Kameraadschap

Op zo’n vier uur rijden van Turku ligt Vierumäki en daar wentelt een fietspad door het bos en over dat pad lopen veertig Finnen hun kampioenschap. Het rondje is ruim drie kilometer lang en wordt zeven keer gelopen en de bochten en glooiingen in het pad maken het een stuk pittiger dan gedacht.

Maar ach, ik heb nieuwe, felblauwe schoenen en de lucht is nergens zo schoon als hier dus ren ik door het bos en tel de ronden die ik nog heb te gaan. Ik ken ze niet allemaal, die jongens, maar ik weet dat ik welkom ben want ze lachen vriendelijk en ze zijn behulpzaam als je Finse woordenschat je in de steek laat. Dat ik geen Fins paspoort heb is bijzaak, want een Fin ben je met je hart, niet op papier.

Na een iets te vlotte start laat ik me terugvallen en bouw van achterin de wedstrijd op. Gedurende de wedstrijd raap ik atleten op, zoals dat in hardlopersjargon heet, maar echt oprapen doe ik niet, ik laat ze creperen in de berm langs het fietspad en doe of ik hun gekerm niet hoor. Dit is de ware kameraadschap, immers, dit genadeloos rammen, we mogen van geluk spreken dat niemand ons ziet. Geen verborgen camera’s hier, de vogels trekken zich niets van ons aan en de berken bedenken zich nog een eeuwigheid.

Onder de atleten zijn ook Jukka en Jaakko Kero, twee leden van de grootste hardloopfamilie van Europa. Het zijn beren in mensenhuid en als je niet uitkijkt scheuren ze je aan flarden. Halverwege de wedstrijd haal ik ze in maar ze geven zich niet gemakkelijk gewonnen. Kilometers lang draven ze achter me aan maar dan heb ik plotseling een gaatje. In de laatste ronde wordt Jukka echter bloeddorstig en jaagt me met zijn dreigende passen de stuipen op het lijf dus graaf ik diep om hem voor te blijven en het lukt me maar ik meen dat ik onderweg een paar organen verlies. Jukka kan daar wel om lachen, maar ik vergeef het hem niet en zal ook de volgende keer mijn overgebleven organen opofferen totdat er werkelijk niets meer van me overblijft. Ik word achtste in de wedstrijd. Achtste van het land dat mijn hart heeft gewonnen en ik ben ze dankbaar, de jongens die nog in de berm na-creperen en Jussi Utriainen, die met ruim drie minuten voorsprong op mij de wedstrijd wint, en ook alle anderen. Dankbaar dat ik erbij mag horen, dat je, zodra je een Finse winter hebt overleefd, bij de kampioenschappen volledig meetelt en dat de migratiefobie niet is doorgedrongen tot de sport.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie juli 2014

De smid en zijn vuur

Aan de oevers van de rivier liggen nog platen ijs, korsten van de winter, maar hier, langs het pad, ontluikt het leverbloempje. In rap tempo lengen de dagen en als je ’s ochtends vroeg de wegen verkent zijn de meesjes al druk aan het kwetteren. Thans lacht de zomer je toe.

De wereld bestaat niet zo lang je haar niet betreedt. Dus ren je langs de paden die vrolijk over de heuvels krullen. Vol gas, stevige tempoblokken want over een paar weken wil je er staan. De hazen stuiven het veld in en ook de mensen die je treft wijken voor je uit. Jij bent de smid, het pad is het aambeeld en je benen zijn de gereedschappen waarmee je het staal vervormt. Maar wat moest je beginnen zonder de vurige wilskracht?

Bij de watervallen pauzeer je even. Je verbaast je over de honderden meeuwen die er zijn neergestreken. Hun wild gekrijs priemt door de het volle gedonder van vallend water. Waarom zijn ze juist hier beland? Zouden ze uit de woeste stroom visjes weten op te pikken?

In de natuur wordt de hoogste vorm van complexiteit in alle eenvoud gepresenteerd. Alles heeft een oorzaak maar een hoger doel dient het niet. Hoe schril is het contrast met onze mensenwereld. Wie bij de industriële revolutie nog dacht dat de machines ons werk uit de handen zouden nemen is bedrogen uitgekomen. De samenleving kenmerkt zich door een complexiteit die steeds meer toeneemt bij het streven naar een obscuur, maar naar verluid hoger plan. Utopia.

