De Ronde van Winsum

Kogelstoters, sprinters en marathonlopers. Zet ze op de fiets en kijk wat er gebeurt. Dat waren zo’n beetje de ingrediënten van de Ronde van Winsum die in september werd gehouden. In tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden werd de koers niet verreden in Winsum maar in Groningen en bleek de ronde een optelsom van maar liefst 51 rondjes om de kerk. Waarbij vermeld dient te worden dat een paar voetbalvelden als kerk dienden. Het was een wedstrijd die georganiseerd was door atleten voor atleten en dus werd een aangewaaide wielrenner die geen atleet bleek doodleuk naar huis gestuurd. Die moest maar met zijn eigen vriendjes spelen.

De dag begon met een proloog bestaand uit een individuele tijdrit over 1 ronde van 1 mijl. Dacht ik even lekker binnen 2 minuten te finishen, kwam er een orkaan uit het Caraïbisch gebied overwaaien die ik de hele ronde tegen had en ik dus (geheel onterecht overigens) ergens in het midden van het veld eindigde. Toen Yennick Wolthuizen dezelfde ronde reed kwam weer een orkaan overwaaien die precies de andere kant uit waaide zodat hij ‘m in de rug had en maar liefst 10 seconden sneller reed dan ik. Daarmee kreeg hij het parcoursrecord in handen.

Er moest dus wat worden rechtgezet in de 80-kilometer tellende etappe. Vijftig rondjes over die kolerebaan waar de wortels van de bomen het wegdek deden rimpelen. Al vroeg in de wedstrijd wist ik te ontsnappen en kreeg ik vier man mee: Dennis Licht (de enige met licht op zijn fiets), Olaf Bos en Robin Pieterman en… Yennick. Aardige jongen hoor, maar ik had ‘m liever een paar honderd meter achter me geweten, in het peleton.

In het eerste uur hadden we 43,2km op de teller, maar nog steeds was het gat met het peleton, waar vooral Wilfred van Holst en Sybren Mulder het snot voor de ogen, het zuur in de benen en hun benen uit het lijf fietsen, niet meer dan een halve minuut. Na zo’n 50 kilometer werden we bijgehaald en daalde het tempo tot iets wat het woord snelheid geen eer aandoet. De renners, eehh atleten, waren moe gestreden.  Ondertussen waren zo’n 20 van de 30 renners, ehh, atleten, afgestapt en werden gereanimeerd, hingen aan het herstelinfuus of slikten een dubbele dosis prozac.

Voor het vrouwelijk schoon op de tribunes wilde ik nog wel even goede wil tonen, dus deed ik af en toe nog een poging te ontsnappen, hetgeen als bijeffect had dat de laatste reserves van de niet-marathonlopers toch nog even moesten worden aangesproken zodat ik in de eindsprint nog een aardige derde plek wist te bemachtigen, achter Olaf Bos en Bas Eefting. Vóór Yennick Wolthuizen welliswaar, maar de paar bonificatieseconden die dat opleverde konden het (geheel onterechte!) verschil van de proloog natuurlijk niet meer goedmaken.

Al met al een geweldige sportervaring en een unieke kans om met atleten van andere disciplines te kunnen clashen. Volgend jaar weer?

La Mar

Vijf dagen na nieuwe maan is het de zee die me roept – ik kan de eindeloze echo van haar roep in de branding niet weerstaan. De branding – en de wind die grote scheppen van haar schuim afroomt en ze speels over het strand voor zich uitrolt. Net als de vrouw wordt de zee beïnvloed door de maan. Daarom noemen de oude vissers de zee bij de vrouwelijke benaming: la Mar. Ze is mooi, mysterieus maar ook doodsgevaarlijk: eens de wieg van het leven, toont zich soms dreigend om het leven van zeelieden weer tot zich te nemen. De als sarcofagen aangespoelde messchelpen kraken onder mijn voeten voor ze worden begraven in het zand.

