plaatsvonden, merkte een Israëlische minister terecht op dat er nog altijd meer verkeersdoden in Israël vielen dan dat er mensen stierven aan terrorisme.’ Grunberg had even goed met tabaksdoden kunnen vergelijken.
De roker beschouwt het recht op roken soms als een vrijheid, maar als arts stel ik vast dat roken te vaak zijn gevangenis wordt. De keuze om te gaan roken is meestal niet een keuze van rationele afwegingen en dus voldoet die keuze niet aan werkelijke vrijheid, waarbij de consequenties idealiter worden overzien. Ik zie mensen, soms al op jonge leeftijd, lijden en sterven aan tabak. De eerste keer dat ik in Nederland euthanasie meemaakte, was bij een vijfendertigjarige vrouw die vanwege hoofdpijn bij de dokter kwam, wat het gevolg bleek van uitgezaaide longkanker. In enkele weken tijd waren de duizeligheid en pijnen zo hevig dat slechts euthanasie haar uit het lijden kon verlossen. Nu hebben we ook een van onze grote nationale helden aan de tabak verloren. Ik meen dan ook dat ik in de naam van Johan Cruijff zijn moordenaar aan te mogen wijzen: Fumar te mata.