Ruska

Als de zon zich schoorvoetend terugtrekt, volg ik haar, de wildernis in. In het bos, waar de stugge naaldbomen door kopergele berken worden gestut, heerst de duisternis al, maar in het moeras doet de avondzon de rode moerasgrassen en bronzende struiken glanzen als de lippen van een oosterse prinses. Oh Ruska, het ravissante kleurenspel van de herfst, en de hardloper die in zijn vermoeidheid zo’n makkelijk prooi is, hij proeft van de bosbessen en vervolgt dan zijn pad in de richting van de Rijsberg (een vermolmd bord met haast onleesbare letters, nog 30km).

De herfst is zoveel zachter dan ik had verwacht. Vroeg op een morgen eind augustus echoden de rauwe kreten van kraanvogels over het meer dat nog gevangen lag in een dichte mist. Ze begonnen aan hun trektocht naar Afrika. De dag erna begon het te regenen en het duurde niet lang of het bladgroen trok zich terug uit de gewassen. Op een gegeven moment hield de regen het voor gezien – misschien had hij zich vergoten. Hij liet de wildernis over aan Ruska, die eerst de berken, dan de lariksen en lijsterbessen wenkte, een magistrale kleurensymfonie dirigeerde.

Ruska is haar naam, en ik ben haar minnaar. De zwarte beekjes fluisteren zinspelende verzen, de wulpse paddenstoelen zijn nieuwsgierig uit de grond geschoten en de moerasgrassen blozen. Ruska, haar schoonheid is de hoogste kunst. Schilderijen zijn kinderspel, gedichten schieten woorden tekort en de muziek, tenslotte, is slechts gemaakt om bij de open haard de stilte te vullen als de kou het land in zijn greep heeft en de vogels zijn weggetrokken. Neem nou die kale boomstronk, van een dode dwergberk misschien, de takken ervan kronkelen lustiger dan de levendigste Jugendstil. Maar voor een museum laat Ruska zich niet vangen. Haar steelse blik is er een in het voorbijgaan. Ze ontkleed zich, maar als je denkt haar naaktheid te mogen zien, verdwijnt ze in het niets. Tussen al het groen en geel van de naaldbomen en de berken ligt een kleine open plek en in het midden ervan staat een boompje met bladeren als vlammen zo rood. Het is een esp van slechts een paar meter hoog, een paar bosbessenstruiken hebben zich aan haar voeten geworpen. Op de weg terug speur ik om me heen, zie duizenden bomen maar niet één andere esp. Het was de enige esp in het hele bos, de enige vuurrode boom in een geelgroen bos, en dat is poëzie, zou Remco Campert zeggen.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie november 2014

Ren, dier, ren!

De weg naar het Noorden is haast eindeloos. Twee dagen doen we erover om Posio, een plaatsje in Lapland, te bereiken. Een politieman die Eeva probeert te versieren en enkele rendieren op de weg zorgen voor vertraging maar de tijd telt niet zo zwaar hier, nabij de Noordpoolcirkel, waar de avonden zich nog steeds uitstrekken over de oneindigheid van het moerasland en de meren, al is de zomer reeds ver gevorderd. Negen maanden lang werken we bij de gezondheidspost van Posio. In die tijd zullen de wegen ondersneeuwen en zal het meer bevriezen. Op een gegeven moment zullen we de hardloopschoenen moeten inruilen voor de ski’s. Maar nu nog niet, laat ik het krekellied dus niet verstoren, zo lang de zomer nog duurt.

Voor hardlopers is er maar één manier om de stijfheid van de lange autoreis te verdrijven, dus trekken we erop uit voor een verkenningsloopje door Posio, een kruispunt van doorgaande wegen dat is opgeleukt met een supermarkt, kapper en wonder boven wonder een atletiekbaan. We lopen langs de gezondheidspost, dat aan het meer ligt, net als ons huisje, terwijl de zon zich opmaakt voor haar avondduik. Voor hoe lang, vraag ik me af, want als de zon ondergaat doet ze dat ‘s zomers aan de noordelijke horizon en ’s winters in het zuiden.

Eeva wijst me een kudde rendieren en als we ze naderen zoeken de kalveren dekking in  de struiken. De vader sukkelt ze achterna. Net zo min als een luipaard een lui paard is, is een rendier een ren-dier, het heeft zijn naam via een etymologische omweg aan zijn gewei (hreinn) te danken en daarmee is het woord rendier verwant aan hoorn en rund. In werkelijkheid is een rendier zo lui als de pest en behoren luipaarden daarentegen tot de snelste renners ter wereld.

