Lichte voeten

Boeken zijn net naaldwouden: je kunt er eindeloos in ronddolen. De Zweedse bioloog Carl Linnaeus neemt me met zijn Iter Lapponicum mee naar het jaar 1732. Het werk bevat notities over allerlei bijzonderheden van zijn expeditie door Lapland. Op 11 juli formuleert hij een tienvoudig antwoord op de vraag waarom Samen (inwoners van Lapland) zo lichtvoetig zijn, oftewel, waarom ze zulke goede hardlopers zijn.

Misschien is het wel voor het eerst in de geschiedenis dat men een dergelijke vraag stelt. Tegenwoordig stoeien wetenschappers over dezelfde kwestie, maar dan met betrekking tot Kenianen. Volgens Linnaeus danken de Samen hun lichtvoetigheid aan training vanaf jonge leeftijd: de Samische jongens moeten als kind al veel rennen om de rendierkuddes bijeen te houden.

Jarkko Järvenpää is geen Sami, maar wel een lichtvoetige Fin. Op een zondagochtend in maart schuiven Eeva en ik bij hem aan voor het ontbijt. In Venlo. De topatleet vertelt dat hij zich  maandenlang in Spanje op de halve marathon heeft voorbereid, om de kou te ontvluchten. Misschien heeft het zachte zuidelijke klimaat ook zijn karakter ontdooit, want hij is een bron van energie en blaakt van het zelfvertrouwen. De meeste Finnen zijn een stuk ingetogener. Zo ook Paavo Nurmi, de man die in de eerste jaren van de Finse onafhankelijkheid, in de jaren twintig van de vorige eeuw, zijn land op de wereldkaart rende. De held stond bekend om zijn introversie, intelligentie en vastberadenheid; karaktertrekken die nog altijd typerend zijn voor veel Finse atleten die ik heb leren kennen.

Paavo Nurmi is in Turku geboren, de stad waar ik nu woon. De wegen en paden waarop ik train zijn ook door hem belopen. Net zoals de atletiekbaan in Amsterdam, waar ik ooit mijn eigen hardloopcarrière begon: in 1928 won Nurmi er zijn zoveelste Olympisch goud. Destijds heersten de Finnen zoals tegenwoordig de Kenianen doen.

Volgens Eeva ben ik inmiddels meer Fin dan zij zelf is: ik kan de extreme kou en de hitte van de sauna goed verdragen. Jarkko beaamt: in de winter benoem ik louter de voordelen voor de langeafstandsatleet. Maar ik weet Linnaeus aan mijn zijde: de bioloog stelt immers dat het noordelijke volk zo sterk en gezond is door de hardheid van het buitenleven en de blootstelling aan de kou.

Met Pasen ligt er nog steeds een halve meter sneeuw, maar de zomer hangt in de lucht. Ik volg Nurmi’s sporen door de sneeuw, en bewonder de naaldbomen in het bos: ooit zullen ze worden omgezaagd en tot papier worden verwerkt. Als boek zullen ze woorden overdragen van mens tot mens: een spoor door een doolhof dat het leven heet.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie juni 2013

De velden van Tapio

Oosterse Sterhyacint (Scilla Siberica)
Oosterse Sterhyacint (Scilla siberica)

Van de vele hardlooproutes vanaf ons huis, is die door Luolavuori verreweg de mooiste.Via parken en rustige straatjes is het zo’n twee kilometer naar het pad dat door de ruige natuur kronkelt, over pittige maar niet al te hoge heuvels, naar de rand van de archipelo. Daar, aan de oever van de zee, is de bodem van het bos bezaaid met bloemen. Het is de zonnige zijde van een heuvel, en dus de juiste habitat voor de bosanemoon. In het veld van bekoorlijk wit fonkelen paarse diamanten van het leverbloempje. Even verderop ontvouwt de Oosterse Sterhyacint haar bloem zodra ja haar haar duitse naam toefluistert, Sibirischer Blaustern, als een vrouw die haar prille volwassenheid ontdekt. Dan draait het pad weg van de zee, het land weer in, door het oeroude bos waarvan de rotsen zijn bekleed met een grauwgroen mostapijt en waar zwarte poelen hun geheimen koesteren. De roep van de koekoek wordt beantwoord door het geroffel van de specht. Dit zijn de velden van Tapio, de oude bosgod, die hier nog altijd rondwaart. Hij is het, die je ‘s ochtends met de lokroep van de vinkenslag wekt en je uitnodigt zijn paden te verkennen.