Ik denk aan Santiago, de trotse visser die na 84 dagen zonder vangst het lot uitdaagt. Op zoek naar het geluk trekt hij ver de zee op. Een enorme vis slaat hij aan de haak, te groot en te krachtig om aan boord te halen. Zijn bootje wordt door de vis verder de zee op getrokken en na een dagenlange machtsstrijd tussen de oude visser en de vis weet de visser zijn prooi toch met zijn harpoen te doden. Op weg terug naar de haven wordt de vis echter aangevreten door de haaien, zodat de visser uiteindelijk slechts met de graat in de haven aankomt.

Geen wedstrijd zo verraderlijk als de halve marathon van Egmond aan zee. Juist terug van een trainingsstage in Kenia was ik gretig om te laten zien wat ik waard was. Door de snelle start kon ik niet aansluiten bij de kopgroep, zodat ik op het strand moest strijden tegen de zuidwesterwind, waartegen je moet vechten als Santiago tegen de marlijn: houd de lijn niet te strak maar laat haar ook niet teveel vieren. Op het strand moet je zuinig met je energie omgaan, want dat wat je in gevecht met de wind verliest krijg je niet meer terug, maar anderzijds moet je ook niet teveel tijd inleveren, want ook dat krijg je niet meer terug. Als je in een groepje over het strand loopt moet je dus samenwerken, maar de één loopt op gemak terwijl de andere alle zeilen moet bijzetten (of eigenlijk: reven) om in het groepje mee te kunnen – samenwerking is dus niet vanzelfsprekend.

Op het strand was ik sterk. Terwijl ik het gevoel had te sparen voor de tweede helft liep ik op eigen kracht gaten dicht van het ene groepje naar het volgende groepje, om dan achter de rug van anderen dekking te zoeken tegen de wind en even later weer vooruit te kijken. De marlijn draaide al haar rondjes in de zee, ik hoefde haar alleen nog maar in het hart te raken met de harpoen….

Toen kwamen de haaien. Om aansluiting te houden bij C., die iets aanzette, moest ik door het groepje manoeuvreren. Onvoorzichtigheid deed me struikelen, maar ik kon me nog net opvangen. Mijn bovenbenen hadden een oplawaai te verduren gekregen en dus moest ik even rustig aan doen om te herstellen. Het ging inmiddels door het mulle zand het strand af en het duin op. Boven aangekomen bleek een volgende haai op het bloed te zijn afgekomen: ik werd overvallen door krampen in mijn onderbuik – ik moest naar het toilet.

Natuurlijk dacht ik aan de circulerende stoere wielerverhalen en aan Miriam van Reijen, creatieve oplossingen voor het probleem waar ik nu mee te maken had. Maar hoe doe je dat? Voor mij zat er maar één ding op: ik moest het zaakje kwijtraken en wel zo snel mogelijk want ik verloor inmiddels tijd op de andere lopers. De kringsspier vroeg ondertussen een aanzienlijk deel van de kracht die ik kon leveren.

Zodra het publiek wat uitdunde dook ik de struiken in -de verloren tijd zou ik later wel terugwinnen. Maar ook in de struiken wisten de haaien me te vinden: naalden zo groot als haaientanden staken in mijn been en ook daar moest ik vanaf zien te komen. De wedstrijd was inmiddels al lang geen wedstrijd meer. Ik probeerde nog wel volle kracht te lopen maar het tempo was eruit. Het gevecht met de haaien had teveel van mijn krachten gevergd en ik moest nu zorgen dat ik thuiskwam.

Aangekomen in de haven was het stil, zelfs de kroeg was al gesloten. Na het afmeren begaf ik me in de nachtelijke stilte naar huis om uit te rusten. Midden in de nacht werd ik wakker uit een droom: leeuwen brulden aan de rand van het trainingskamp in Iten. Maar het gebrul was niet beangstigend, eerder bemoedigend.

(geïnspireerd door The Old Man and the Sea van Ernest Hemingway)

De tranen van Silvio

Hardlopen kan een eenzame sport zijn. Ik hou ervan ’s ochtends vroeg door het bos te dwalen, als de wereld nog moet ontwaken. De konijnen en reeën houden zich dan verborgen. Een onrustig roodborstje dat schichtig om zich heen keek en van een struiktak naar de grond vloog om in het bevroren zand te pikken was het enige teken van leven tijdens mijn laatste duurloop in Nederland. Zulke momenten blijven bij, omdat je onverwacht uit je eenzaamheid wordt gewekt.

