Arm en rijk

(dit artikel verscheen op opiniewebsite Joop)

‘Lyme is geen ziekte, want je gaat er niet aan dood,’ poneert Tom Doherty provocerend halverwege zijn lezing over tropische infectieziekten. Als een Nederlandse huisarts zich dat zou laten ontvallen, zou je het hem kwalijk nemen, maar dat doe je niet als een oude rot als hij dit zegt. Zijn stelling is gekleurd door een leven lang tropenervaring, waarbij het redden van levens vaak het enige is dat telt, en bovendien is zijn stelling gericht aan artsen die van plan zijn de wereld in te trekken om Ebola, tuberculose en malaria te bestrijden. Wat brengt de tegenstelling tussen geneeskunde in de tropen en die in het rijke Westen beter tot uitdrukking dan wat ik Doherty’s definitie van ziekte ben gaan noemen: een medische conditie waar je mogelijk aan dood gaat?

Drie maanden lang luisteren we van negen tot vijf naar experts die ons bijpraten over allerlei exotische aandoeningen met moeilijke namen, over virussen, bacteriën en parasieten die ontelbare slachtoffers maken maar waar de doorsnee Nederlander nog nooit van heeft gehoord. We brengen lange dagen door in het laboratorium, waar we de malariaparasiet en andere ziekteverwekkers met de microscoop bestuderen. We worden onderwezen in ondervoeding en leren hoe te handelen bij een plotse uitbraken van dodelijke infectieziekten.

In de avonduren vullen we het programma aan met lezingen over armoede of wereldpolitiek, en vanzelfsprekend eindigen heel wat avonden in de pub. Ook de experts die ons onderwijzen schuiven graag aan voor een paar pints, want Londen is Londen en aangezien de wereld niet te redden is, kun je de zorg voor je eigen ziel beter maar niet vergeten.

‘Dit wordt de tijd van je leven,’ werd ons beloofd toen de cursus aanving. Tot nu toe staat die voorspelling nog altijd overeind. Stop maar eens tientallen gemotiveerde artsen met vaak al jaren ervaring bij elkaar, artsen uit veertig landen uit alle delen van de wereld, die zich buiten het gebaande pad begeven voor iets waarvan ze menen dat het er werkelijk toe doet omdat ze epidemiologische getallen uit de tropen voor hen niet over cijfers gaan maar over mensen. Voed ze, die artsen, voed ze met kennis. Waar onderwijs vroeger nog deels als een verplichting voelde – je hoorde immers te studeren – weten we de kennisoverdracht nu op waarde te schatten en wordt uur na uur, dag in dag uit, iedere spreker met luid applaus beloond.

Londen is een stad van tegenstellingen. Terwijl wij in hartje Londen inmiddels inzien dat er de duizenden manieren zijn waarop een paar euro daadwerkelijk verschil kan maken – veel tropische ziekten zijn immers toe te schrijven aan armoede – gaan op luttele kilometers afstand in het economisch centrum Canary Wharf gigantische bedragen van hand tot hand. Op een vrije avond raak ik in gesprek met een vrouw die bij een hedgefonds dagelijks miljoenen Britse ponden verhandelt. Een uitgesproken kans om mijn economische ideeën te toetsen, denk ik. Want als zovelen houd ik er zo mijn theorietjes op na. Ik geloof dat ik begrijp hoe de wereldwijde ongelijkheid in stand gehouden wordt en ik meen dat met enige goede politieke wil aan armoede een eind kan worden gemaakt. Want dat blijft mijn frustratie: tropische ziekten vormen slechts de top van een ijsberg die armoede heet. Hoe denkt deze miljoenenhandelaar over armoede?

Tot een inhoudelijk gesprek komt het echter niet, want de hedgefondshandelaar doet de HIV-epidemie af als een kwestie van Afrikaanse promiscuïteit. Met armoede heeft het volgens haar niets te maken. Wanneer ik mijn gedachten uiteenzet over mogelijke regulering van de internationale markt om sociale zekerheid in arme landen te waarborgen, doet ze die ideeën af als marxistisch. Is onze samenleving dan ook marxistisch, vraag ik me af, omdat we sociale zekerheid kennen en een pensioen? Ik sta werkelijk perplex. Hoe kan iemand in rijkdom handelen zonder te weten wat armoede is?

