Eens stad der steden (2)

Een dame komt aan mijn tafel zitten. Ze heeft een wat ovalen gezicht, donkere ogen, en een neus die een aparte eenheid vormt. Ze lacht, en zegt dat ik mooi haar heb. Ja, het was me opgevallen dat ik er anders uitzie. Iedereen hier heeft donker haar. De mannen kortgeknipt, de vrouwen meestal lang. Het haar van de mannen lijkt zwarter dan dat van de vrouwen, misschien het effect van een kastanjebruine spoeling. Bij vrouwen weet je nu eenmaal nooit helemaal zeker wat nou echt is. Op straat had ik met een snelle blik op de spiegeling in een winkelraam mezelf ervan vergewist dat ik nog steeds blond was, en in de spiegel in het hotel had ik even later de haartjes op mijn kin nader bestudeerd. Op sommige plekken neigden ze naar lichtbruin, terwijl de haartjes direct onder mijn lippen haast spierwit waren. Als ik een hond was geweest, dan had ik er vast uitgezien als de hond van mijn moeder die afgelopen zomer overleden was. Langharig, lichtbruin en symmetrische witte vlekken. Een lieve hond was dat geweest.

Ik leg mijn handen op tafel zodat ze de ring aan mijn vinger kan zien.

‘Getrouwd?’ vraagt ze en ik knik. Ze pakt mijn wijnglas en brengt het naar haar lippen. Ze kijkt me aan terwijl ze langzaam een paar slokken neemt.

‘Wat schrijf je?’ vraagt ze, terwijl ze door mijn schriftje bladert. ‘Zelfs als ik je taal zou beheersen, zou ik hier volgens mij hier niets van kunnen maken.’

‘Maar het maakt niet uit,’ voegt ze eraan toe. ‘Taal is veel meer dan woorden. Een goede schrijver heeft geen woorden nodig.’

Het door twee monden beroerde glas staat tussen ons in op het tafeltje, smekend om een bekentenis die ik weersta.

‘Lisboa is een erotische stad,’ stamel ik, en dan knipper ik met mijn ogen. De dame is weg en ik laat mijn glas bijschenken. Ik blader een bladzijde terug in mijn schriftje en dan is ze weer, de vrouw zojuist die me poogde te verleiden tot een fictief overspel.

‘Lisboa is een erotische stad,’ fluister ik in haar oor en ik snuif de parfum op in haar hals.

’s Nachts word ik wakker uit een droom waarin ik een jonge blonde vrouw het hof maakte. ‘Een pure schoonheid,’ zo sprak ik over haar waar ze bij zat. Ik roemde de trekken in haar gezicht, haar contouren en de tint en dikheid van haar haar. Dat alles zei ik zonder haar aan te kijken en zonder het woord tot haar te richten, want dat zou zijn als drinken aan het glas dat door de lippen van de Portugese dame beroerd was.

Om negen uur ’s ochtends weergalmt het luide geraas van de metro door de wit betegelde hal van metrostation van Chiado. Het geluid klinkt diep en warm, welt aan en tot er niets anders lijkt te bestaan. Het is geen lawaai maar een muziek waar de saudade in doorklinkt. Hier, onder de grond heersen de sentimenten van de stad. Het is meer dan erotiek, besef ik, wat ik voor Lisboa voel, het is een vorm van agape, de allesomvattende, harmonische liefde. Waar elders de metrolijnen het terrein vormen van haastige mensen, gaat hier alles gestaag als de stroom van de Taag. Een golf mensen stroomt bedaard omhoog tegen de trap op, en ik roei me in het midden tegen die stroom in naar beneden.

Tien minuten wacht ik op de volgende metro en op het tegenoverliggende perron verschijnen mensen waarvan de meeste als een lantaarnpaal met het gezicht naar beneden op hun mobieltjes staren. Handig vegen ze met hun linkerduim terug in hun tijdlijn. Er zijn ook mensen met een boek of een tijdschrift, maar die zijn in de minderheid. Een jonge man met een opengeslagen lange, zwarte jas staart wijdbeens voor zich uit, type maarschalk uitkijkend over een slagveld. Uit zijn oren lopen zwarte snoertjes naar zijn jaszak. U2 bedenk ik, wetend dat ik er hoogstwaarschijnlijk ver naast zit. Wachten is een kunst, die ik pas geleerd heb toen ik Nederland vaarwel zei.

