De eerste sneeuw

Is er iets droever dan de natte sneeuw? En de straten nat, de wind, en de lucht zo grauw als de ouderdom? Kristallen die vertranen als je ze probeert op te vangen? Warmte en liefde niet duldend, en jij en ik worden koud en nat?

Maar dat was een paar weken geleden. Daarna begon het te vriezen. De zandpaden versteend en ik daar overheen en over de brug, door de bossen, naar het eiland Ruissalo waar houten paleizen en prinselijke torentjes uitkijken over de zee die nergens zo rustig kabbelt als hier, gekalmeerd door de duizenden eilanden van de archipel. Ik, een eenzame loper dolend langs de kust, op zoek naar een vreedzame plek.

Hier, op de hoek van de kade vind ik een steen om op te zitten. Hier zou ik wel willen sterven, al is het nu nog veel te vroeg. Misschien over vijftig jaar, een hartaanval lijkt me wel wat al staat het woord me niet aan, te agressief. Een beroerte klinkt veel serener dus misschien op die manier. Of sterven van de kou. Mijn benen bungelen boven het water en mijn blik dwaalt over de eilanden die niet van elkaar te onderscheiden zijn en over de zee van verlangen die zich daartussen bevindt.

Mijn moeder vroeg me of ik nog een wens had voor ons nieuwe huis, dat aan de andere kant van de stad op een steenworp afstand van de rivier ligt. De rivier, die al een dun laagje ijs draagt. Het brandhout voor de kachel en de sauna is zojuist bezorgd, er is niets meer dat ik wens, moeder. Of misschien wens ik dat de rivier en de zee verder bevriezen, zodat ik me te voet naar de eilanden kan begeven, net als in de vorige winter. Maar laat het toch nog even zo zijn als het nu is: het water dat ons scheidt, zodat het verlangen de pas houdt met de ijslaag.

Ik heb te lang aan de waterkant gezeten, was me niet bewust van de kou die het lopen nu haast onmogelijk maakt. Met stijve benen dus terug door het bos, over de brug en langs de rivier. Vanuit het niets, de lucht is helder, vallen minuscule sneeuwvlokjes die door de wind naar de berm worden geveegd. Als ik thuis ben en de koffie pruttelt trekt een wolkendek voor de zon en begint het echt te sneeuwen. Nu is het dan toch de blijvende sneeuw, waarmee de winter is aangevangen.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie februari 2014

Sisu

Ik verlang naar de winter, maar ben er ook huiverig voor. Zodra de sneeuw valt is het gedaan met de nattigheid van de herfst, en is de buitenwereld ook niet meer zo donker. De keerzijde van de winter is dat de hardlooppaden door het bos, die tot tien uur ’s avonds zijn verlicht, aan skiërs en langlaufers worden uitgeleverd zodra de eerste vlokken de aarde raken.

Zo lang het nog kan kies ik dus voor de heuvelachtige route door het bos aan de rand van de stad. Argeloos rijg ik ’s avonds de sliert lantarenpalen als kralen langs het snoer van het pad, als ik plotseling word overvallen door een ijskoude plensbui. In een paar tellen zijn mijn kleren nat, en dringt het onbehagen tot in mijn botten door. De meeste kralen resten nog, de kortste weg naar huis ligt achter me.

Denkend aan Lasse Virén, de laatste Flying Finn, besluit ik dat er maar één weg is, en die ligt voor me. Bij de Olympische Spelen van 1972 leverde Virén de opmerkelijkste sportprestatie aller tijden. Halverwege de wedstrijd over tienduizend meter belandt hij, na een botsing met een andere atleet, op de grond. Snel krabbelt hij op om zijn race te vervolgen en in één ronde maakte hij de achterstand op de kopgroep goed. Voor even houdt hij zich stil, maar in het eind van de wedstrijd vliegt hij dan toch als uit een katapult naar voren en wint op legendarische wijze zijn tweede Olympisch goud.

Sisu, zo heet de wilskracht die nodig is om onverstoorbaar door te gaan als de kansen zich tegen je keren. In geen enkele andere taal bestaat er een woord die de lading van sisu dekt. Maar in Finland weet iedereen wat het is. Men is ermee opgegroeid. Misschien is er ooit, bij veertig graden onder nul, een natuurlijke selectie geweest. Sisu is de karaktertrek die men nodig heeft om de winter te overleven, de rest vriest dood.