De regio Posio telt vierduizend mensen en even zoveel vierkante kilometers. Wij, mensen, vormen een etnische minderheid. Als de rendieren stemrecht zouden hebben, zouden wij onze belasting aan hen afdragen, vermoed ik zo. Ik zal dus moeten inburgeren, me de rendiermentaliteit eigen maken en dat zonder mijzelf als mens tekort te doen – ziehier het allochtonendebat. De bospaden liggen er verleidelijk bij. Nu ik hier nog niet helemaal thuis ben zal ik ze echter moeten weerstaan want de wildernis strekt zich in alle windrichtingen uit en de kans op verdwalen is levensgroot. Dagenlang ronddolen en overleven op een dieet van bessen en paddenstoelen klinkt waarschijnlijk mooier dan het is. Een mens is tenslotte geen rendier.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie oktober 2014

Angst voor de dood

door werk ik als dokter in het ziekenhuis van Turku en daar heb ik nu een man van bijna honderd op de afdeling. Hij is nooit getrouwd, heeft geen kinderen en zijn organen zijn versleten. Het enige dat ik kan doen is de bacterie doden die zich in zijn bloed heeft genesteld.

Soms doe je er beter aan op de zaken vooruit te lopen. Zo besprak ik met hem de mogelijkheid dat zijn hart ermee ophoudt. Ik stelde voor in dat geval niet te reanimeren, zodat zijn leven niet aan de apparaten hoeft te eindigen. Hij moest even slikken maar was het met me eens: het leven dient menswaardig te worden geleefd. Maar terwijl hij dat zei was in zijn ogen de angst voor de dood duidelijk te lezen.

Hij vertelde mij dat hij ooit een goede hardloper was. Hij hoorde tot de besten van het land en trainde met mannen die Olympische medailles wonnen. Maar nu ligt hij in bed. Zijn hart kan het bloed niet meer rondpompen en ook zijn lever heeft het begeven. Hij heeft moeite met zijn rol als patiënt. Het lichaam, dat vroeger oppermachtig was, gehoorzaamt niet meer. De zuster brengt hem te eten en zijn medicijnen worden met een infuus toegediend.

Ik google zijn naam. Tevergeefs; de uitslagen van zestig jaar geleden zijn meegevoerd met de rivier der vergetelheid. De hardloopstatistieken zijn hem vergeten.

Meestal laat ik mijn patiënten achter, in het ziekenhuis, maar deze oude man neem ik mee met mijn duurloop langs de rivier. In de stad is de kade vol met mensen want het is zonnig en warm. We lopen een rondje om het kasteel, langs de haven waar net de boot vanuit Stockholm is aangemeerd en dan rennen we terug naar de stad. We steken de rivier over en gaan de heuvel op naar de mooiste atletiekbaan ter wereld. Daar trekken we een paar sprintjes en dan gaan we in het gras liggen. Ik sluit mijn ogen. Het moet een pittige training voor hem zijn geweest, al die mensen op de kade keken op van de oude man in patiëntenpyjama die, met infuus en al, zo kwiek met me meeliep. Je hoorde overal oh en ah en een politieagent meende hem te moeten bekeuren maar we waren niet te stoppen. Als hij morgen nog leeft zal ik aan onze gezamelijke training memoreren. Misschien dat de dood veel minder beangstigend is als je weet dat er iemand is die je meeneemt met een duurloopje.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie september 2014

De roep van de kraanvogel

Om kwart voor vier werd ik wakker. Het was al licht en ik dreef in een zee van sluimerend bewustzijn toen de luidkeelse roep van kraanvogels over het meer klonk. Ik sprong overeind en keek uit het raam, maar er hing zulk een dichte mist boven het meer dat ik de vogels niet kon zien. De avond tevoren wel, toen bevond ik me op de onverharde weg die langs de moerassen en het meer naar Särkelä voert en ik stond even uit te hijgen van het hardlopen. Ik hoorde dezelfde roep, een krachtig geluid van jongvolwassen kraanvogels die vastberaden zijn aan een reis van duizenden kilometers te beginnen. Met trage maar krachtige vleugelslagen stegen ze op en vertrokken in zuidelijke richting. Met de roep van de kraanvogel werd de herfst ingeluid. In de middag trokken donkere wolken over de moerassen en de mensen vertelden me dat het gedaan was met de zomer. Komt de zomer werkelijk niet meer terug, vroeg ik bezorgd. Zeker wel, maar niet voor het volgende jaar, zo luidde het antwoord. Vanaf nu worden de dagen korter en over een maand of twee komt de sneeuw. Lapland kent vier seizoenen: lente, zomer, herfst en winter en de seizoenen liegen hier niet. Ik wilde nog wat vragen, maar toen ik om me heen de instemmend knikkende gezichten zag, slikte ik mijn vraag in. In de avond begon het te regenen en vanochtend werd ik wakker van getik tegen het raam.