Alle metrostations groeten Saída, en ik moet telkens aan een Amsterdamse moeder denken. Lisboa heeft in een oogwenk mijn hart gestolen, en dat had ik van tevoren kunnen weten: stad van Odysseus, stad van Pessoa, Slauerhoff, de fado en natuurlijk de ontdekkingsreizigers.

In de metro bestudeer ik de neuzen van de mensen, die onderling allemaal verschillen maar toch gelijken. Die van mij past daarbij, bedenk ik me. Ik weet dat ik Moors bloed heb, misschien reiken mijn wortels wel tot de ziel van deze stad, misschien ben ik haar verloren zoon. Die blonde kop die me anders maakt, is slechts een kleurenspoeling van de tijd, aangebracht door tussenliggende generaties.

Eens stad der steden (1)

Het is moeilijk voor te stellen dat Slauerhoff hier eens is geweest. Het is ook niet zo, niet in deze stad, met haar drukke weg over de oevers van de Taag, waar geen fado meer te horen is. Er valt nauwelijks te flaneren en de saudade heeft plaats gemaakt voor security guards. Was het wiel maar honderd jaar later uitgevonden, denk ik vaak – wat maakt dat nou uit, die honderd jaar in de menselijke geschiedenis? Als alle technologische ontwikkeling honderd jaar later was geweest, hadden we nu de eerste wereldoorlog zowat achter de rug. Mijn astma zou, ook in die tijd, geen schaduw van die van Slauerhoff zijn geweest, misschien had ik de tuberculose ontlopen. Als ik in zijn tijd had geleefd, zou ik hem hebben liefgehad als een broer, wat ik nu trouwens ook doe, ondanks die ene eeuw tussen ons in.

Tussen twee haakjes, het grootste probleem van deze tijd is misschien niet de onverdraagzaamheid, maar die vervloekte overbevolking. Als een flink virus de wetenschappers de baas is en de wereldbevolking tot een tiende uitdunt, komt er misschien ooit nog zoiets als een biologisch evenwicht. Dat schoot door me heen toen ik vanmorgen over Frankrijk vloog, de dorpjes in een groen landschap zak liggen maar wist dat het volk niet at van het landschap eromheen, maar grotendeels voedsel tot zich nam dat van ver kwam. Overbevolking en grootschaligheid, dat is het probleem.

Lisboa – nee, de stad is niet wat ze geweest moet zijn. De heuvels liggen er nog wel, met hun huizen en kerken ertegenaan, de straten als touwtjes van een rollade. Langs die touwtjes klimmen minitrams omhoog en omlaag, ze hebben iets plechtstatigs, iets van vroeger, maar de fado? Her en der klinkt ze wel, maar dan stel ik me voor dat de muziek tot vervelens toe wordt gedraaid, in leven gehouden door het toerisme.

Het reizen is iets waar het individu de vruchten van plukt, maar het put de samenleving uit. Als gevolg van de globalisering, willen we overal ter wereld dezelfde muziek horen, hetzelfde eten, dezelfde architectuur. Remco Koolhaas past in iedere stad. Mooi voor Remco Koolhaas, maar het levert ons eenheidsworst op.

Vandaag wandelde ik om een geschikte plek te zoeken om te eten en te schrijven. Ik doorkruiste Chiado en Alfama, kocht Engelstalige bundel van Pessoa bij een winkel die zich de oudste boekenwinkel ter wereld noemde en uiteindelijk kwam ik bij een onvermijdelijk eigentijds tentje in het centrum van het toeristengebied. Ik at wat vegetarisch en toen ik hongerig bleef toch wat vlees, daarna wandelde ik door om nog een tweede wijn te plukken bij Frutaria Saldanha na even aan het eind van het straatje te hebben uitgekeken over de zwartheid van de nachtelijke Taag, en de enorme brug en het verlichte Jezusbeeld aan de overkant van het water. Er reden nog steeds auto’s over de oevers, maar het geluid drong niet door tot de plek waar ik stond. Stil was het nou ook weer niet, maar op de een of andere manier… gemoedelijk, zwoel…

Hoe zijn onze steden over vijftig, honderd jaar?