Hardlopen vormt de brug tussen je gedachten en de werkelijkheid. Werp nog eens een blik op die meeuwen en luister naar hun kreten. Klaagt de een over het weer en de ander over zijn depressie? Of is ontevredenheid een typisch menselijke trek? Zijn we daarom altijd op zoek naar beter?

Met tegenzin maak je jezelf los van het tafereel. Je benen dragen je terug langs de rivier naar huis waarvan de plek door de ondergaande zon is gemarkeerd. De velden glanzen in het avondrood.

Na de training lig je op de bank om bij te komen. De krant glipt uit je vingers en je sukkelt in slaap. Even rap als jij over de paden stoof trekt nu de tijd aan je voorbij. Je lichaam, even tevoren nog zo jong en sterk, is oud geworden, gebroken. Je lichaamscellen schreeuwen het uit van pijn en vermoeidheid. Stel je nu eens niet de vraag waarom je dat doet, dat hardlopen. Want dan zul je beseffen dat jij, ondanks je verlangen naar eenvoud, een mens bent als ieder ander. Je kunt wel zo hard vloeken op de complexiteit van de samenleving en de ontevredenheid die daaraan ten grondslag ligt, maar misschien is die ontevredenheid in feite niets anders dan de wilskracht als die jou over de wegen drijft. Het hardlopen, een al te menselijke bezigheid.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie juni 2014

To pass by and to forget

Today I passed by another runner – I thought. It was at the bridge near the waterfall in the turn of the river, there where the sound of the falling water is louder than the call for freedom. There, below at the waterside, you will normally find fishermen waiting for luck, but now it was a dreary evening as it had been raining all day long and the fields turned dark early today, so there was nobody but me and that other runner.

The other runner wore a blue jacket. He came from the left while I came from the hill behind me. The man ran with slow stride but took big steps and this combination brings just a perfectly medium speed. I thought I would pass by him since I felt just like speeding up as I had some nice loop behind and I longed for home like you sometimes do. So I did. I mean, so I passed by the runner. I passed by the man in blue like you pass by people many times in life and then you just simply forget about them.

As soon as I had passed by the man in blue, I was ready to forget him and think about the race two days ahead. But just as the sound of is footsteps faded, I heard them getting louder again. Although the birds they were singing no matter the rain and there was some wind and there was the sound of the falling water and so on, I could hear nothing but the steps of this man in blue. They were loud now and I could almost feel his breath and then I realised this was a hard man to pass by. He was one of these people who don’t like to be passed by and be forgotten and then they decide to hang on.

I kept the pace because I knew he was pushing but he didn’t give up so downhill towards the footbridge I speeded up and uphill I wouldn’t drop the pace anymore so then I was sure this man in blue he would drop but he didn’t, as his footsteps and his breath were still in my back. We were approaching my house, so I said to myself: I decided to pass by so I will speed up so he will drop dead down the path and when it’s fully dark I will come back and throw his dead body in the river like they do in the movies.

I speeded up, but guess, you guess right, he still hung on, so I turned to full speed as if chased by a hungry bear and it was only then that he finally dropped off. At the turn of the road, at the yellow house for the alcoholics, I waited to great him so I raised my thumb as he passed by and I heard something like ‘hyvä vauhti’, which means good speed, but he didn’t stop and he ran down to the railway bridge and then disappeared.

But I couldn’t forget him.

A Grain of Sand

The marathon is just a little grain of sand on an endless empty beach. But take this grain on your finger tip and dig the lens from your pocket. Do you now notice the sharp edges and the reflected light breaking in its sides so that the grain shines like a diamond? It’s neither a lost child nor the emerald of the kings crown, it’s just a marathon race. It’s a time gone by and, as if it were a totally meaningless emptiness, we summarize it not by the minerals it contains, but only by its borders in the dimension of time.

Two hours, twenty eight minutes and forty seconds.

What does it tell you? Nothing, I guess. It might sound fast to you or slow, but nothing beyond. Would you run marathons only to create a number? You might as well choose a day to die or select a partner because of her family name so that it fits to yours on your tombstone.