Er zit een knoop in het kralensnoer: gedurende twee kilometer is er geen straatlantaarn te bekennen. In het pikdonker laat ik me leiden door de broze weerspiegeling van een onbestemd licht in de waterplassen op het pad. Kou, regen en duisternis – wanneer is eenzaamheid volmaakt? Juist als ik mezelf helemaal alleen waan, steekt een kleine vos het pad over. De kleuren van zijn vacht kan ik niet onderscheiden, maar het silhouet is onmiskenbaar: een spitse kop en een pijlvormige staart. De onverwachte ontmoeting is de hoofdprijs van de avond, sisu betaalt zich uit.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie januari 2014

Koorddanser

Voor de hardloper zijn de watertorens belangrijke markeerpunten. Matti legt me uit dat de reservoirs op de hoogste punten van de regio zijn gebouwd. De volgende kilometers zullen dus netto neerwaarts gaan. Met een onbestemd keelgeluid antwoord ik, voor woorden kom ik adem tekort. Vandaag dwalen we weer tientallen kilometers over de onverharde paden die het uitgestrekte bos doorkruisen. Het pad, dat met vurige bladerresten is bestrooid, danst bevallig langs reusachtige rotsen en dreigende dennen, maar ondanks de honderden hoogtemeters die we onderweg bij elkaar sprokkelen blijft het tempo hoog. De tempotraining van de dag tevoren is alweer verteerd.

Terwijl we langs de heuvel naar beneden roetsjen en daarmee een bejaard echtpaar onbedoeld de stuipen op het lijf jagen, denk ik terug aan het tafereel dat ik gisteren in een winkeltje aantrof. Minutenlang staarde ik naar boven, naar de pop die met behulp van een eenvoudig mechanisme heen en weer fietste over een koord dat dwars door de winkel was gespannen. Het fietsje werd in balans gehouden door een loodje, en een slinger aan de muur zorgde ervoor dat de helling van het koord telkens veranderde, waardoor de pop moeiteloos over het koord kon fietsen.

Net als de pop spotten Matti en ik met Newton’s natuurwetten. Of in elk geval, we buiten ze uit. Bij de klim zet je zachtjes aan, zodat je soepel naar boven veert. Naar beneden laat je je vallen en zorg je er slechts voor dat je benen je bijhouden. Het is de kunst om de benen niet te ver naar voren uit te strekken, anders rem je af. Je doseert je kracht, stuurt de val en komt tegelijkertijd op adem voor de volgende klim. Het bospad is ons koord, de watertoren is de slinger.

Matti onderbreekt mijn dwalende gedachten. Hij wijst me de zijpaden die we vandaag onverzilverd achterlaten. Het Finse landschap biedt de langeafstandsloper veel meer dan hij verlangt, maar als trainingsbestemming is het onbekend en dus ongerept. Zodra de eerste sneeuw ons overvalt zal de winter de paden echter aan de langlaufers uitleveren. Maar zover is het nog niet, het bos is nog van ons. Zou het kunnen, vraag ik Matti, dat niet alleen het pad, maar ook de heuvels en het woud in de loop der eeuwen speciaal voor ons zijn aangelegd? Verbeeld ik het me, of zijn die torens niet voor de watervoorziening gebouwd, maar puur ter oriëntatie voor hardlopers en langlaufers? Een onbestemd keelgeluid valt me ten deel, het pad draait een nieuwe heuvel op.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie december 2013

Waarom we lopen

De hardlopende mens verschilt van andere dieren daarin, dat hij bij tijd en wijle nadenkt over de vraag waarom hij hardloopt, maar die vraag steekt vooral de kop op wanneer hij even niet hardloopt. Hij zit op zo’n moment thuis op de bank, met een boek op schoot dat hem niet boeit, en staart voor zich uit. Filosofische vraagstukken zijn er immers slechts om lege momenten een schijn van betekenis te verlenen. Filosofen zijn nietsnutten die zich verschonen door te claimen dat ze de kern van de existentie verkennen, zich voorhoudend dat er iets van een ui overblijft als men die van zijn schillen ontdoet.