De nacht was helder. Misschien onbewust speurend naar het noorderlicht, wat hier natuurlijk niet te zien was, zag ik Orion, veel hoger en kleiner dan ik gewend was. Dat, en de overgang van -16 graden ‘s ochtends in Rovaniemi en +15 overdag in Lissabon, maakt de overbrugde afstand aanzienlijk. De wereld was veel kleiner of Europa veel groter dan ik altijd dacht. En de glazen werden voller geschonken voor veel minder geld, en even later zwalkte ik aangeschoten door de steegjes terug naar mijn hotel. Na negenen waren de boekwinkels nog steeds open, en ik vroeg me af of dat een gevolg of een voorwaarde was van een waarlijk literaire stad.

De pestvogel

Iets na elf komt de zon op om tweeënhalf uur lang over de horizon te balanceren voordat hij weer ondergaat. Puur technische cijfers zijn dat, want zelfs als het niet bewolkt zou zijn, dan zou de zon niet boven de bosrand aan de andere kant van het moeras uitkomen. Maar toch: daglicht. En nog beter: aanhoudende kou, waardoor aan het eind van een week tussen de vijftien en twintig onder nul alle bomen wit zijn van een dikke laag rijp. Vandaag heb ik een vrije dag en ik heb me voorgenomen op zoek te gaan naar de pestvogel. Het getjielp dat ik deze week tijdens het hardlopen hoorde, heeft me hongerig gemaakt.

Naar buiten hoef ik niet eens, zie ik als ik de gordijnen openschuif. Een heel squadron pestvogels is neergestreken in de lijsterbes. Ónze lijsterbes. Tientallen zijn het er, ik kan mijn geluk niet op. Daar zitten ze met hun felle kleuren en hippe kuifjes, ze fladderen van tak naar tak, rukken aan de trossen en bezorgen elkaar zo een sneeuwdouche. Hoe de pestvogel aan zijn Nederlandse naam komt, is me een raadsel. In het Fins heet hij Tilhi, en die naam van hem zingt hij graag. De dikste van hen zit op een goede meter afstand van mij. Ik knip het licht uit, zodat ze zich niet aan me zullen storen en grijp de camera. Een tiental foto’s schiet ik van die prachtige vogel, maar dan vind ik het genoeg. De driedubbele laag glas van het raam tussen ons in is me te veel. Ik moet naar buiten, ik wil het gefladder horen en hun hoge, schriele zang.

Buiten schiet ik vlug nog een foto en dan vertrek ik voor mijn wandeling, om geen vogel meer te zien, geen kleuren ook. Alles is wit, alles is bevroren en stil. De sneeuw is nog vers, witter dan je je kunt voorstellen en de hemel, met flinterdunne bewolking, kleurt langzaam paars en blauw.

De charme van sneeuw

Sneeuwkegels in de lijsterbes

De trossen van de lijsterbes zijn bekroond met sneeuwkegels van wel twee vuisten hoog. Het ziet er feestelijk uit, maar ik ben bang dat de kegeltjes de kerst niet halen. Een moment van dooi of een baldadig windje, en het hele kunstwerk valt uit elkaar.