Maar dat was Nederland. Inmiddels ben ik al twee weken in Kenia, om te trainen voor de halve marathon van Egmond. Het dorp Iten, gelegen op 2400m hoogte in de Riftvallei, kent geen eenzaamheid: alles wat leeft loopt hard. In de omgeving van Utrecht zijn atleten van mijn niveau op één hand te tellen, maar hier in Iten mag ik al blij zijn als ik een dame kan bijhouden. In de vroege ochtend, als de zon nog moet opkomen, kom ik op de dustroads, die zich uitstrekken over heuvels die hoger en steiler zijn dan de Piramide bij Austerlitz, tientallen topatleten tegen.

Bijna elke training weet ik met anderen te combineren, van rustige duurloopjes tot snelheidstrainingen met wereldtoppers als Lornah Kiplagat of Mo Farah. Hoewel sport haar beoefenaars in rang sorteert al naar gelang talent en fysieke kracht, ben je in de training elkaars gelijke. Zij aan zij met de wereldtoppers besef je dat het dezelfde wegen zijn die je beloopt. Het zijn dezelfde hellingen waar je tegenop klimt en het is dezelfde zon die haar met haar ochtendgloren de wereld in felle kleuren baadt. Dat is wat hardlopers bindt, van recreant tot wereldtopper.

Silvio en Samir, twee recreatieve hardlopers zijn  de enigen uit hun vriendengroep met interesse in hardlopen. Een paar maanden geleden zagen ze een documentaire over Iten, een Keniaans dorp waarin hardlopen verheven werd tot kunst. Honderden jonge mannen uit de omgeving verhuisden al naar dit dorp om hun geluk te beproeven. Dagelijks trainen ze keihard in de hoop tot de tientallen gelukkigen te gaan behoren: atleten die het gemaakt hebben, die aanzien en rijkdom hebben verkregen op het internationale podium. Toen ze de documentaire hadden gezien besloten Silvio en Samir die bijzondere plek op te zoeken.

Silvio had tot voor kort niet de gezonde levensstijl die je van een hardloper verwacht. Hij rookte een pakje per dag en ook het alcohol liet hij zich welgevallen. Misschien om de stress van de problemen van de jeugd van de Parijse buitenwijk waar hij mee werkte te hanteren. Maar de laatste maanden heeft hij zich in dat opzicht sterk verbeterd. Bij de tijd dat twee vrienden in Iten aankwamen rookte Silvio nog maar één sigaret per dag.

Silvio, Silvio. Dat hij de tijd van zijn leven had was aan alles te merken. Dagelijks groette hij iedereen hartelijk in gebroken Engels met een onverstaanbaar Frans accent. Maar woorden had hij niet nodig, want zijn vrolijkheid werd door iedereen begrepen. Van zijn lichaam vroeg hij bijna het onmogelijke, door dagelijks met doorgewinterde atleten op pad te gaan en dan al snel af te moeten haken en uitgeput terug te komen terwijl de anderen al lang klaar waren met het stretchen na de training. Maar daar liet hij zich niet door ontmoedigen. Op een gestolen moment in de middag verliet hij dan het trainingskamp om met een sigaretje nieuwe moed te vinden voor de volgende dag.

Silvio, Silvio. We zijn allemaal fan van je geworden. Op tweede kerstdag namen we afscheid. Lachende gezichten, want je vrolijkheid was het geheime ingrediënt voor een goede trainingsdag. Het gewone leven riep jullie weg. Terug naar de wereld waarin hardlopen een eenzame hobby is. Alle atleten die in het kamp verbleven zwaaiden je uit toen jullie met een Matatu het kamp verlieten. Op je beide wangen blonken tranen als parels…

Sneeuw in het Panbos

Vanaf de verlichte straatweg lijkt het Panbos gehuld in duisternis. Maar zodra je vanaf Z. over het kronkelende pad langs het elektriciteitshuisje het bos in draait, wennen de ogen snel. De door straatlantaarns oranje gekleurde wereld maakt gauw plaats voor een mystieke zwartwitfilm met silhouetten van naakte bomen en takken die afsteken tegen de witheid van de sneeuw. Het is de eerste sneeuw van deze nieuwe winter. Net als vorig jaar verken ik de bospaden die nog onbelopen zijn. In de centimeters dikke laag laat ik zwarte plekken na, als bloeddruppels van een gebroken maagdenvlies.