Lente

Aan de schaduwkant van de heuvels liggen her en der nog tot ijs geperste sneeuwresten als korsten van de winter, maar verder is de sneeuw verdwenen. Moeder aarde is tevoorschijn gekomen, nog bedekt met half verdorde bladeren van de afgelopen herfst: die zijn in de kou goed geconserveerd. De lijsters kwinkeleren je de oren van de kop, en het is licht van vijf uur ‘s ochtends tot na tienen in de avond. Een paar honderd meter verderop is de Aura-rivier, tot voor kort een witfluwelen ijstapijt, veranderd in een kolkende massa op weg naar zee. Het is slechts aftellen tot het ontluiken van de bosanemoon!

Noorderlicht en maneschijn?

Splat! splat! Splat! splat! Mijn plenzende passen door de ijsplassen op het fietspad echoën tegen de kale rotswand – maar dat is dan ook het enige bekoorlijke aan de duurloop van vandaag. Met een intermezzo van een paar dagen dooi heeft de winter haar spierwitte elegantie ingeruild voor grauwe somberheid en zijn de paden veranderd in ijsplassen. Nee, in de Finse winter is niet alles noorderlicht en maneschijn.

Geef mij dan maar die nijpende vrieskou van verleden week. Eeva en ik verschenen als enigen aan de start van een lokaal wedstrijdje; vanwege de kou was de race afgelast. Met vijfentwintig graden onder nul was het inderdaad wat fris, dus besloten we er een training van te maken en stuurden we de opgedraafde man van de organisatie naar huis: hij hoefde niet te bevriezen om onze tijden te registreren. Na de tempotraining liep ik naar huis, Eeva reed met de auto achter me aan om eventuele afgevroren ledematen op te rapen.

Of die duurloop enkele dagen later: vanaf ons huis kan ik in ruim twintig kilometer een mooie ronde maken over Hirvensalo, het eerste eiland van de archipel bij Turku. Het bevroren lichaam van de Baltische zee lag roerloos onder de gloeiende dageraad – hoewel ik het liefst had ingehouden om dit gracieuze stilleven op mijn netvlies te branden dwong de hardloper in me mij verder te gaan; de eenzame weg die over het glooiende eiland was uitgeslingerd had nog meer moois te bieden. Op de terugweg had ik de zon in mijn rug; ik volgde de tientallen meters lange gedaante van mijn schaduw die als een monster voortkroop over de ijsweg waarop een voetbreed zandspoor net voldoende grip gaf om te lopen. Over de heuvels, langs de glooiende hellingen waar roggevelden onder een dik winterkleed lagen te wachten tot de lente hen zou wekken.

Over de kou gaan afschuwelijke verhalen rond: een hardloper die tijdens zijn training eens in zijn oor kneep en tot zijn afschuw bemerkte dat de oorlel bij de aanraking afbrak en aan zijn handschoen bleef plakken. Of de ijsblaren die als heroïsche tatoeages je gezicht kunnen misvormen.