Het moeras
Het moeras


Oriëntatie

Vergeet de atletiekbaan. Vergeet de marathon en ook de trail. Vandaag debuteer ik op de suunnistus, de oriëntatieloop, een wedstrijd zonder vaste route. We krijgen een landkaart waarop enkele punten (de rasti’s) zijn gemarkeerd en we krijgen een soort van elektronische sleutel die registreert wanneer we die rasti’s aantikken. De landkaart is gedetailleerd, geeft niet alleen de paden en hoogtelijnen aan maar ook rotsformaties, plassen en stukjes moeras. De kortste route bestaat natuurlijk uit de rechte lijnen van rasti tot rasti, maar vaak loont het om een lastige barrière te omzeilen.

De wedstrijd is uitgezet in een heuvelachtig stuk bos op enkele kilometers van ons huis. Het is voor mij bekend terrein, en zo weet ik op drie van de zes trajecten de snelste tijden neer te zetten maar tegen het einde van de race raak ik verdwaald en zo word ik uiteindelijk twaalfde over de totale wedstrijd. Eeva eindigt vier plaatsen boven mij.

Wat bezielt me om hieraan mee te doen? Is de suunnistus een hype voor mensen die niet genoeg plezier vinden in het hardlopen zelf? Nee, het is een serieuze sport die hier, in het Noorden, al honderden jaren wordt beoefend. Onder de suunnistaja (de oriëntatielopers) vind je ijzersterke atleten. Zo train ik regelmatig met Lasse Suonpää en met de Franse wereldtopper Frédéric Tranchand die contractueel verbonden is aan een vereniging hier in de regio. In de winter vroeg ik eens of ik kon aanhaken bij een suunnistustraining, maar toen Frédéric vertelde dat hij in het donker met kompas, landkaart en zaklamp door het moeras dwaalde, meende ik dat ik maar beter eerst wat ervaring op kon doen.

Soms is er een massastart, maar meestal starten de lopers met een paar minuten verschil, zodat iedere atleet zijn route zelf moet uitzoeken. Bij het kleine wedstrijdje van vanavond schrijf je in en start je wanneer het je uitkomt. Niks geen stress of je wel op het juiste moment aan de start verschijnt en of er nog tijd resteert voor een haastig bezoek aan het toilet. In de wedstrijd komt het niet alleen aan op snelheid en techniek maar ook op concentratie. Een suunnistaja vertelt me dat hij traint door tijdens het hardlopen kruiswoordpuzzels op te lossen. De suunnistus kent alles wat het lopen mooi maakt en de sport kan rekenen op flinke media-aandacht, want de Finnen doen het internationaal gezien goed. Suunnistus is uitzonderlijk populair in Scandinavië, maar wordt ook meer en meer in Hongarije, Zwitserland in andere landen beoefend. Toch is de sport niet zo ernstig aangevreten door de commercie als de wegatletiek. Voor mij is de suunnistus echter niet meer dan een flirt, ik ben nu eenmaal een geboren marathonloper.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie augustus 2014

Kameraadschap

Op zo’n vier uur rijden van Turku ligt Vierumäki en daar wentelt een fietspad door het bos en over dat pad lopen veertig Finnen hun kampioenschap. Het rondje is ruim drie kilometer lang en wordt zeven keer gelopen en de bochten en glooiingen in het pad maken het een stuk pittiger dan gedacht.

Maar ach, ik heb nieuwe, felblauwe schoenen en de lucht is nergens zo schoon als hier dus ren ik door het bos en tel de ronden die ik nog heb te gaan. Ik ken ze niet allemaal, die jongens, maar ik weet dat ik welkom ben want ze lachen vriendelijk en ze zijn behulpzaam als je Finse woordenschat je in de steek laat. Dat ik geen Fins paspoort heb is bijzaak, want een Fin ben je met je hart, niet op papier.