Ook hardlopen is salonfähig gemaakt. Waarom loopt men hard? Ik heb de filosofie inmiddels afgezworen. In plaats van hem te beantwoorden draai ik de vraag om: waarom loop ik op dit moment niet hard? Ik pak mijn schoenen, die nog nat zijn van de ochtendregen, en trek eropuit. Nog even langs de rivier om de zeemeeuwen te horen, om de koude buitenlucht in mijn gezicht te voelen en te wachten tot een bundel zonnestralen voor even door het wolkendek doordringt en het verkleurende bos in vuur en vlam zet.

Door de vraag om te keren blijft alleen het antwoord over: dit is de reden dat ik hardloop. Ik hol met mijn hardloopmaatjes over de atletiekbaan en we glijden over de heuvels alsof de benen wielen zijn. Welkom in de filosofie van de hardloper! Punt één: het universum reikt niet verder dan mijn benen me willen dragen. Punt twee: tijd is de afstand van boom tot boom gedeeld door de pasfrequentie. Punt drie: ik ben omdat ik loop en andersom. Jaloers kijk ik naar de ekster die over het pad hupt en plotseling weg fladdert. Ik ben vrij en gezond, ik kan lopen, hardlopen, maar op eigen kracht vliegen is me nog nooit gelukt. Ik was een jaar of zes toen ik dat voor het eerst probeerde: ik liep door de storm van school naar huis, leunde voorover tegen de wind om niet te worden weggeblazen en kwam op een idee dat wonderlijk genoeg nog nooit door iemand anders was bedacht: als ik nu spring, zo hoog ik kan, en in het bovenste van mijn sprong nog eens spring, en nog eens, en eindeloos in mijn sprongen verder omhoog spring, dan kan ik vliegen zonder vleugels. Ik heb het geprobeerd maar het is me niet gelukt. Nog niet. Het vereist veel oefening, net als lopen. Dus loop ik hard omdat ik niet vliegen kan.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie november 2013

Nazomer

De Finse zomer is warm en intens. Toch beginnen de berken te verkleuren en draagt de appelboom ineens prille vruchten. Het kleurenpallet is mooi, maar stemt me een beetje weemoedig: is dit het einde van de zomer? Het bos verkleurt echter niet van de naderende herfst, maar van de maandenlang aanhoudende droogte. Dan regent het plotseling een weekend lang, en zijn we voor even verlost van het gouden pallet. Het bos is weer even vol en groen als in juli.

Twee dagen na een halve marathon heb ik met twee vrienden afgesproken voor een lange duurloop, maar na anderhalf uur houden mijn maatjes het voor gezien. Het tempo lag redelijk hoog en Matti heeft over twee dagen alweer een wedstrijd op de planning.

In mijn eentje vervolg ik de weg door het schemerrijke bos. Maandenlang was de zon, zelfs ’s avonds laat, niet weg te denken en de bermen stonden volop in bloei. Aan het begin van de zomer leerde Eeva me al hardlopend de Finse namen van de bloemen, maar in juli waren er zoveel soorten dat het niet meer bij te houden was. Vanavond is er geen bloem meer te zien. Het pad is half bedekt door berkenbladeren en de bodem is doordrenkt van de regen.

Syksy. De afgelopen dagen heb ik het Finse woord voor de herfst verschillende malen gehoord. Eeva fluisterde het eens voor zich uit toen de regen ’s nachts tegen de ruiten sloeg – ik meende dat ze sliep. Maar ook op straat vang ik het woord zo nu en dan op. Zojuist meende ik zelfs van een van de meeuwen te horen. De genadeloze klank van het woord doet me sidderen; de herfst komt voor mij veel te vroeg. Laten we het dus voorlopig maar nazomer noemen.