Toch is het niet de kou die ik vrees, noch de sneeuw die door de weggebruikers tot een vaste massa is samengeperst, maar juist de dooi. Voor het eerst in maanden glijd ik vandaag onderuit, juist onder toeziend oog van twee wandelaars terwijl er kilometers lang geen levend wezen te bekennen was geweest. De bloedende schrammen op mijn handen en enkels deren me minder dan de gêne. Dan ben ik dus toch nog een mens…


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie april 2013

Kristallen

Dat sneeuw wit zou zijn is een leugen. De opkomende zon projecteert haar eclatante kleurenspel op het besneeuwde meer bij Jyväskylä. We lopen met zijn vieren, tweelingzussen met aanhang, een rondje om het meer. Verschillende lagen kleding en vaseline op het gezicht – ieder probeert zich op zijn eigen manier tegen de kou te weren. Het kwik is blijven steken op vijfentwintig graden beneden het vriespunt, de adem bevriest in je gezicht. Een witte baard van sneeuwkristallen plant zich in de stoppels van mijn ongeschoren kin.

De zon, die halverwege de ochtend aarzelend over de kim komt kijken, zal een paar uur later weer onderduiken. Het is haar te koud, ze heeft hier niets te zoeken.

De aanblik van het besneeuwde meer en de spectaculaire zonsopgang is niet voldoende, ik  versnel uit het groepje om me te warmen aan mijn eigen cadans. Gelukkig is het windstil; honderden berken staan als maagden getooid in hun ijskoude bruidsjurk roerloos langs het parcours. Als ik eenmaal in mijn eigen ritme loop en het hardlopersbloed door de aderen bruist is de kou zo uit mijn vingers verdrongen. Om te voorkomen dat bevroren zweet mijn vingers zal doen verklampen gaan zelfs de handschoenen uit.

Ondanks de soms spekgladde weg verhoog ik mijn tempo, de kilometertijden dalen tot onder de vier minuten. Hardlopen over ijs is te leren, ook voor mensen uit Lintukoto, het mythische warme oord waar de trekvogels overwinteren: deze winter ben ik pas één keer echt uitgegleden.

Als ik omkijk zijn mijn loopmaatjes uit het zicht verdwenen. In mijn eentje loop ik door de wereld van bevroren tranen; onder de koude grond wacht de lente als een vlinder in zijn cocon. Boven de ijslaag lijkt alles levenloos, behalve de rode rimpels van het zonlicht op de wolken.

En ik? Is het niet wonderlijk dat mijn benen blijven bewegen, dat mijn bloed blijft stromen terwijl rivieren bevriezen? Zou het niet veel logischer zijn als dat bloed zou veranderen in rode ijspegels, verpakt in een wand van bevroren vlees en botten die bij het aanbreken van de lente als een sneeuwpop in elkaar zou zakken? Misschien is de hardlopende mens wel één van de grootste wonderen van het leven. Na thuiskomst gaan we naar de sauna. De kristallen ontdooien, verdampen en condenseren op het glazen raampje dat de hitte scheidt van de besneeuwde buitenwereld. Dit is het leven: water in al haar verschijningsvormen. Stoom, zweet, tranen, sneeuw en ijs.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie maart 2013

Lunatisme

Ik ben niet alleen. Er is de maan, en er zijn de gestalten van de bomen die de houthakker hebben weten te ontlopen. De weg spekglad van het ijs, behalve op een voetbrede strook aan de rand van de berm. De uil in het bos en de wielrenner naast me zijn slechts verbeelding, ik heb ze in het leven geroepen om me te vergezellen zolang de weg geen straatlichten kent.

Iedere hardloper die ‘s winters de buitenwegen kiest kent de vier gedaanten van de maan. In het eerste kwartier geeft ze nauwelijks licht maar wint in de loop der dagen haar kracht. Het tweede kwartier is ze oppermachtig. De loper heeft geen kunstmatige lichten nodig om door het bos te rennen – de zilveren schijf aan de hemel volstaat. Maar kort nadat Luna zich in haar volle naaktheid heeft getoond, laat ze in het derde kwartier ’s avonds steeds langer op zich wachten, om in het vierde kwartier alleen ’s ochtends nog aan de hemel te verschijnen, haar krachten sparend voor de wedergeboorte.