So let me describe to you the quartz and the basalts in this little grain of sand, let me tell you about the marathon of Hamburg beyond numbers and facts. Let me first tell you about the waking up at 5 o’clock and the breakfast which was served in our hotel room. How much do you eat so that you don’t get empty during the race nor get pain in your stomach? Do you take the U-bahn train or do you walk all the way to the start? And let me tell you about the Japanese Yuki Kawauchi who was among us in the elite field of the race. He is the only world class athlete who runs more than ten marathons each year and many of them below two-hours-ten, which is beautiful, even more because Matti mentally prepares for the marathon by reading this book about Japanese marathoners written by a Finn and this books seems to be full of facts or lies and other stories about Japanese runners and that’s why it is the Japanese running book and the Japanese they are crazy runners and so on.

I started the race out real slow with legs that were protesting but they shut up and I could go faster and then suddenly I flew with the birds and I was sure that I ran an incredible race with mighty powers but at the same time you fear that this flying machine of you will crash so if it crashes let it crash late so you continue and count every kilometer because the powers still lasted this far.

But then it starts. The other guys who ran behind you they pass by and your legs they don’t want to come with them but you tell them that they have to so they do and you run in front again because it feels better to you but a few kilometers later those guys pass by you again and they gain meters and meters and meters and the road is still so long but you know that Matti, the one reading in Finnish about the Japanese, you know that he is behind you and you want to keep it like that because he is a good friend and those good friends are te ones to fight against so you do and you feel the blood coming out of your body on different places but you forget about that pain because you just look hard for energy and you find a hidden source so you continue. Still you count the kilometers, much slower now, and you repeat the number that you have left behind and you just continue and you realise this thing is so small, this grain of sand, but you know they measure it and nobody looks at the beach so you continue in order to let it  be fine when put into numbers.

Two twenty eight forty.

And in the evening you fly back to Finland with pain in your legs and the sun sets while you are above the thin clouds and this is such a weird thing if you think about it, and when you see through the holes in the clouds the line, thousands of feet below, between the dark sea and the dark coast, you know it is a beach. Who really cares about these grains of sand? But still, you think, maybe I take another chance two weeks ahead.

Hamburg Marathon
Hamburg Marathon 2014, photo by Jeroen Deen

Eenvoud

‘En zo raakte ik honderden trainingskilometers kwijt,’ vertelde Miika Takala me enigszins beteuterd. Hij was voor een trainingsstage in Ethiopië geweest, wachtte iedere training wel een kwartier op GPS-signaal, maar toen hij na al dat geduld de trainingen online wilde opslaan ging dat mis vanwege problemen met het internet. Er zat niets anders op de trainingsgegevens te wissen, want het geheugen van het peperdure horloge was vol.

Lachend wijs ik op mijn eigen horloge. Twee tientjes kostte het. Een klassiek model dat tot honderd meter waterresistent is. Het heeft een stopwachtfunctie en een zwak lichtje maar niets meer dan dat. Ik herinner me nog goed hoe zo’n vijfentwintig jaar geleden een vriendje van mij zijn waterdichte horloge liet zien. Die kon je gerust aanhouden onder de douche, leek me. In tegenstelling tot de op GPS-signaal wachtende hardloper is de techniek niet stil blijven staan.

‘Maar als je, in kilometers, een rondje om de wereld hebt volbracht is het wellicht tijd om ermee te stoppen,’ leg ik Miika voor. Zelf vind ik het veel prettiger te trainen zonder de afhankelijkheid van de techniek. Zonder de hulpmiddelen ontwikkel je het gevoel voor snelheid en inspanningsniveau. Tegenwoordig voel ik precies aan wat ik nodig heb en doe ik zelfs niet meer aan schema’s of logboeken.

Nee, veel heb ik niet nodig. Na de duurloop met Miika trek ik me voor een weekje terug in een hut aan het meer. Hardlopen en schrijven en verder niets. Helemaal alleen in het bos, slechts het gefluister van de wind en het knetterende vuur in de haard. Tweemaal per dag trek ik de hardloopschoenen aan maar het horloge laat ik thuis. Ik zou willen dat ik het nooit meer nodig had.

