Wedergeboorte

In Afrika kwam ik op plekken waar ze nog nooit een blanke hadden gezien. Hier, in Finland, kom ik op plekken waar nog nooit een mens is geweest. De enige sporen in de verse sneeuw leiden van de ene naar de andere boom. Ze zijn van de eekhoorn die ik gisteren betrapte toen hij snoepte van het vogelvoer.

Natuurlijk zijn de wegen door mensen aangelegd, maar dat was in een ander tijdperk. Vannacht is de wereld verpakt in een verse laag sneeuw. Ik ben de eerste die deze nieuwe wereld betreedt. De ochtend brengt een lichtshow speciaal voor mij; de zonsopkomst is spectaculair en houdt uren aan. Eenzaamheid is doping.

Ik verblijf een tijdje in een hut aan een meer. Er is een houtkachel, een sauna en een bootje. Het Finse roggebrood blijft lang goed zodat ik niet iedere week naar de winkel hoef te gaan. Ook kan ik gaan vissen op het meer. Zelfs in het midden van de winter worden er gaten in het ijs geboord om de snoeken en baarzen te vangen. De mensenwereld begint vijftien kilometer van hier. Daar is Virrat, een klein stadje met een supermarkt en een bibliotheek met internet.

Hier, bij het meer, heb ik rust gevonden na een paar laatste hectische maanden in Nederland. Ik kwam ben naar Finland gekomen om samen te zijn met mijn vriendin. Eeva is ook hardloopster, we hebben elkaar op trainingsstage in Kenia leren kennen. Maar toen ik in Finland aankwam namen we gelijk al voor korte tijd afscheid: op zoek naar rust en inspiratie belandde ik eerst in Lapland en later hier, bij het meer. Na anderhalf jaar knieblessure wil ik me weer op het lopen richten, daarnaast schrijf ik een verhaal.

Maar nu er zoveel sneeuw is gevallen zal aan het verblijf bij het meer een eind moet komen. De heuvels zijn te stijl om op te trainen als de sneeuw in ijs verandert. Ik trek weer terug naar de stad.  Daar wordt zand over de wegen gestrooid. De bospaden zijn er verlicht en er zijn grote indoor-sporthallen. Behalve luxe biedt de stad natuurlijk ook leven.

Rust vind ik er in de bibliotheek, tussen de intellectuelen en de zwervers. Waar de winters streng zijn worden mensen mild. Daklozen worden hier toegelaten in de verwarmde publieke gebouwen. Ze brengen sterke geuren met zich mee, waardoor de zaal met poëzie niet naar boeken maar naar mensen ruikt. En zo hoort het misschien ook.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie januari 2013

De koolmees en de eekhoorn

Het is nu vrijdag. Maandag ben ik tijdens het hardlopen nog een mens tegen gekomen. Gisterochtend hoorde ik in de verte een motorzaag, dat telt ook als een teken van leven. Ik bevind me in een houten hut ergens in midden-Finland, aan de rand van een meer en vijftien kilometer vanaf het dichtstbijzijnde dorp. Ik mis ze niet, die mensen. Als ik wil kletsen loop ik naar buiten. Daar houden de koolmeesjes zich op rondom het vogelhuisje.  Ze zijn bedrijvig, vliegen af en aan en tjilpen je de oren van de kop.  Maar ze doen niets wezenlijks, net als mensen eigenlijk. De eekhoorn is van een ander slag. Die komt alleen even polshoogte nemen, vlucht weer de boom in zodra ik te dichtbij kom. Zonder iets te zeggen. De eekhoorn is vast een filosoof.

(dit alles wordt ondersteund door feiten: het is algemeen bekend dat koolmezen nog nooit iets zinnigs en eekhoorns nog nooit een onzinnig woord hebben gezegd)

Vanmiddag liep ik naar het meer en bekeek mijn spiegelbeeld in het wateroppervlak. Ik vroeg mezelf af of ik meer op een koolmees of op een eekhoorn lijk. Die gedachte heeft me de rest van de middag bezig gehouden. Wat doe ik eigenlijk? ’s Ochtend ga ik eerst hardlopen. Dan steek ik de kachel aan, ga wat schrijven, lezen en nog doe nog wat andere dingen. Maar ik ben opgeleid als arts. Ik zou best mensen willen genezen, maar er is hier niemand. Alleen die ene man op maandagmorgen. Hij had een hond bij zich, dat was ik vergeten de vermelden. Een man met een hond en een geweer. Een jager dus. Jagers hebben geen dokters nodig, die redden zich wel.