Mijn bolwerk

Een vermolmde boomstam is zacht en warm, dat zit beter dan een rotsblok ook al is die met mossen bekleed. Je zou ze moeten zien, grijs en groen en zwart en bruin bevlekt, met zilver aangezet en bekleed met bronzen dennennaalden die altijd gepaard zijn, met een zwarte knot aaneen gebonden. Het geruis door de bomen zou je gemakkelijk voor een snelweg kunnen houden, als je uit Nederland kwam, waar geen plek buiten gehoorsafstand van het wegennet ligt. Er klinkt ook gekauw en gekraai en getjilp, maar wel met mate. Je vraagt je af waarom ze die geluiden maken, om de beurt, de een laat de ander zijn deuntje rustig uitzingen. Plegen ze overleg, zijn ze in een soort vogeldiscussie verwikkeld waar wij met ons verstand niet bij kunnen, of is het de afspraak om geen stilte te laten vallen, een verbond tegen de eenzaamheid van het bos? Maar nee, eenzaamheid kun je dit niet noemen, zelfs als je de vogels wegdenkt. Het heeft eigenlijk wel wat gezelligs, als een bruine kroeg, de zachte kleuren van de naderende herfst, het roodverkleurend blad van de bessen, het antieke tapijt van mossen en de zilveren franje van het rendiermos. De boomstronken en keien liggen her en der verspreid, uitnodigend als tafels en stoeltjes. Jugendstil, maar dan echt, levend en dood. Hier kan ik vrij denken en dichten, dit is mijn bolwerk. Alleen de kranten ontbreken, de kranten op de leestafel, en een kopje koffie met een speculaaskoekje.

De geur van regen

Eerst rolde de donder over het door hitte en droogte uitgeputte land. Dreigende stapelwolken hingen bewegingloos in de lucht. Het duurde nog uren voordat de regen viel, en met een korte plensbui was het ook meteen gedaan. Toch was dat meteen voldoende om de poriën van het bos te openen.

Kruidige dampen dringen zich op als ik in de avond een wandeling maak door het bos. Heeft het dit jaar eigenlijk al eens geregend? Sinds het smelten van de sneeuw in mei wachtte ik op de geur van de moerasrozemarijn, een geur die zo vol is, vloeibaar haast, dat je het gevoel krijgt dat je op de lucht kan drijven, maar die geur, waar vorig jaar iedere dag in te drogen hing, was nergens te bekennen. Tot nu dan, nu ruik ik de moerasplant eindelijk, maar het is niet het enige dat in de lucht hangt. Alle planten zijn op hetzelfde idee gekomen, ze vieren de eerste regen van de zomer met de sterkste luchtjes waarover ze beschikken, en al die geuren mengen zich met petrichor dat opstijgt uit de grond.

Zijn het de geuren die me het gevoel geven dat alles is zoals het wezen moet? Is dit een of ander biochemisch proces dat zijn oorsprong vindt in de oertijd, waarin we direct van de weersomstandigheden afhankelijk waren?

Ook het groen is beduidend feller dan de afgelopen weken, het bos heeft een instagramfilter op zichzelf toegepast. Al het blad is schoongespoeld, de bessenstruiken die de grond bedekken, dragen op ieder blad een druppel, en in de berm schitteren duizenden parapluutjes van de bospaardenstaart die met diamantendruppels zijn besprenkeld.

Zou dit vocht voor de bessen en moerasbramen voldoende zijn om zich vol te zuigen, om op te zwellen met vitaminerijk sap?

De stapelwolken, die nog steeds triomfantelijk in de lucht hangen, als zegevierende oorlogsschepen na een zeeslag, krijgen een roze gloed. Ook dat is een teken dat de zomer over haar hoogtepunt heen is, want dat betekent dat de zon ’s nachts niet meer bovenlangs de noordelijke horizon scheert, maar eventjes onderduikt.