Het magische licht, dat geen schaduwen werpt, lijkt van boven de komen, net als de aanhoudende sneeuw. Een licht dat niet afkomstig is van de maan, want die komt in haar laatste kwartier pas op als de nacht al een flink eind onderweg is. Het zal van de stad komen, die haar verkwiste energie weerkaatst ziet in de wolken, volgens de eerste wet van de thermodynamica.

Als ik op een kruispunt van paden stop, heerst er stilte die nog extra benadrukt wordt door een eindeloze stroom van witte, zwevende vlokken, die elk afzonderlijk met een unieke parachutesprong neerdwarrelen en samen een deken vormen die de aarde beschermt tegen de kou. Ik stel me voor dat iedere sneeuwvlok een mensenleven symboliseert: na de baring door de wolk kiest ieder individu min of meer zijn eigen weg. Toch is het maar de vraag of ze daadwerkelijk zelf kiezen, of dat ze worden meegedragen door de wind en door kleinere luchtstroompjes. Hoe dan ook, uiteindelijk dalen ze allemaal neer, behouden nog enige tijd hun kristalvorm maar worden dan anoniem opgenomen in het sneeuwdek dat de geschiedenis van de gevallen vlokken behelst. Verloren zielen.

De sneeuwvlokken die elk hun unieke weg volgen, doen dat zonder te botsen. Er zullen er vast wel zijn die elkaar raken, kristallen grijpen elkaar vast aan de dendrieten en dwarrelen samen verder, maar dat alles gebeurt in stilte. Geen doodse stilte, maar een vredig en berustend zwijgen. Daarin ligt dan ook het verschil met de mensheid. Wij vliegen elkaar in de haren, beklimmen een politiek podium en scanderen fascistische teksten onder het mom van vrijheid van meningsuiting.  En als we dan uiteindelijk neerkomen op de grond gaat dat gepaard met gejammer en gekerm hoewel het bij de baring al duidelijk was dat de vlucht ooit zou eindigen.

Hier, in het Panbos, worden gedachten gesmoord door de dempende deken van ijskristallen. Meningen zijn overbodig geworden. Al het leven kleurt vanavond zwart terwijl het levenloze gehuld gaat in een witte deken. Tientallen zwarte hoopjes liggen op een veld van landgoed Houdringe, maar die hoopjes blijken te leven als ik passeer, ze stuiven uit elkaar: konijnen. En in het dennenbos van landgoed Beerschoten schiet een ree als een flitsende schaduw over het pad. Was onze gekleurde wereld maar zo als die van het Panbos in de winter: koud en wreed, zwart-wit, maar wel eerlijk en zonder schijn of verborgen bedoelingen.

Zomerdans

Met het gezicht naar me toegedraaid staat ze daar, half verscholen tussen de bomen. De regen van zojuist geeft haar roodbruine zomervacht een doffe glans. Een vragende blik, die het midden houdt tussen angstig en uitdagend, alsof ze hoopt ten dans te worden gevraagd. Druppels gevangen in bladeren breken het licht van de doorbrekende avondzon als een discobal. Op aangeven van de specht stap ik op haar toe. Mag ik je Capri noemen?

Even lijkt ze te aarzelen. Was de vraag wel aan haar gericht? Een ruk met het hoofd en daar gaat ze, in vloeiende passen, sprongen, zwieren, begeleid door een krekel die haar vleugels droogstrijkt. Haar verlegenheid schudt ze van zich af, om plaats te maken voor trots en gratie.

De wolken zijn nog niet verdreven maar hullen het bos in een sprookjesachtige duisternis. Licht is pas mooi als er schaduw is. Het bos is groener, bruiner en lijkt meer te ademen. Lucht waar je je longen mee vol pompt, waar je liefde uit put. En troost.