Na de trainingen blijf ik even aan het meer staan. Hoe diep zou het zijn? Vast geen honderd meter. Als ik mijn horloge in de diepte werp zal het blijven tellen tot de batterij leeg is. Gedachten mengen zich met de stilte. De meeste vogels zijn nog in het zuiden, slechts een enkele achtergebleven mees kwettert in de mist. Een half jaar geleden versloeg Miika me op de marathon in zijn stad. Het was het Fins marathonkampioenschap en ik liep buiten mededinging mee. Tot ver in de wedstrijd dacht ik dat ik Miika zou verslaan want zijn voorsprong kromp tot zo’n honderdvijftig meter. Plots zakte ik echter diep weg en in de laatste kilometers werd ik nog door de nummers twee en drie ingehaald. Strijdend maar eerloos ten onder. Toch genoot ik van de wedstrijd. Lijden vind ik namelijk niet erg en verliezen ook niet. Na de wedstrijd schudde ik voor het eerst Miika de hand. Een prachtige loper, een echte Fin die ook Swahili spreekt. Hij was de nieuwe kampioen en ik had mijn toekomstige concurrenten een waarschuwing gegeven want inmiddels ben ik startgerechtigd bij de Finse kampioenschappen.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie mei 2014

The waking of the bear

The second weekend of April? Ask Jaakko Nieminen or any other Finnish runner, and the answer will be: Karhuviesti [the relay of the bear]. Indeed, after the long winter sleep the bears have awoken, and fast they run! They run from the old town of Rauma all the way to the Karhu-sportshall in Pori.

Fifty kilometers, seven runners. The wind in the back and the sun on our shoulders, although they say that it always rains and the wind always comes straight from Pori. A day later, Matti Rauma confesses that over the years only the toughest conditions survive in the memories of the runners.

For the first time in my life I wore the mustakeltainen [black-yellow] outfit of the Turun Urheiluliitto. As a true marathoner I feared the 6.3km that I was supposed to run: it was surely too short. But guess what, I burned my soul and spit out my tongue, I ran harder than I could have imagined before and so did all the others and that’s how we won the whole road relay, in the best winning time in a decade. The team included Kennedy Charicha, a friendly guy who came last year from South Sudan and discovered the art of running here, in Turku. Although still learning the language he already is a true Finn and an inheritant of Paavo Nurmi’s breath.

Jukka Kero on the lead. (photo from http://www.porinkuntoilijat.fi )
Jukka Kero on the lead. (photo from http://www.porinkuntoilijat.fi )

Our team also included two members of the Kero-family (Jukka and Jaakko) who once came running out of their mothers womb and will never stop. Of those, Jaakko has run the European marathon championships in 2006 and he is now in his young forties and still possesses the power that many youngsters desire. The brothers and the others, Johannes Brunila, Kennedy Charicha, Matti Rauma, Maunu Toivari and I, ran with the wind and it was Jukka, who, as a real bear, took the lead in the last kilometers of the race and left of the other teams not much more than a few broken bones and salty shirts.

But as they say, there’s little meat on runners bones, so back we went to Turku and halfway we stopped for pizza and a pint of beer and we raised our middle finger to the police on the road who then came chasing after us with sirenes and helicopters and all that but we were the bears and we were not to be caught. Oh no, I’m lying, we drove back and went early to bed because the next day we had to wake up for a long run. Thus on sunday morning we ran through the forests and over the hills and the power of the day before was still in our legs although now the rain was pooring down on us. Does it matter at all? No, it doesn’t, not when you feel that the bear inside you has woken.

It has. With all the tough trainings that went so fine and the Karhuviesti and the light feeling inside when I run through the fields I am full of desire for the races which are soon to come:

Saturday April 19th: SM maantiejuoksu (Finnish championships 1/2 marathon)

Sunday May 4th: Hamburg Marathon

Opwarmen

De winter kwam en ging – veel vluchtiger dan normaal. In februari was ik voor een weekend in Nederland. De sneeuwklokjes bloeiden al, de aarde opende haar boezem en daarboven danste een zwerm spreeuwen de tango in de avondzon. Ik vertraagde mijn pas over de dijk en bleef minutenlang staren naar de vogelwolk die uitdijde en samentrok als een accordeon.

Als ik niet beter wist had ik gezworen dat het lente was.

Ik wist niet beter: het wás lente, al had het hartje winter moeten zijn. Nu mag je weten dat de lente me normaal gesproken goed doet, maar de winter ook. Ik houd van ieder seizoen. Ik houd van jeugdigheid en ouderdom, van het leven en van de dood. Van het avondrood geniet ik evenveel als van een grauwe winterochtend. Alles op zijn tijd.