Bezoekende Zuid-Finnen spreken graag hun bewondering uit over onze Lapse winter. Ihana, kaunis, en door al die sneeuw is het hier veel minder donker. Wel ja, met al ruim vijftig centimeter lopen we inderdaad voor op schema, maar als de bewondering ons genoeg is, is er altijd wel iemand die opmerkt dat het voor bezoekers best wel mooi kan zijn, maar die mogen dan ook wel blij zijn dat ze niet dag in dag uit sneeuwruimwerk hoeven te doen. Dan volgen de verhalen over het gevoel dat ons bekroop op het moment dat de gordijnen werden opengeslagen, en dat er door al dat sneeuwruimen geen tijd was om te ontbijten. En vervolgens, bij thuiskomst…

Dichteres Heli Laaksonen schreef in Zuidwest-Fins dialect een vermakelijk stukje over de betrekkelijke charme van sneeuw: Ihana talvi. In dagboekvorm verandert de prachtige sneeuw van 1 januari in een week tijd gradueel in Saatana, 12 perkelee sentti uutta vitu lunt ja vitu ränttä ja vitu jäät, waarvan ik de vertaling liever achterwege laat.

Toch geloof ik dat de meeste noorderlingen er eigenlijk wel verknocht aan zijn. In de zomer hangt de winter nog als het zwaard van Damocles boven ons hoofd, want zodra de laatste sneeuw gesmolten is, is de zon alweer zo’n beetje op zijn retour. Maar als het dan eindelijk oktober is, de dagen kort en koud, de natuur bruin en uitgeleefd, dan vormt sneeuw de enige denkbare verlichting van de misère. En dus zijn we blij met die eerste vlokken, hebben we oog voor de schoonheid van ons land om vervolgens af en toe te vloeken op alweer twaalf centimeter sneeuw zich haast niet weg laat schuiven en die de wegen onbegaanbaar maakt.

Behalve dat dubbele gevoel van charme en ongemak, bezorgen sneeuw en kou me vaak een gevoel van opluchting met betrekking tot de klimaatverandering, alsof één koude nacht betekent dat het opwarmingsproces ineens is omgekeerd, alsof het ijs van de noordpool zich dan weer gaat uitbreiden en uitgehongerde ijsberen weer op zeehonden kunnen jagen. Onzin natuurlijk, de wetenschappers zijn het erover eens dat het proces onomkeerbaar is, en telkens weer blijkt het allemaal sneller te gaan dan voorspeld. Sneller zelfs dan gevreesd. Het wordt warmer en de zeespiegel zal flink stijgen, en de wereld zoals die nu is, zal spoedig geschiedenis zijn, net als de sneeuwkegels op de lijsterbestrossen. Het is zaak om al het mooie goed in je op te nemen, want alle schoonheid is vergankelijk.

(deze column verscheen in Noorderlicht, het tijdschrift van de Nederlandse Vereniging in Finland)

Winter light

Ruska

In Finland, the colourful phase of autumn is called ruska. In one month time, all nearly all leaves change colour. In Rovaniemi, a town located on the polar circle in Finnish Lapland, the onset is in early September, when birches  rapidly turn yellow. Simultaneously, poplars burst out in burning red flames, and soon also the rowans, already carrying bunches of blood red berries, change into orange and red.

Those who have walked through the forests and watched out over the hills during the vividly coloured phase of full blown ruska, will forever be enchanted by Lapland.

Tapio is the mythic keeper of the forest.

Rosebay willowherb can be found throughout the boreal forests. Because of her abundance, her beauty can easily be overlooked. But then, during ruska, the street girl shows her beauty!

As suddenly as they have come, the colors fade away at the end of the month. Most birches are naked and deprived, other still carry some golden coins. But the sadness of this phase of the autumn has its own beauty. In the next picture, I tried to catch the mood of October.

De bosnimf

Hier zit ik dan, op een boomstam bij door stenen omringde verkoolde takken, de overblijfselen van een kampvuurtje. Hier zit ik, midden in het bos dat me lief is, hier zit ik tussen sparren en okergele berken, met koffie uit de thermoscan en een camera geladen met verse ruskafoto’s en beelden van de zangzwaan. Ik zou voldaan moeten zijn, maar in plaats daarvan word ik overvallen door een tergende weemoed, een pijnlijk verdriet. Hoe kan de eenzaamheid waar ik zo vaak naar verlang zich zo meedogenloos nestelen in mijn borst?