Troost kan iedereen wel gebruiken, ook zonder verdriet. Van troost word je vanzelf een beetje verdrietig. Oog in oog met Capri schieten me de tranen in de ogen. Pijnscheuten als speerpunten in het hart. Waarom? Je kunt om van alles verdrietig zijn. Om gemiste kansen, om verlies, maar ook door liefde en geluk.

Net als liefde kan hardlopen pijn doen, maar ook voldoening geven. Soms geeft pijn juist een geluksgevoel en een andere keer kan voldoening verdrietig maken. Daarom probeer ik het hardlopen maar te zien als een dans, die blijft voortduren tot je er uitgeput bij neervalt.

Mijn dans met Capri was echter van korte duur want al snel werden we betrapt door haar broer. Schaamde ze zich, of was het een ontwaken in de werkelijkheid? Reeën zijn geen mensen, en horen zich ook niet met mensen in te laten. Toch kun je de werkelijkheid soms even vergeten. Die momenten, gestolen uit een droomwereld, kun je je leven lang bij je dragen, om moed uit te putten. Moed, om het lopen voort te zetten als de duisternis valt.

Vajra, of hoe het hardlopen zijn leven redde

Het was op een doordeweekse avond dat de hardloper verdwaalde in het bos – min of meer vrijwillig omdat hij op zoek ging naar het onbekende door de paden te nemen die hij altijd links (of rechts) had laten liggen. Het was een zomerse dag geweest, een drukkende warmte deed hem de koelte van het bos opzoeken.

De hemel verschool zich achter het bladerdek van de zomerse gedaante van de bomen. Zo kwam het dat hij niet wist wat zich boven hem afspeelde. Donkere wolken pakten zich onheilspellend samen. De langzaam inzettende duisternis weet hij aan de dicht op elkaar staande bomen en het tijdstip op de avond, de cijfers op zijn digitale horloge telden maar door. Vogels trokken zich terug in hun nest en hielden zich bedaard, alsof ze daarmee het gevaar konden afwenden. Windstoten vertaalden zich in een geruis van bladeren in de toppen van de bomen. Een ree negeerde de hardloper door een tiental meters vóór hem het pad over te steken. Op de vlucht leek ze, een schuilplaats zoekend voor een onzichtbare dreiging.

Pas aan de rand van een heide werd hem duidelijk wat hem te wachten stond: deze zomerse avond zou een onweer inluiden dat zijn weerga niet kende. De lucht boven het bos leek geschilderd van een palet donkergrijze tinten, dat deed denken aan de lucht op de schilderijen in het Rijksmuseum, waarop fiere driemasters huizenhoge golven bedwingen. Een fractie van een seconde lichtte de heide op, gevolgd door een luid geroffel.

Zijn vader had hem vroeger altijd gewaarschuwd niet onder bomen te schuilen bij onweer. Maar een boomloze plek zoeken in het bos is lastig, en is men op de heide niet nog veel kwetsbaarder? Hij sloeg op de vlucht, net als de ree, op weg naar zijn schuilplaats. Door het bos, de kortste weg naar huis.

Opeens brak de hemel open en goot haar water uit over het bos. Al snel vormden zich stroompjes op de paden en in een mum van tijd werd het bos een Amazonedelta in het klein. Bliksemschichten vlogen om de haverklap door de lucht, en de donder leek een eindeloos gebulder. Zijn voeten werden zwaar door de doorweekte schoenen, maar hij besefte dat het juist nu van belang was de snelheid te bewaren. Want bij een hogere snelheid is de zweeffase van de pas langer en zolang je de grond niet raakt kan de bliksem je niet deren. Plotseling

Flits en Knal!

en dan niets

Heel subtiel begint daar een voorzichtig bewegend beeld – een soort televisie op het scherm van een mobiele telefoon-formaat. Het beeld wordt geleidelijk groter tot het hem als het ware omsluit. Een film, waarin hij zichzelf herkent als de hoofdrolspeler. In de zandbak met zijn broertje, op de fiets met zijwieltjes, hoe hij steeds beter wordt met knikkeren tot de knikkers niet meer in de zak passen en hij ze vervolgens allemaal verliest in één partijtje….