Met deze ene regenbui verdwijnt dat de angst dat deze hittegolf een meteorologisch Apocalyps zou blijken, dat een acute verergering van het broeikaseffect de kou voorgoed van onze planeet zou doen verdwijnen en we langzaam, heel langzaam, gegrild zouden worden op de barbecue van mythologische goden waarvan wij dachten dat we ze die met de rede verslagen hadden.

Het geloof in de rede, of beter gezegd in onze redelijkheid, ben ik de afgelopen jaren langzaam kwijtgeraakt, maar dat we nu op de gril van die goden belanden, blijkt niet waar.

Nog niet.

Pussikalja

Voel je je inmiddels meer Fin dan Nederlander? Ik geloof dat wij ons die vraag allemaal wel eens stellen, en als we dat zelf niet doen, stellen anderen hem wel. Van Nederlanders hoor ik vaak dat ik helemaal verfinst ben, met die wilde bos haar van me. Zo eenvoudig kan de diagnose dus gesteld worden, al heb ik de indruk dat Finse mannen over het algemeen hun kapsel strikter bijhouden dan Nederlanders. Ik vind me er meer als Nederlander dan als Fin uitzien. Als Finnen me verfinst noemen, doelen ze op mijn redelijke taalvermogen, bepaalde karaktertrekken waarvan ze menen dat ze typisch Fins zijn of het feit dat ik de sauna maar ook de vrieskou beter verdraag dan Eeva, mijn vrouw, die Finse is. Ze bedoelen het dan als complimentje, en dat maakt me wantrouwig want van Finse complimentjes weet je nooit of ze wel helemaal oprecht zijn.

Maar wat vinden we er zelf nu van? Ik geloof dat de taal heel belangrijk is om te voelen dat je erbij hoort. Gelukkig spreek ik inmiddels voldoende Fins om me te redden in de spreekkamer en aan de lunch met collega’s. Ik begin steeds meer praatjes te krijgen, maar ik heb nog niet zo’n grote mond als in mijn moedertaal. Toch voel ik me nog altijd behoorlijk beperkt in mijn woordenschat en ook de ingewikkelde grammaticale constructies vloeien er ook niet zomaar uit. Het is dus voortdurend behelpen, en ik geloof dat ik me daarom nog altijd vaak een Nederlander onder Finnen voel, maar ik ben niet meer de buitenstaander die ik eerder was.

De Finse cultuur blijft me nog altijd verrassen. De sauna heeft niet zoveel geheimen meer voor mij, maar vissen bijvoorbeeld, dat is zo’n hobby die iedere Fin beheerst maar die mij vreemd is gebleven. Welke haakjes je moet hebben en wat voor aas, waar je wel en niet zonder vergunning mag vissen, hoe al die vissen heten en hoe je ze op de gril klaarmaakt. Ik zie nog regelmatig nachtmerries van die ene spartelende vis die ik met een plankje doodsloeg zoals ik anderen dat had zien doen. In mijn dromen komt die vis tot leven en slaat me met zijn staart knock-out.

Een andere typische Finse bezigheid is pussikalja. Iedereen die zomerdagen doorbrengt met Finse vrienden kent het wel. In de supermarkt vul je een plastic tas (pussi) met bier (kalja) en daarmee begeef je naar het park. Mijn eerste pussikalja was jaren geleden met vappu. Ik voelde me wel een beetje een sloeber, maar voor die vrienden van mij was het heel normaal. Lang ben ik ervan uitgegaan dat ik gewoon verkeerde vrienden had, ongemanierde sloebers met een neiging tot openbaar dronkenschap, tot ik me onlangs in Hamburg na afloop van de marathon in goed gezelschap bevond. Alexander S., een Finse oud-ministerpresident die daar ook de marathon had gelopen, nodigde ons uit in het park, waar hij een plastic tas vol Franziskaner Weissbier tevoorschijn haalde. Het was zonnig, we hadden allemaal pijn in de benen en het witbier was daar een prima middel tegen. Daar, in dat park voelde ik me Finser dan ooit.