Misschien is het de vermoeidheid van de nachtdienst die me kwetsbaar maakt. Misschien is ook wel het karakter van het seizoen, de weemoed die de herfst eigen is. Zeker speelt ook het boek dat ik deze weken lees een rol, Wim Hazeu’s biografie van dichter-scheepsarts Slauerhoff. Veel erin herken ik. De rusteloosheid van de dwalende dichter, zijn eeuwigdurende innerlijke tweestrijd, de afkeer van het (Hollandse) collectivisme en het verlangen weg te zijn, wat Hazeu enigszins eufemistisch Fernweh noemt.

Maar nee, met die term heeft hij het mis. Het is niet alleen een verlangen naar een onbestemd verweg dat Slauerhoff over de zeeën stuurt, maar ook, en misschien wel belangrijker, een sterke afkeer van het vaderland, de onmogelijkheid tot verzoening met zijn geboortegrond. Dat ik dat aantref in zijn biografie vergroot dezelfde gevoelens bij mij, die ik eerder afdeed als sentimenten horend bij het aarden op een nieuwe plek. Nee, die afkeer is niet vaag en onschuldig zoals ik me voorhield. Het is een vorm van haat, half latent maar real. Steeds nadrukkelijker spelen ze op als ik bericht uit Nederland lees, het nieuws of opinies, de social media. Slauerhoff zocht de zee op om het vaderland te ontvluchten, ik zoek het in de Lapse moerassen en bossen.

Op momenten als deze wil ik volstrekt alleen zijn, alleen met mijn afkeer van de mens. Het is trouwens niet zozeer de medemens die ik veracht, nee, het is vooral mezelf. Eerzucht, egoïsme, fatalisme… ik ben een kliko vol verachtelijke karaktertrekken. Al dit vergankelijk vuil bij elkaar noemt zich mens.

Ik slurp de koffie op en pak mijn boeltje bij elkaar. Als ik even later over een bospad wandel, in de richting van huis, wordt de woede heviger en de pijn van verdriet in mijn borst onhoudbaar. Ik ben weerloos en machteloos tegenover mijn zelfhaat. Ik zou zo graag iets anders zijn dan een mens. Zo kan ik niet leven, zeg ik tegen mijzelf, en die woorden blijven rondzingen in mijn hoofd. Zo kan ik niet leven. Hoe? Zo, als mens. Ik wil geen mensen, ik wil zelf geen mens zijn. Mensen zijn verachtelijk. Zo kan ik niet leven.

Ik ben een oktoberkind, de melancholie zit in mijn natuur, maar slechts zelden weet de droefheid me zo te overrompelen. Lijd ik aan acute depressie? Is dit nou een burn-out? Wat moet ik met mezelf aan? Was er maar iemand in de wereld die me helemaal begreep, iemand die me zou vergeven dat ik ben wie ik ben. Een soort mythische prinses, een bosnimf misschien. Een met een bedwelmende schoonheid en luisterend oor. Met zo’n nimf zou ik afdalen naar de hel, als ze me dat vroeg. Als ze me maar verlost van deze tergende wroeging, bijvoorbeeld door me lieve woordjes in te fluisteren. Morgen zal ik me ziekmelden, besluit ik, met de tranen haast in mijn ogen. Ik zal op zoek gaan naar mijn nimf. Ik ga nu alleen nog even naar huis om warme kleren te halen en dan zal ik een week lang van bessen leven in het bos.

Maar als ik thuiskom leg ik de weemoed af alsof het een mantel is die ik alleen voor de wandeling had omgeslagen. De melancholie, die zich af en toe nadrukkelijk manifesteert, is van voorbijgaande aard. Nu barst ik plotseling weer van de energie. Het bos heeft me de kracht gegeven om weer mens te zijn onder de mensen.