Het beeld vervaagt en maakt plaats voor hoofdpijn. Voorzichtig gefluit van een vogeltje. In de modder van een beregend bos hervindt hij zich en voelt niets dan vreugde en een gevoel van onoverwinnelijkheid. Het vervolg van zijn weg is geen gouden weg maar de diamantweg – vajrayana. Hij, die de bliksem heeft overleefd, zal in geen mens de meerdere erkennen.

Dromen van Damascus

Damascus is a paradise

where the stranger forgets his homeland*

Na een lange reis ga ik op audientie bij de koning van Syrie, om een brief van onze koningin aan te bieden. De afstand tussen Amsterdam naar Damascus heb ik hardlopend afgelegd, om de afstand tussen Oost en West weer tot menselijke proporties terug te brengen: vijfduizend kilometer in honderd dagen. Duizenden jaren geleden waren het de kruisvaarders die de verhoudingen op scherp stelden. Sindsdien zijn er tijden van wederzijds gedogen geweest, maar de rivaliteit tussen christendom en islam lijkt de laatste jaren opnieuw tot een diepe kloof tussen Oost en West te hebben geleid. Mijn reis is een vredestocht, met hetzelfde eindpunt als de tweede kruistocht.

Ik ben een dromer. Als kind reisde ik in mijn fantasie de wereld over, voer als de kleine kapitein over zeeën en langs eilanden. Als het stormde klom ik in de boom, hield me vast aan de zwiepende takken en stelde me voor hoe de Nooitlek de oceaan bedwong.  ‘Land in zicht!’ Aan het begin van het nieuwe schooljaar mocht iedereen voor de klas vertellen waar hij op vakantie was geweest. Voor mij geen buitenland, want de dieren thuis konden ons niet missen, maar ze moesten eens weten wat ik had meegemaakt!

De afgelopen weken waren mijn dromen een stuk betrekkelijker. Een hamstring heb je niet tot je er klachten van krijgt -net zoals een knie of een achillespees. Tenminste, je was je nooit bewust van dat onderdeel van het bewegingsapparaat. Dan ga je je opeens realiseren hoe gelukkig je jezelf mag prijzen dat je volle kracht tegen heuvels en duinen kon oprennen, op maximale snelheid rondes over de atletiekbaan kon koersen en met eindeloze duurlopen de hele Veluwe kon doorkruisen. Dan fantaseer je over die trainingen, die achter je liggen maar misschien ook wel voor je. Het hele lichaam smacht naar die manier van voortbewegen die zo uniek is voor de mens: het hardlopen. De droom bestaat dan alleen nog maar uit afwezigheid van de belemmering en de pijn.

Revalidatie suggereert een eenrichtingsweg terug naar de gezonde staat van het lichaam. Maar voor chronische blessures is de werkelijkheid vaak toch harder. In het herstel gaan dingen mis. Vooruitgang geeft hoop, hoop geeft ambitie, en die ambitie laat je in de val trappen want je ambitie heeft geen geduld. Mijn revalidatie was een aaneenschakeling van hoop en tegenslag, maar de laatste weken is er toch een duidelijke progressie. De droom van pijnloos lopen vervaagt weer omdat ze werkelijkheid wordt. Daarvoor in de plaats komen weer nieuwe dromen.

Zoals de droom van Damascus: halverwege de zomer vertrek ik om dagelijks zo’n vijfig kilometer af te leggen. Voor overnachtingen en eten neem ik geen geld mee, maar vertrouw ik op de gastvrijheid van de boeren die ik onderweg tegenkom. Misschien dat ik een kinderwagen met kampeerspullen mee neem, zoals de ultraloper Peter Rietveld die zo van Parijs naar Amsterdam liep. Of misschien krijg ik iemand zo gek mee te fietsen voor gezelschap en ondersteuning. Want Damascus is een heel eind weg.