Vreemd genoeg verlangde ik op de heetste zomerdagen terug naar de winter. Misschien vanwege de dagelijkse verrassing: sneeuwt het, zal de zon zich laten zien? Een paar weken geleden stelde ik dan ook tevreden vast dat het ’s nachts weer echt donker bleek te worden. Toch heeft de zomer ook genoeg fijns te bieden. Zo zijn de meeste bospaden zijn in de winter niet voor hardlopers toegankelijk – dan zijn de langlaufers aan de beurt. Nazomer dus. Nog een paar weken om hard te trainen voor de najaarsmarathon. Fragmenten van deze zomer zal ik meenemen tot dat moment. In twee-en-een-half uur zal ik die zomerrestjes dan verteren en mezelf klaarmaken voor een nieuw winteravontuur van duizenden kilometers door de sneeuw.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie oktober 2013

Marathon & joy

Anno 2013 gaat alles anders: Rusland verleent asiel aan Amerikanen, Nederland levert gas aan een Syrische tiran om zich tegen zijn onderdanen te weren, en mijn eigen marathonvoorbereiding kenmerkt zich door flexibiliteit en plezier. Zeker, plezier heb ik altijd gehad in mijn trainingen, maar het was af en toe wel wat eenzaam. In mijn eentje jakkerde ik over de Twentse wegen, of doorkruisde ik de Utrechtse heuvelrug, blij als ik eens een ree tegenkwam.

Hier, in Finland, word ik niet alleen opgejaagd door beren en wolven, maar heb ik ook nog eens volop mogelijkheden om mijn trainingen met anderen te combineren. Twee tot drie keer per week train ik samen met maatjes van hetzelfde niveau: Matti, Jukka, Johannes of Heikki. En ‘s ochtends vroeg loop ik vaak een rondje samen met Eeva.

Gert-Jan & ik tijdens duurloop in het Finse merengebied (dank aan Freek).

Vorige week hadden we in Turku hoog bezoek. Gert-Jan Wassink, de zilveren medaillewinnaar (driemaal op NK 5000meter), was namelijk voor enkele dagen onze gast. De kans werd met beide benen aangegrepen door mooie duurlopen te doen in het merengebied van midden-Finland en langs de oever van de Aura-rivier in Turku. Tussen de trainingen werd de sauna opgewarmd en konden onze gasten vissen in het meer.

Door alle loopmaatjes en sparringpartners beleef ik nog meer plezier aan de marathonvoorbereiding dan tevoren. De trainingen gaan ook erg goed, maar ik maak minder kilometers dan in het verleden (dit jaar maximaal 170 in een week, in 2010 was dat nog 220km). Op zaterdag 14 september staat mijn eerste najaarsmarathon op het programma: de Finlandia marathon in Jyväskylä, tevens Finse kampioenschappen. Dan zal ik zien of deze manier van trainen goed voor me is.

Sauna

Rond midzomer zijn we weer in de hut aan het meer in midden-Finland. Ik kom er graag, al was het om de droeve roep van de parelduiker die laat in de avond over het slapende meer weerklinkt. Het is een kreet waarvan je hart haast overslaat. De roep wordt door een onheilspellende stilte gevolgd, tot een halve minuut later vanuit de verte een andere parelduiker antwoordt: gedeelde smart is halve smart.

Vanaf de hut is er één hardlooproute, maar na een paar kilometer over pittige heuvels split het weggetje. De weg naar rechts gaat kort maar steil omhoog. Linksaf biedt een geleidelijkere klim, maar die houdt meer dan een kilometer aan. De derde keus, de weg terug, is steil én lang. Kortom, bij de hut is het altijd aanpoten, een ontspannen duurloopje zit er niet in.

Bij terugkomst wacht de sauna. Ieder huis, zelfs ieder publiek gebouw bevat een sauna en de gemiddelde Fin maakt er minstens eenmaal per week gebruik van. De houtgestookte sauna bij de hut is me veel liever dan de elektrische waarover we in de stad beschikken. Traditiegetrouw neem ik een blikje bier mee naar binnen. Heerlijk ter koeling als de hitte in je gezicht slaat. We plukken een paar bladertwijgen van de berk en binden ze samen om ermee op je lichaam te kunnen slaan. ‘Vihta’ heet dat. De prikkelende geur van het bladgroen mengt zich met de hete dampen en dat zou heilzame effecten hebben.