Rijkdommen

De geur van het bos

‘Als kind nam Janne een leeg luciferdoosje mee als hij het bos in ging. Die vulde hij dan met mos en als hij ‘s avonds op bed lag, bracht hij het doosje naar zijn neus.’ Met warme, rustige zinnen neemt Jussi Makkonen ons mee naar de jeugd van Jean Sibelius, die toen nog Janne heette, in de omgeving van Hämeenlinna. Hier staat een man die niet alleen de kunst beheerst zijn publiek te betoveren met zijn meeslepend spel op de cello, maar die ook in gewone mensentaal, als je het Fins zo mag bestempelen, de passie voor muziek weet te delen. We zijn in de concertzaal van cultureel centrum Korundi, in Rovaniemi, Lapland, waar cellist Jussi Makkonen en pianiste Nazig Azezian beginnen aan een nieuwe ronde van hun Sibelius Inspiration-tour, die hen door Finland, Europa en door de Verenigde Staten zal voeren. Over twee weken spelen we voor Michelle Obama en Nobelprijswinnaar Martti Ahtisaari, vertelt Makkonen, overigens zonder bijpassende trots in zijn stem te laten doordringen.

Jussi Makkonen en Nazig Azezian.  Foto: Marko Haapalehto

Bij de eerste tonen van de Romance in F-majeur Opus 78/2 voel ik tranen opwellen. Waarom raakt het me zo, oneindig veel meer dan wanneer ik de muziek thuis van een cd’tje beluister? Is het de geur van de dennentakken op het podium, die de sfeer van het bos oproept? Is het het bewegend beeld, opnames uit het huis van Sibelius, dat boven het duo op een doek wordt afgespeeld? Of is het het geheel, de muziek, de geuren, het beeld, de sprookjesachtige kleding van de muzikanten, die ontworpen zijn door Mert Otsamo?

Met vloeiende bewegingen zweven de handen van Nazig Azezian boven de toetsen van de piano, ze lijken ze nauwelijks te raken, het gaat allemaal vanzelf. Op eenzelfde manier bespeelt Jussi Makkonen zijn cello. De vier rijen voor me zijn leeg, het publiek zit verspreid in de zaal achter me. Af en toe dwaalt de linkerhand van Azezian bijna ongezien af naar een apparaatje naast haar op de grond. Ze draait aan een knop en de beelden boven hun gaan langzaam over naar een volgende scene, een vlinder die opvliegt in het bos, het beeld dat langzaam opstijgt en tenslotte uitkijkt over de Finse meren, het land waar Sibelius zich door liet inspireren, net als door de Finse mythologie.

Tussen de stukken door blijft het publiek stil, als betoverd. Met een geruisloze, balletachtige beweging haalt de pianiste haar bladmuziek van de piano, alsof juist tijdens de stilte tussen de stukken de muziek het meest tot uitdrukking moet komen.

Bij de Valse Triste Opus 44/1 houd ik het niet meer. Deze muziek, die mij zo dierbaar is, roept beelden op, momenten van liefde, momenten van verdriet. Ik voel mijn schouders even licht schokken, maar dan is daar de troost, het stukje waar het tempo wordt opgevoerd en waar het stuk een lichtere klank krijgt. Eens kijkt Jussi Makkonen me recht aan; er gaat een rilling door me heen.

Na Valse Triste vertelt Jussi over de huwelijksreis van Sibelius en Aino door Karelië, een reis die tegelijkertijd bedoeld was om de mythologische liederen op te tekenen, en waarvoor Sibelius een subsidie kreeg uit Helsinki. Omdat hij ook voor piano wilde componeren moest er een piano mee tijdens de tocht. In Karelië, het wilde achterland, zou immers geen piano te vinden zijn. De piano ging mee op een boot, maar toen het pasgetrouwde stel aankwam, meldde hun gastheer dat die piano nergens voor nodig was: hij had immers zelfs een prachtige vleugel.

Enkele jaren geleden werd opnieuw een piano op een boot vervoerd. Deze keer was dat vanwege een video-opname van Jussi Makkonen en Nazig Azezian.