Twee weken geleden liep ik door het volstrekt donkere bos. Het was één van die avonden dat de maan liet afweten. Het bospad voerde langs een verlaten huisje waarin zomaar een moordenaar kon wonen, mijn verbeelding liet me ook toen niet in de steek. Juist op het moment dat ik mezelf moed insprak, vloog een schaduw over het pad. Een schaduw die nog veel donkerder was dan de nacht. Geschrokken draaide ik me om en schakelde wel drie versnellingen hoger, terug naar het laatste straatlicht bij de akker, op de voet gevolgd door een bloeddorstige moordenaar in het bos. Aan de rand van het bos hield ik in – buiten adem was ik. En de haas, want die was het, waarschijnlijk ook. Op gepaste afstand lachte hij mij uit. Dat was toen, maar nu, in de verte, de dreigende zoeklichten van een naderende auto, die naar links en rechts draaien al naar gelang de bochten in de weg. Plots word ik erdoor verblind. Als ik even later weer alleen ben met de maan en de uil en de wielrenner die in een hert is veranderd begrijp ik ineens waarom zij zonder eigenliefde zich binden aan pooiers en mishandelaars, want liefde is als licht en als je aan de duisternis gewend raakt kan helder licht weleens teveel zijn en hetzelfde geld vast ook voor de liefde.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie maart 2014

De vos en de sneeuwstorm

Gisteren zag ik een vos. Het was al donker; ik liep over een weg bij de haven, waar de ijzige oostenwind vrij spel had om de poedersuikersneeuw door de straten te jagen. Een fietser kwam me tegemoet. Plotseling wendde hij het gezicht af; iets moet zijn aandacht hebben getrokken. Ik volgde zijn blik en zag ‘m, de vos. In dribbelpas stak hij stak de straat over, niet zo schuchter als je van een vos zou verwachten. Zijn pels was ook niet zo mooi roodbruin en wit als op prenten; de grauwe wintervacht glansde in het flauwe licht van de straatlantaarn. Aan de overkant van de weg verdween hij achter de struiken in het park. Hij liet zwarte sporen na in het flinterdunne laagje sneeuw op straat.

De eerste sneeuw was binnen een week gesmolten, de winter had een waarschuwing gegeven. Nu, een maand later, is de wereld er klaar voor: auto’s en fietsen zijn van winterbanden voorzien, er hangen kerstlichtjes in de winkelstraten en in het oosten van het land zijn de beren aan hun winterslaap begonnen. Ook de pestvogel is nu uit de boom voor ons huis verdwenen; alleen de goudvink en koolmees doen alsof er niets aan de hand is.

Vannacht is de wind tot storm aangezwollen en is er een dik pak sneeuw gevallen. Met een echte lumimyrsky (sneeuwstorm) is de winter nu werkelijk begonnen. De temperatuur daalt de komende dagen tot ruim tien graden onder nul. Zolang het nog geen min twintig is mag ik niet klagen, zeggen de Finnen.

Dankzij de kleine steentjes die overal worden gestrooid zijn de wegen en paden nog goed begaanbaar. Ook voor hardlopers. Alleen mijn favoriete route door het bos is vanaf nu het terrein van langlaufers. Het is het pad dat naar de rand van de Baltische kust leidt, waar ’s werelds grootste archipel je het uitzicht op de open zee ontneemt. In plaats daarvan zal ik me moeten vermaken op de straten door de stad, langs de rivier en de haven. Over een paar weken zijn de meren, rivier en misschien wel de zee bevroren. Dan zijn er ineens een hoop nieuwe hardlooproutes.

De vos had me niet gezien. Wat een vreemde plek voor een vos trouwens, bedacht ik me. Leefde hij niet in het bos, verscholen tussen de varens? Misschien dat de kerstlampjes ook voor hem de kou verzachtten. Hoe dan ook, het was een bijzondere vos: een stadsvos. Of een havenvos misschien.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie februari 2017

Zonneschijn

Wat een half jaar geleden nog onvoorstelbaar leek is nu bewaarheid geworden: sinds een paar maanden train ik zonder me zorgen te maken om de knie die me anderhalf jaar lang de bewegingsvrijheid van een hoogbejaarde gaf.