De sauna is meer dan drie maal zo oud als het christendom, en nog veel heiliger ook. Zevenduizend jaar geleden bouwde men hier al ondergrondse rooksauna’s om de winter te overleven. Sindsdien is de sauna niet weg te denken uit dit land. De meeste ouderen zijn erin geboren – niet alleen vanwege de warmte, maar ook vanwege de steriliteit die er heerst: er is haast geen bacterie die zo’n hitte overleeft. In de sauna wordt het de stugge Finse volk week en ontluikt zijn psyche. Zo vertelde Rami, die behalve een vriend ook een gerespecteerd 800m loper is, in de sauna dat hij vader zou worden. Ook bij feesten wordt de sauna opgewarmd. Naakt zitten wildvreemden tegen elkaar aangeklemd, terwijl de berkenbladeren rondgaan. Als je geluk hebt, wilt een ander je even op de rug slaan, daar waar je zelf niet goed bij kunt. De één slaat hard, de ander zacht, maar iedereen ademt dezelfde lucht. En dat is allemaal doodnormaal.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, september 2013

Het bos

Soms is ze vrolijk – de lijsters kwinkeleren, en ze zendt meesjes die me nieuwsgierig komen begroeten als ik bij de esp stop om mijn bovenbeenspieren te rekken. Twee eekhoorntjes roetsjen speels langs de boomstam omhoog, haasten zich tot het uiteinde van een dun twijgje en springen dan, met hun staart als parachute, over op een andere boom.

Soms is ze verdrietig. Het lukt de zon niet om de mist te verdrijven. Gapende grotten en zwarte poelen openbaren duistere angsten, en de varens presenteren de tranen van de dauw die de ochtend is vergeten weg te poetsen. Haar triestheid is zo groots en intens, dat je er zelf troost in vindt.

Soms is ze statig. Een blanke wacht van berkenstammen staat stilzwijgend langs het pad waarop het naaldentapijt je passen dempt. De rotsen zijn bekleed met fluweel van eeuwenoude mossen, waarin piepkleine bloempjes als parels verzonken liggen. Zelf ben je slechts een vluchtige passant in de zaal waarin de odeur van eeuwigheid heerst.

Soms is ze eenzaam – de rauwe kreet van een kraai echoot in de peilloze diepte van haar ziel. De pijnbomen staan dicht op elkaar, strekken hun armen uit maar durven elkaar niet te strelen. Je hart brandt, je roept, rent de heuvel op, op zoek naar leven. Ze is overal om je heen, maar ook nergens. Je voelt de ogen van de lynx, die – zelf onzichtbaar – je gadeslaat, liever ziet dat je gaat.

Soms is ze verleidelijk. Haar boezem heeft ze met bosanemonen versierd en ze wenkt je met de lokroep van een vink in paringstijd. Een vlinder fladdert omhoog, langs de zonnestraal die de boomtoppen is doorgebroken. Er gonst een onhoorbaar lied van onvervuld verlangen in de zoete harslucht die tussen de bomen hangt. Ze is onbezonnen en wijs, potsierlijk en kaal. Ze is de dood en de eeuwige wederkeer. Het bos is een vrouw, dat weet ik zeker. Haar gemoed is veranderlijk, haar entourage elegant, en ze weet met haar gratie te bekoren. Het bos vormt de ziel en het geweten van de Fin; ze is meesteres en ze wordt bemind. Hardlopend verken ik de zomen van haar jurk, en stel mezelf voor dat ik haar bezit, dat ze slechts mij haar lichaam biedt. Met een zuchtje wind vertrouwt ze me haar geheimen toe; en met een tempoversnelling heuvelop antwoord ik haar: ik ook van jou.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie augustus 2013

Zomernacht

Midden in de nacht wandelen we vanaf de bushalte naar huis, langs het park dat geurt van de bloeiende esdoorns en olmen. Een paar dagen geleden droegen de bomen slechts bloesemknoppen, maar nu dragen ze hun weelderige bladerjurk. De maan, eerste kwartier, hangt scheef, hoog aan de schijnduistere hemel van de Scandinavische schemernacht. In de paar dagen tijd is de zomer ingezet, magistraal georkestreerd als een symfonie van Sibelius.