Na een iets te vlotte start laat ik me terugvallen en bouw van achterin de wedstrijd op. Gedurende de wedstrijd raap ik atleten op, zoals dat in hardlopersjargon heet, maar echt oprapen doe ik niet, ik laat ze creperen in de berm langs het fietspad en doe of ik hun gekerm niet hoor. Dit is de ware kameraadschap, immers, dit genadeloos rammen, we mogen van geluk spreken dat niemand ons ziet. Geen verborgen camera’s hier, de vogels trekken zich niets van ons aan en de berken bedenken zich nog een eeuwigheid.

Onder de atleten zijn ook Jukka en Jaakko Kero, twee leden van de grootste hardloopfamilie van Europa. Het zijn beren in mensenhuid en als je niet uitkijkt scheuren ze je aan flarden. Halverwege de wedstrijd haal ik ze in maar ze geven zich niet gemakkelijk gewonnen. Kilometers lang draven ze achter me aan maar dan heb ik plotseling een gaatje. In de laatste ronde wordt Jukka echter bloeddorstig en jaagt me met zijn dreigende passen de stuipen op het lijf dus graaf ik diep om hem voor te blijven en het lukt me maar ik meen dat ik onderweg een paar organen verlies. Jukka kan daar wel om lachen, maar ik vergeef het hem niet en zal ook de volgende keer mijn overgebleven organen opofferen totdat er werkelijk niets meer van me overblijft. Ik word achtste in de wedstrijd. Achtste van het land dat mijn hart heeft gewonnen en ik ben ze dankbaar, de jongens die nog in de berm na-creperen en Jussi Utriainen, die met ruim drie minuten voorsprong op mij de wedstrijd wint, en ook alle anderen. Dankbaar dat ik erbij mag horen, dat je, zodra je een Finse winter hebt overleefd, bij de kampioenschappen volledig meetelt en dat de migratiefobie niet is doorgedrongen tot de sport.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie juli 2014

De smid en zijn vuur

Aan de oevers van de rivier liggen nog platen ijs, korsten van de winter, maar hier, langs het pad, ontluikt het leverbloempje. In rap tempo lengen de dagen en als je ’s ochtends vroeg de wegen verkent zijn de meesjes al druk aan het kwetteren. Thans lacht de zomer je toe.

De wereld bestaat niet zo lang je haar niet betreedt. Dus ren je langs de paden die vrolijk over de heuvels krullen. Vol gas, stevige tempoblokken want over een paar weken wil je er staan. De hazen stuiven het veld in en ook de mensen die je treft wijken voor je uit. Jij bent de smid, het pad is het aambeeld en je benen zijn de gereedschappen waarmee je het staal vervormt. Maar wat moest je beginnen zonder de vurige wilskracht?

Bij de watervallen pauzeer je even. Je verbaast je over de honderden meeuwen die er zijn neergestreken. Hun wild gekrijs priemt door de het volle gedonder van vallend water. Waarom zijn ze juist hier beland? Zouden ze uit de woeste stroom visjes weten op te pikken?

In de natuur wordt de hoogste vorm van complexiteit in alle eenvoud gepresenteerd. Alles heeft een oorzaak maar een hoger doel dient het niet. Hoe schril is het contrast met onze mensenwereld. Wie bij de industriële revolutie nog dacht dat de machines ons werk uit de handen zouden nemen is bedrogen uitgekomen. De samenleving kenmerkt zich door een complexiteit die steeds meer toeneemt bij het streven naar een obscuur, maar naar verluid hoger plan. Utopia.

Hardlopen vormt de brug tussen je gedachten en de werkelijkheid. Werp nog eens een blik op die meeuwen en luister naar hun kreten. Klaagt de een over het weer en de ander over zijn depressie? Of is ontevredenheid een typisch menselijke trek? Zijn we daarom altijd op zoek naar beter?

Met tegenzin maak je jezelf los van het tafereel. Je benen dragen je terug langs de rivier naar huis waarvan de plek door de ondergaande zon is gemarkeerd. De velden glanzen in het avondrood.