Zelden heb ik zo’n indrukwekkend concert meegemaakt. Het overweldigende succes van dit muzikaal duo is volledig terecht. De sublimiteit waarmee wordt gespeeld, en daarbij het gebruik van multimedia, tot het duo op het podium zelfs samenspeelt met hetzelfde duo op een zwart-wit video, de reis door de tijd en door Finland, aan de hand genomen door Jussi Makkonen, eindigend op een bevoren meer, waar het duo urenlang met bevroren handen maar met brandende passie een video-opname maakten. Maar ook de nabijheid van deze warme mensen, die in de pauze en na het concert met mensen blijven praten en al die complementen en bedankjes incasseren. Dit stel heeft niet alleen voor het gangbare Sibeliuspubliek gespeeld, maar ook al voor honderdduizenden scholieren, en de muziek is niet daar gebleven, op dat moment, maar die kinderen hebben de muziek mee naar huis genomen, en ‘s nachts opgesnoven als de geuren van een stukje mos.

Meer informatie met o.a. concertdata en nog veel mooie videofragmenten:

Sibelius Inspiration

Jussi Makkonen

Nazig Azezian

Het Linnaeusklokje

Even sta ik stil op het bospad aan de zuidkant van de heuvel. Moe, bezweet, een momentje rust. Ik snuif de lucht op, de zachte, haast zoete geur van het bos. Zo anders dan de kruidige lucht van de moerassen, die me haast bedwelmt als ik ‘s ochtends de deur uitga, de geur afkomstig van de Suopursu, de plant die geen Nederlandse naam heeft, de Rhododendron tomentosum. Geen muggen vandaag, misschien dat de lucht te vochtig is. Ik kijk om me heen en merk op dat het bessenseizoen nog altijd niet begonnen is. Net als de moerassen, die vrolijk aandoen door de witte plukken van wollegras, staat ook het bos in bloei. Dalkruid, dat in het Fins eekhoornbes heet, en zevensterren merk ik op. Ook zijn er kleine witte klokachtige bloempjes die ik niet bij naam ken, bloempjes aan een dunne stengel, bijna ronde blaadjes net boven de grond. Ze doen me denken aan balletdanseressen, zo fijntjes zijn ze, esthetische wonderen van het bos. Eenmaal thuis zoek ik het plantje op. Linnaeusklokje – de enige plant die Carl Linnaeus naar zichzelf heeft vernoemd, naar verluidt zijn lievelingsbloem.

De Zangzwaan

Nog steeds is de wereld wit, maar lang zal het niet meer duren. De zon komt voor vijven op en gaat pas tegen een uur of tien onder, middernacht is het nog niet echt donker. Afgelopen zaterdag wandelde ik door het bos, toen ik de klanken hoorde waar ik zo lang had gewacht, de trompetachtige muziek van een zangzwanenpaar (Cygnus musicus).

Cygnus musicus

Vandaag schreef de krant Lapin Kansa, het Lapse volk, echter dat het nog altijd winter is, de lente is al twee weken later dan gewoonlijk. Volgens de weermannen is het pas lente als het blijvend boven nul is. Dat is het nog niet, maar er vallen gaten in het wit en de trompet van de zanzwaan klinkt uit de lucht. Voor mij is de lente al aangebroken.

Het nog bevroren meer Sierijärvi, eind april 2017

In mei wandel ik regelmatig naar het nabijgelegen meertje Suonukkalampi, dat tegen het eind van de maand eindelijk ontdooit. In de morgen zit het vrouwtje op haar nest aan de overkant van het meer, het mannetje drijft in de buurt om de wacht te houden. Ze merken me wel op, maar kennelijk is de afstand groot genoeg. Later op de dag dobberen ze allebei. Af en toe slaan met de vleugels in het water, waarmee ze zichzelf een douche bezorgen, en dan heffen ze de borst in de lucht. De dans is zo betoverend, dat ze me telkens teruglokt naar dat meer in het bos.

Zwanendans

In mijn volgende boek, Achter de rug van God, dat eind juni bij De Arbeiderspers verschijnt, schrijf ik over de periode dat ik als arts werkte in Posio, een klein dorpje in Lapland. Het is een boek over de kleine wereld van het dorp en de grote wereld daarbuiten, over de liefde, over ouderdom, ziekte en dood. De mythologie, hardlopen en langlaufen verbinden alles met elkaar. Ook vertel ik in het boek over wat de zangzwaan voor mij betekent.