Hij had zich reeds aangekondigd, de zomer. Tijdens mijn duurloopjes ontdekte ik de afgelopen weken telkens nieuwe vogels, bloemen en af en toe zelfs een vlinder. Zo vond ik in het bos, aan de oever van de archipel, een bed van purperen leverbloempjes en parelmoerwitte bosanemonen, en de bermen kleurden diepblauw van de sterhyacint. De wereld maakte zich op voor haar jaarlijkse metamorfose. Toch overrompelt de plotseling weelderigheid van de natuur me, nu, bij terugkomst in Finland na een weekend in Kopenhagen.

Simultaan met de zomerse toverslag ben ook ik veranderd: ik ben weer marathonloper. Een langdurige knieblessure, waarvoor een operatie noodzakelijk was, heeft me twee jaar van de straat gehouden. In Finland kon ik het lopen weer oppakken. Struinend over de winterse wegen verzamelde ik de kilometers, en ademde ik de koude lucht die nodig was om de moed te voeden. In februari liep ik mijn eerste wedstrijdje weer, maar voor het echte werk, de hele marathon, moest ik van mijn verstand tot het najaar wachten.

Mijn gevoel zei echter iets anders. Dus meldde ik me in maart aan voor de voorjaarsmarathon van Kopenhagen, in gedachte houdend dat ik me altijd nog terug kon trekken. Twee dagen voor de wedstrijd leek het daar inderdaad op uit te draaien; ik had al dagenlang last van mijn rug waardoor ik nauwelijks kon lopen. Daags voor de wedstrijd verdwenen de rugklachten echter, alsof de goden op de Olympus ineens tot inkeer waren gekomen. Ik besloot mijn kans dan maar te grijpen.

Het pakte goed uit. Met hevige regen waren de condities loodzwaar en de laatste kilometers waren een fysieke martelgang, maar mentaal betekende het een verlossing. Hoewel ik met 2u34 ik ver van mijn persoonlijk record verwijderd bleef, brachten de laatste meters me waar ik thuishoorde: tussen de marathonlopers.

Een paar uur later vliegen we terug en middernacht komen we weer in Turku aan. De zomerparfums van de bloesems doen de blaren en spierpijn op slag vergeten: de zomer neemt bezit van mij.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie juli 2013

Fucking traffick

Als we na een uur dolen over de onverharde wegen in het meren-gebied van Midden Finland een auto tegenkomen, mompelt Eeva twee engelsklinkende woorden die niet door de spellingscontrole komen. En ze meent het. Ik ben het roerend met haar eens: waarom kunnen we niet lekker onze training afmaken zonder andere mensen tegen te komen? En wie haalt het in zijn hoofd om op deze mooie zomerdag in een stuk blik door het bos te razen?

Twee weken geleden werd hier een bruine beer gespot – stiekem hoopte ik ‘m zelf nog tegen het lijf te lopen, liefst zonder nare complicaties. Het leek me een geweldige belevenis om zo’n levensgrote knuffel te omarmen. In de geraadpleegde boekjes stond dat de meeste (navertelde) mens-beer ontmoetingen vreedzaam verlopen. In plaats van hard weg te rennen is het beter om de rust te bewaren. Lopend zou zelfs Usain Bolt geen schijn van kans maken, en bovendien wek je door te vluchten het jagersinstinct – ja, er bestaat zoiets als dierenpsychologie.

In plaats van de beer verschijnt er dus een auto, op een weg die zeer waarschijnlijk voor auto’s is aangelegd. Maar dat geeft ze nog niet het recht onze rust te verstoren, verdomme! Als de rust is weergekeerd, en onze hijgende adem zich met die van Tapio, de bosgod, mengt, realiseer ik me hoe mijn belevingswereld veranderd is. ‘Eén enkele auto tijdens een duurloop van een uur,’ laat ik me lachend ontvallen. Eeva kan er de lol niet van inzien: dit is ons bos, onze weg, onze training. Bovendien zijn we nog lang niet bovenaan de heuvel. Maar de berm staat vol bruidsboeketten en een eenzame gaai vliegt voor ons uit. Vrede is daar waar geen mensen zijn.

(twee dagen later scheuren we over dezelfde weg met de auto naar het dorp, om per bus verder terug te reizen naar de bewoonde wereld van Zuid-Finland)