Na de training lig je op de bank om bij te komen. De krant glipt uit je vingers en je sukkelt in slaap. Even rap als jij over de paden stoof trekt nu de tijd aan je voorbij. Je lichaam, even tevoren nog zo jong en sterk, is oud geworden, gebroken. Je lichaamscellen schreeuwen het uit van pijn en vermoeidheid. Stel je nu eens niet de vraag waarom je dat doet, dat hardlopen. Want dan zul je beseffen dat jij, ondanks je verlangen naar eenvoud, een mens bent als ieder ander. Je kunt wel zo hard vloeken op de complexiteit van de samenleving en de ontevredenheid die daaraan ten grondslag ligt, maar misschien is die ontevredenheid in feite niets anders dan de wilskracht als die jou over de wegen drijft. Het hardlopen, een al te menselijke bezigheid.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie juni 2014

Eenvoud

‘En zo raakte ik honderden trainingskilometers kwijt,’ vertelde Miika Takala me enigszins beteuterd. Hij was voor een trainingsstage in Ethiopië geweest, wachtte iedere training wel een kwartier op GPS-signaal, maar toen hij na al dat geduld de trainingen online wilde opslaan ging dat mis vanwege problemen met het internet. Er zat niets anders op de trainingsgegevens te wissen, want het geheugen van het peperdure horloge was vol.

Lachend wijs ik op mijn eigen horloge. Twee tientjes kostte het. Een klassiek model dat tot honderd meter waterresistent is. Het heeft een stopwachtfunctie en een zwak lichtje maar niets meer dan dat. Ik herinner me nog goed hoe zo’n vijfentwintig jaar geleden een vriendje van mij zijn waterdichte horloge liet zien. Die kon je gerust aanhouden onder de douche, leek me. In tegenstelling tot de op GPS-signaal wachtende hardloper is de techniek niet stil blijven staan.

‘Maar als je, in kilometers, een rondje om de wereld hebt volbracht is het wellicht tijd om ermee te stoppen,’ leg ik Miika voor. Zelf vind ik het veel prettiger te trainen zonder de afhankelijkheid van de techniek. Zonder de hulpmiddelen ontwikkel je het gevoel voor snelheid en inspanningsniveau. Tegenwoordig voel ik precies aan wat ik nodig heb en doe ik zelfs niet meer aan schema’s of logboeken.

Nee, veel heb ik niet nodig. Na de duurloop met Miika trek ik me voor een weekje terug in een hut aan het meer. Hardlopen en schrijven en verder niets. Helemaal alleen in het bos, slechts het gefluister van de wind en het knetterende vuur in de haard. Tweemaal per dag trek ik de hardloopschoenen aan maar het horloge laat ik thuis. Ik zou willen dat ik het nooit meer nodig had.

Na de trainingen blijf ik even aan het meer staan. Hoe diep zou het zijn? Vast geen honderd meter. Als ik mijn horloge in de diepte werp zal het blijven tellen tot de batterij leeg is. Gedachten mengen zich met de stilte. De meeste vogels zijn nog in het zuiden, slechts een enkele achtergebleven mees kwettert in de mist. Een half jaar geleden versloeg Miika me op de marathon in zijn stad. Het was het Fins marathonkampioenschap en ik liep buiten mededinging mee. Tot ver in de wedstrijd dacht ik dat ik Miika zou verslaan want zijn voorsprong kromp tot zo’n honderdvijftig meter. Plots zakte ik echter diep weg en in de laatste kilometers werd ik nog door de nummers twee en drie ingehaald. Strijdend maar eerloos ten onder. Toch genoot ik van de wedstrijd. Lijden vind ik namelijk niet erg en verliezen ook niet. Na de wedstrijd schudde ik voor het eerst Miika de hand. Een prachtige loper, een echte Fin die ook Swahili spreekt. Hij was de nieuwe kampioen en ik had mijn toekomstige concurrenten een waarschuwing gegeven want inmiddels ben ik startgerechtigd bij de Finse kampioenschappen.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie mei 2014

Opwarmen

De winter kwam en ging – veel vluchtiger dan normaal. In februari was ik voor een weekend in Nederland. De sneeuwklokjes bloeiden al, de aarde opende haar boezem en daarboven danste een zwerm spreeuwen de tango in de avondzon. Ik vertraagde mijn pas over de dijk en bleef minutenlang staren naar de vogelwolk die uitdijde en samentrok als een accordeon.

Als ik niet beter wist had ik gezworen dat het lente was.