Er was eens een avond dat ik me bedacht de hele dag geen pijn te hebben gehad, maar toen ik de gewandelde meters optelde (door de gang naar de lift, van de fietsenstalling naar mijn werkplek) besefte ik hoe diep het dal was: nog geen vijfhonderd meter kon ik pijnvrij wandelen. Maar juist toen ik in dat lot leerde berusten en ik mezelf als hardloper wilde afschrijven verdwenen de problemen.

Hoewel ik sinds augustus weer voorzichtig kon opbouwen met korte stukjes joggen werd het optimisme in het najaar enigszins getemperd door overbelaste pezen waardoor ik na intensieve trainingen soms dagenlang niet kon lopen. Maar nu de zon dagelijks hoger aan de hemel prijkt en iedere dag 5 minuten langer duurt dan de dag tevoren lijken ook die problemen verdwenen… als sneeuw voor de zon.

Vorige week stonden Eeva en ik als enigen aan de start van een testwedstrijdje: vanwege de kou was de race afgelast. Met -25 graden was het inderdaad wat fris, dus besloten we er een goede training van te maken en stuurden we de man van de organisatie naar huis: hij hoefde niet te bevriezen om onze tijden te registreren.

Nooit heb ik met tegenzin hardgelopen, ik kan me echter niet herinneren ooit zo intens van iedere meter te hebben genoten. Het dal laat ik nu achter me en het uitzicht wordt bij iedere stap mooier en indrukwekkender. De lucht is zo helder dat ik vrij uitzicht heb en in de verte zelfs nieuwe doelen kan ontwaren.

Hoewel ik met 100-120km/week op slechts 75% van mijn ‘normale’ en op 50% van mijn maximale trainingsomvang zit gaan de trainingen zo onwijs gemakkelijk dat ik naar verwachting halverwege 2013 weer op mijn oude niveau zit en stiekem zelfs weer verder omhoog kijk.In februari loop ik in Nederland de Groet uit Schoorl-loop (10km), gevolgd door een halve marathon (waarschijnlijk de Venloop) en als alles zo voorspoedig blijft gaan volgt in juni wellicht de Paavo Nurmi marathon in Turku (Finland), de stad waar ik momenteel woon.

Mijn vriendin Eeva Sajanti tijdens een duurloop langs de bevroren Aura-rivier in Turku

Mocht je benieuwd zijn hoe het hardlopen in de Finse winter bevalt, lees dan mijn column in het hardloperstijdschrift Runner’s World, te koop bij de boekhandel.

Verdwaald

Het moet op een vroege lenteochtend zijn geweest dat ik langs de Amstel liep; vier roeiers van Nereus waren in horizontale strijd met het water, hun peddels scheerden over het water. Links van me, zo ver het oog reikte, de polder: felgroen van nieuw leven en bezaaid met ontluikende bloemen. De zon plakte aan een opgepoetste lentehemel. Net als alle elementen van het tafereel bruiste ik van energie, doordrongen van het gevoel dat alle geluk besloten lag in dat ene moment.

Hoe anders is het landschap hier! Het is eind februari, ik ben verdwaald in de taiga ten noorden van Jyväskylä. De weg kronkelt als maar voort door het dichte bos en het zicht reikt niet verder dan de volgende heuvel of een bocht in weg. In de sneeuw de verse sporen van eekhoorntjes en een haas, maar ze laten zich niet zien. Ook de mens niet trouwens. Alleen de gure wind jaagt in mijn gezicht. Maar hoezeer deze wereld ook uiterlijk verschilt met die ene lentedag aan de Amstel, opnieuw krijg ik het gevoel dat het hier en nu alles omvat.