Deze column verscheen in juni 2018 in Noorderlicht.

Lente

De lente klopt niet netjes op de deur, zoals de herfst dat doet, maar beroert geruisloos de klink, opent hem op een kiertje en glipt naar binnen zonder dat je er erg in hebt. Na verloop van tijd merk je dat het tocht, dat er beroering is in de witheid waarin de eeuwigheid verankerd lag. Van onder de deklaag van ijs komen wegen tevoorschijn, en een smal strookje berm. Het smeltwater wordt afgevoerd via de brede geulen langs de weg, op zonnige dagen smelt het zo hard dat her en der de weg blank staat. Het duurt weken tot alle sneeuw gesmolten is, en zelfs tijdens dat proces zijn er dagen dat alle kleur uit het bos verbannen wordt als er opnieuw sneeuw valt.

Soms klinkt het druppelen van de smeltende sneeuw door de regenpijp gemoedelijk, het gestaag aftellen tot de zomer, maar er zijn ook dagen dat het openbreken van het pak sneeuw geweldda­dig aandoet. De beken, waarin zwart bloed vloeit, vormen diepe sneden in de blanke huid van de winter, de zuidelijke zijden van de heuvels worden met een schaaf aangetast.

Al het bloed is vruchtbaar, ook het zwarte bloed. Daar waar de stroom niet te sterk is, verschijnen zwanen, hun halzen snijden als sikkels door de mist. In een afwachtend stilzwijgen klimmen ze uit het water op de rand van het ijs. Daar waar zij vandaag nog staan, drijven ze morgen.

Tegelijkertijd verdwijnen de nachten, en daarmee de sterren en het noorderlicht. Ze veranderen in getjilp en geschetter van meesjes en spreeuwen. Wij noorderlingen zijn die lichtzinnig­heid niet meer gewend, maar ze doet ons goed.

(uit: Achter de rug van God)

Singer-songwriter Serge Epskamp bewerkte de tekst en maakte er een lied van:

https://bandcamp.com/EmbeddedPlayer/track=13111743/size=large/bgcol=ffffff/linkcol=0687f5/minimal=true/transparent=true/

Connemara

When I was 18, I worked in a coffee shop in Cork and later in a little restaurant in Salthill, Galway. On the days that I was free from work, I cycled around the country. I loved to see and hear the ocean rocking and rolling against the cliffs. Galway, Mayo, Donegal. It was a magical experience to be there. Stories started coming up, stories of all kinds. Once I saw a mermaid. Months later, when I came home to my family in the Netherlands, I told my little sister about that mermaid. She must have been 5, back then (not the mermaid, but my sister). I showed her pictures of a rock by the shore, with on the background the sun setting in the ocean. There was no mermaid on the picture, but when I closed my eyes, I could see her, and I could hear the songs by which she tried to lure me into her world.

While most memories fade over time, my mermaid has become vivid and real. Still, I can see the shape of her body, half human and half fish, and her whispered words. I am thirty-six now, twice the age of the young man exploring the borders of his world, and I’m finally back in the country of the stories. Connemara is the site of my next novel. The country and landscapes play a certain role in the book, like in my previous works: nature mirrors the inner self. The main character is very different from me, so I have to get to know him by exploring his landscapes.

Last week, Ireland was in a state of emergency due to Storm Emma, the first blizzard in 35 years. However, to me it felt she never really came up. Surely, we had some snow and strong winds, but the blizzard arrived only in the late evening in Clifden, the town where I stayed, and the little bit of snow on the roads melted quickly the next day. Nothing compared to what I am used to in Lapland.

Emma, that’s how they called the storm that never came up. Emma, like my second sister. We rarely meet, due to a thousand miles and more. Emma, like one of my fellow students, a decade ago. She played cello and once she wore a dress that uncovered her shoulders and the ivory skin of her back. She was wonderful, but I never fell in love with her. There are many more of them, Emmas, and they must have something in common with the storm that never came up. 

Clifden Bay