*Abu l-Hasan Ali

Van station tot station

Vanuit de tractor kijkt hij uit over zijn land. Zon en regen wisselen elkaar goed af, dit voorjaar. De weiden zijn uitzonderlijk groen en de akkers liggen er vruchtbaar bij – zoals mijn vrouw 10 jaar geleden, denkt de boer met een stiekeme glimlach. Vanavond moet er bemest worden, dus verwondert hij zich niet lang over de olympische trein die over het enkele spoor rijdt. Normaal tuft hier alleen een stoptreintje tussen de velden, van Zwolle naar Emmen en weer terug. De oranje gekleurde trein versierd met portretten van olympische helden is hier trouwens wel eerder geweest: verleden jaar rond dezelfde tijd, en een jaar eerder trouwens ook al.

In die trein zit ik, me klaarmakend voor het lopen van de Station-tot-Stationloop. Na een kopje koffie op het station van Dalfsen grijp ik de laatste mogelijkheid om op tijd aan de start te verschijnen in Ommen. Net als vorig jaar en het jaar ervoor.

Wat compleet anders is, is mijn wedstrijdplan. Vandaag zal ik de wedstrijd over laten aan de anderen, terwijl ik er zelf een duurloop van zal maken. Tenminste, als ik de strijdlust weet te onderdrukken. Want, hoewel ik het besluit al heb genomen, gedwongen door een hamstringblessure waarvan ik inmiddels herstellende ben, knaagt het al dagenlang: ‘dan loop ik over dat geliefde parcours over fiets- en wandelpaden, dwars door de Vilterse molen heen, over de weg en over de Vechtdijk, terwijl ze voorin misschien wel mijn parcoursrecord breken’.

Als ik Leon Sanderman bij de start even vraag hoe het met hem is antwoordt hij kort, zonder de wedervraag te stellen. Dus weet hij niet dat het nog niet goed genoeg gaat om een bedreiging voor hem te vormen. Na de wedstrijd hoor ik dat koplopers Leon en de uiteindelijke winnaar Jan Paalman de hele wedstrijd verwachtten dat ik ze zou inhalen. Misschien dat Leon hier een les uit leert: vraag je concurrenten altijd hoe het gaat – niet zozeer uit beleefdheid maar uit eigenbelang, zodat je weet wat je kunt verwachten.

Na het startschot gaat mijn eerste kilometer wat harder dan gepland, in 3’30. Zo kan ik op gepaste afstand zien hoe de koplopers in 3’00 doorkwamen, zodat ik met gerust hart verder kan lopen: die snelle start zullen ze later moeten terugbetalen dus blijft mijn parcoursrecord redelijk veilig.

Daar loop je dan, met startnummer 1 midden in het wedstrijdveld. Loper na loper laat ik passeren, onder wie zelfs enkele dames. Al die lopers lopen me in stilte voorbij, de blik op oneindig,  alsof ze aan een onzichtbaar koord worden voorgetrokken. Een enkeling hijgend, een ander stampend en weer een ander met de armen zwaaiend alsof hij met een zeis de velden bewerkt. Ik kijk ondertussen uit over dezelfde velden als de boer en bedenk me dat het toch wel een goede lente moet zijn voor de boeren op het land.

Het applaus van toeschouwers langs de kant striemt als de zweepslagen van een koetsier op de rug van een sloom paard: vooruit! Ondanks dat herinner ik me mijn missie en kan langzamerhand meer en meer genieten. Het is tenslotte een heerlijk hardloopweertje en ik loop door een prachtige omgeving.

Met nog 5 kilometer te gaan staat er een jongetje alleen langs de kant van de weg aan te moedigen: hup hup! Dat voelt dan voor het eerst echt bemoedigend! Op een lenteavond komen daar plotseling in een uur tijd duizend hardlopers voorbij en een politiemotor. Dat moet toch machtig zijn, als je aan de Markeweg bij Hessem woont?! Bij de volgende bocht staan tientallen mensen en probeer ik te laten zien dat ik geniet: even lachen en een hand in de lucht.

Na de finish in Dalfsen heb ik nog even de gelegenheid om Jaqueline Rustidge en Jan Paalman te feliciteren, de winnaars van deze editie. Mijn record heeft stand gehouden. Een biertje nog, en dan is het weer mooi geweest. De trein komt me halen om me bij een ander station weer af te zetten.

Foto door Jan