In de buitenlucht wint het innerlijk leven aan intensiteit. We bouwen huizen om de wereld buiten de deur te houden: kou, wind of regen, maar ook het leven zelf. Je laat de wereld pas binnen door zelf naar buiten te gaan. De duurloop: een korte ontsnapping, een omhelzing van onze oude moeder, de aarde. Je bent het haar verplicht vanwege alle zorgen die ze om je heeft gehad.

Ik overdrijf natuurlijk, maar dat mag: er is immers niemand die me hoort of ziet. Als ik zou willen zou ik mijn middelvinger kunnen opsteken en het op een schelden kunnen zetten. Niet omdat ik boos ben, maar gewoon omdat het zo tegenstrijdig is met de vreedzaamheid van het bos. Misschien dat de pestvogel opfladdert, of dat de eekhoorn zijn beeld bevestigd ziet: de mens is een gruwelijk beest. Maar het wijze woud zelf zou het zwijgend bezien. Als het bos zich druk zou maken om alle fratsen van zijn bewoners, was het nooit zo oud geworden.

Misschien moet ik hetzelfde doen: gewoon vergeten hoe de mensen elkaar het leven zuur maken. Oorlogen hier en crisis daar – als je niet beter wist, zou de zin van het leven je compleet ontgaan. Ik sla de krant niet meer open maar trek iedere dag het bos in, om aan de wind te voelen hoe het er met de wereld voorstaat. De dwaze streken van de mens sla ik met een glimlach gade.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie mei 2013

Wedergeboorte

In Afrika kwam ik op plekken waar ze nog nooit een blanke hadden gezien. Hier, in Finland, kom ik op plekken waar nog nooit een mens is geweest. De enige sporen in de verse sneeuw leiden van de ene naar de andere boom. Ze zijn van de eekhoorn die ik gisteren betrapte toen hij snoepte van het vogelvoer.

Natuurlijk zijn de wegen door mensen aangelegd, maar dat was in een ander tijdperk. Vannacht is de wereld verpakt in een verse laag sneeuw. Ik ben de eerste die deze nieuwe wereld betreedt. De ochtend brengt een lichtshow speciaal voor mij; de zonsopkomst is spectaculair en houdt uren aan. Eenzaamheid is doping.

Ik verblijf een tijdje in een hut aan een meer. Er is een houtkachel, een sauna en een bootje. Het Finse roggebrood blijft lang goed zodat ik niet iedere week naar de winkel hoef te gaan. Ook kan ik gaan vissen op het meer. Zelfs in het midden van de winter worden er gaten in het ijs geboord om de snoeken en baarzen te vangen. De mensenwereld begint vijftien kilometer van hier. Daar is Virrat, een klein stadje met een supermarkt en een bibliotheek met internet.

Hier, bij het meer, heb ik rust gevonden na een paar laatste hectische maanden in Nederland. Ik kwam ben naar Finland gekomen om samen te zijn met mijn vriendin. Eeva is ook hardloopster, we hebben elkaar op trainingsstage in Kenia leren kennen. Maar toen ik in Finland aankwam namen we gelijk al voor korte tijd afscheid: op zoek naar rust en inspiratie belandde ik eerst in Lapland en later hier, bij het meer. Na anderhalf jaar knieblessure wil ik me weer op het lopen richten, daarnaast schrijf ik een verhaal.

Maar nu er zoveel sneeuw is gevallen zal aan het verblijf bij het meer een eind moet komen. De heuvels zijn te stijl om op te trainen als de sneeuw in ijs verandert. Ik trek weer terug naar de stad.  Daar wordt zand over de wegen gestrooid. De bospaden zijn er verlicht en er zijn grote indoor-sporthallen. Behalve luxe biedt de stad natuurlijk ook leven.

Rust vind ik er in de bibliotheek, tussen de intellectuelen en de zwervers. Waar de winters streng zijn worden mensen mild. Daklozen worden hier toegelaten in de verwarmde publieke gebouwen. Ze brengen sterke geuren met zich mee, waardoor de zaal met poëzie niet naar boeken maar naar mensen ruikt. En zo hoort het misschien ook.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie januari 2013