Ik wist niet beter: het wás lente, al had het hartje winter moeten zijn. Nu mag je weten dat de lente me normaal gesproken goed doet, maar de winter ook. Ik houd van ieder seizoen. Ik houd van jeugdigheid en ouderdom, van het leven en van de dood. Van het avondrood geniet ik evenveel als van een grauwe winterochtend. Alles op zijn tijd.

Nu kwam de lente echter veel te vroeg. Haar behaaglijkheid ten spijt deed de fleurige aanblik ervan me van binnen pijn. De vrolijkheid was namelijk nogal ongepast. Het deed me denken aan een jonge vrouw in een bloemenjurkje die je kushandjes toewerpt – op een begrafenis. Februari hoort kil te zijn, alles wat leeft robuust en kleurloos als gestaald beton. Kushandjes zijn voor april.

Niet wetend wat ik ervan moest denken liep ik over de dijk terug naar mijn ouderlijk huis. De zon hing nog net boven de uiterwaarden en de hele wereld stond in vuur en vlam. Ik dacht aan de dreigende boodschappen van de weermannen. Opwarming, broeikaseffect en nog meer van die dingen. De gevolgen ervan zijn niet te overzien, zeggen ze. De zeespiegel stijgt, de gletsjers smelten en, inderdaad, een tangodansende vlucht spreeuwen in februari. Dat kan zo niet, het baart me zorgen.

Een dag later vloog ik terug naar Finland. Eén graad boven nul was het daar. De sneeuw was broos en de wegen grijs en slibberig. Ze doen pijn aan je bovenbenen, zulke wegen. Ze houden je tegen als je de heuvel op wil en terug naar beneden moet je moeite doen jezelf overeind te houden. Ik had het plan opgevat om aan een ultraloop te starten. Met de Jan Knippenberg Memorial meer dan honderd kilometer langs de Hollandse kust, dat leek me een mooi begin. De winter gooide echter roet in het eten. Eerst was het de strenge vrieskou en daarna de gladheid. Dat moet maar even wachten dan, misschien later in het jaar. Nu de winter is verschalkt door de losbandige lente is het misschien maar het beste als ze doorzet, de lente. Dan vliegen de spreeuwen terug over de Baltische zee en kunnen ze de Finse tango dansen terwijl ik de klok rond loop.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie april 2014

Pine trees and ducks

If you look carefully around, you will find most precious things all along the road. Yesterday evening I went out for a fifteen kilometer run. The path on the Varissuo hill was covered with crusty snow. Although the track is forbidden for runners in winter time, in order to keep the path optimal for skiing, I decided to take my change since the winter has hardly been a real winter this year .

Just after the steepest part of the hill I stopped to walk a little bit – wasn’t the run mend for recovery after the tough training on the indoor track the day before? For a minute I paused and looked around. The pines stood straight along the path and seemed to reach higher than the stars. I admired their verticality and its contrast to the inclination of the ground on which they were standing. I tried to imitate them, stood on one leg and reached with my arms as high as I could. For a few seconds I succeeded, but then my foot started to tremble and I had to come down to the ground with both legs.

Ducks on ice sheets in the Aura river
Ducks on ice sheets in the Aura river

Today morning I did my exercise in the park by the Paavo Nurmi stadion. Although there was a thin fresh layer of snow, the path was in perfect condition. Four times ten minutes at marathon speed. And the squirrels playing in the snow and the blue tits singing. Running is the truest pleasure, I thought. Back home along the river, brown water with sheets of ice drifting on it. Again I paused, this time wondering about the ducks who were standing on the ice rather than swimming on the water. Why, I thought, did they ever choose to be ducks?

Diamond-shaped footprints of a duck.

As I was looking at them, my eyes caught another peculiarity. A beautiful picture was drawn by footprints in the snow at the river shore. They told the story of a duck walking away from the water, changing its mind and turning around. The footprints were shaped like diamonds. But look, a few meters ahead they changed into Algiz-shaped footprints. Could it be that the duck had started to run, and therefore its footprints changed, I thought.

When coming home I took my camera and ran back to the river to catch the story with the lens. Just as I returned to the place, the story revealed itself. A big grey crow was marching around, threatening the ducks by his cold shrieks while leaving behind the footprints I had been wondering about. So the story was not that of a duck who started to run but of a crow and a duck. Much more interesting indeed, leaving me with even more questions as I headed back home again.

Diamond- and algiz-shaped footprints on the shore of the Aura river
Diamond- and algiz-shaped footprints on the shore of the Aura river