Zangzwanenvlucht

Een haast onverstaanbaar woord

Onder invloed van de snel lengende dagen – een uur per week-, de berichten uit het Zuiden, waar de eerste bloemen al ontluiken, waar vogels nesten, onder invloed van het getwetter en de wind die sterker wordt, maar ook warmer, gaat bij mij in maart het knopje om. De Lapse winter kon me maandenlang niet streng genoeg kon zijn, het werd me nooit te koud of te wit, zelfs de duisternis deerde me niet, maar nu heeft diezelfde winter opeens lang genoeg geduurd. De wegen liggen echter nog onder een laag sneeuw, die op zonnige dagen drabbig wordt, drekkig haast, en die er dan uitziet als het braaksel van onze vroegzwangere moeder natuur, onverteerde brokjes ijs bijeengebonden door een substantie van modderig water, zand dat gestrooid is op dagen dat de wegen nog spiegelglad waren. De loipe, de langlaufroute, wordt traag, maar toch is de winter nog niet voorbij: de meren zijn bedekt door een dikke laag ijs en een even dikke laag sneeuw daarbovenop. Er zitten mensen te ijsvissen, er glijden langlaufers over die witte vlakten en sneeuwscooters, en dat is allemaal al zo lang zo dat het onvoorstelbaar is dat daar ooit nog verandering in komt.

Maar toch: er is licht, er is kleur; de pijnbomen, die tot voor kort nog als zwarte, levenloze lettertekens van een vreemde, onbegrijpelijke taal in het witte landschap stonden, zijn nu heldergroen opgedost en de bast glanst als opgepoetst koper. Met het licht is ook het leven teruggekeerd. De stilte is het zwijgen opgelegd door meesjes en vinken die in opperbeste stemming verkeren, kinderen glijden in sledes gillend van de heuvels en hun ouders zitten hand in hand bij het raam met een kop koffie, opnieuw verliefd.

De sneeuwvelden schitteren in de zon alsof er helemaal geen tegenstelling bestaat tussen die elementen, het zonnevuur en de ijskristallen, maar verborgen onder die witte schijn verzamelen druppels zich in minuscule stroompjes die zich een weg banen door de verder nog bevroren grond, samenvloeien in een donkere, ondergrondse stroom die zich op zijn beurt weer een weg naar boven baant, de sneeuwlaag her en der doet verzakken, openbreken. Ook al vriest het vannacht weer en de hele komende week, ook al valt er straks weer sneeuw – de overgang van winter naar zomer heeft veel weg van een epische bokspartij die de lente reduceert tot een haast onverstaanbaar woord – , het is onvermijdelijk dat die zwarte stromen al het wit op den duur verzwelgen, inslikken en verorberen.

Nog een maand en dan breekt de rivier open, dan zal het lichaam van de man die in zijn wanhoop midden in de winter van de brug in dat enige wak van de rivier sprong komen bovendrijven. Ja, dat is het voorjaar dat ons wacht, hij zal op de wekenlang aanhoudende stroom van ijsschotsen meedrijven naar de zee, met steeds hogere snelheid, onder druk van al het smeltende sneeuw op het land. Zijn dood, die zo stil was, zal aanzwellen tot een gewelddadig, razend geweld dat alles meesleurt wat hij in zijn vingers krijgt, steigers, bootjes die niet op tijd op het droge waren getrokken.

Zo manifesteert de Lapse lente zich, zo zal zij zich doen gelden, hoewel de winter nog haar sporen nalaat, hardnekkige sneeuwresten op schaduwrijke plekken in het bos, tot de zomer al is aangebroken, de zomer die zich dan vergrijpt aan de zuidelijke heuvelhellingen waar witte en gele bloemknoppen ontluiken, oh, de zomer die de berken met een frisgroene penseel toucheert en in het moeras katoenachtige pluizen aanbrengt.

Maar ach, dat alles laat nog even op zich wachten.