Nu kwam de lente echter veel te vroeg. Haar behaaglijkheid ten spijt deed de fleurige aanblik ervan me van binnen pijn. De vrolijkheid was namelijk nogal ongepast. Het deed me denken aan een jonge vrouw in een bloemenjurkje die je kushandjes toewerpt – op een begrafenis. Februari hoort kil te zijn, alles wat leeft robuust en kleurloos als gestaald beton. Kushandjes zijn voor april.

Niet wetend wat ik ervan moest denken liep ik over de dijk terug naar mijn ouderlijk huis. De zon hing nog net boven de uiterwaarden en de hele wereld stond in vuur en vlam. Ik dacht aan de dreigende boodschappen van de weermannen. Opwarming, broeikaseffect en nog meer van die dingen. De gevolgen ervan zijn niet te overzien, zeggen ze. De zeespiegel stijgt, de gletsjers smelten en, inderdaad, een tangodansende vlucht spreeuwen in februari. Dat kan zo niet, het baart me zorgen.

Een dag later vloog ik terug naar Finland. Eén graad boven nul was het daar. De sneeuw was broos en de wegen grijs en slibberig. Ze doen pijn aan je bovenbenen, zulke wegen. Ze houden je tegen als je de heuvel op wil en terug naar beneden moet je moeite doen jezelf overeind te houden. Ik had het plan opgevat om aan een ultraloop te starten. Met de Jan Knippenberg Memorial meer dan honderd kilometer langs de Hollandse kust, dat leek me een mooi begin. De winter gooide echter roet in het eten. Eerst was het de strenge vrieskou en daarna de gladheid. Dat moet maar even wachten dan, misschien later in het jaar. Nu de winter is verschalkt door de losbandige lente is het misschien maar het beste als ze doorzet, de lente. Dan vliegen de spreeuwen terug over de Baltische zee en kunnen ze de Finse tango dansen terwijl ik de klok rond loop.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie april 2014

A sunny day in March

Today I participated in the CPC half marathon in The Hague. As I arrived at the starting area, I got a bit stressed because it was so full of people, so different from my own dear Finland. Imagine being in a forest where the trees walk, talk, are dressed in full color clothes! But then I noticed the faces, all happy faces. It was the earliest summer day ever in Holland, it was impossible to feel unhappy or be angry so all these people just smiled. They smiled inside and outside, they smiled inside-out.

It was a bit too warm and windy for a fast race, so I jogged easily in the beginning and just sticked to the pace which brought me to 1’10. Quite satisfied though, since I have not been able to train very regularly lately.

On the way back home I changed trains in Utrecht. A guy, looking like a junkie, asked me for 1,80 euros because he needed money for the train back to Amsterdam, he said. Of course, I know these guys, so in stead of refusing or giving him the requested money, I offered to buy him a ticket so he could give the three euros which he kept in his hand to me. Fuck, he thought (you could read it from his face). He sat down and scratched his chin. With disappointment all over his face he stared at the euros in his hand which he was going to loose. ‘Better give me money,’ he said after some time, ‘I also need the money for a sleeping place, you know.’ I couldn’t help laughing, of course he just wanted to buy alcohol or drugs but I don’t care because that’s his own responsibility, so I gave him the little cash that I could find from my pocket. ‘I’ll have to come up with a different trick next time,’ he said laughing, and waved me good bye.

That kind of day it was.

De eerste sneeuw

Is er iets droever dan de natte sneeuw? En de straten nat, de wind, en de lucht zo grauw als de ouderdom? Kristallen die vertranen als je ze probeert op te vangen? Warmte en liefde niet duldend, en jij en ik worden koud en nat?

Maar dat was een paar weken geleden. Daarna begon het te vriezen. De zandpaden versteend en ik daar overheen en over de brug, door de bossen, naar het eiland Ruissalo waar houten paleizen en prinselijke torentjes uitkijken over de zee die nergens zo rustig kabbelt als hier, gekalmeerd door de duizenden eilanden van de archipel. Ik, een eenzame loper dolend langs de kust, op zoek naar een vreedzame plek.

Hier, op de hoek van de kade vind ik een steen om op te zitten. Hier zou ik wel willen sterven, al is het nu nog veel te vroeg. Misschien over vijftig jaar, een hartaanval lijkt me wel wat al staat het woord me niet aan, te agressief. Een beroerte klinkt veel serener dus misschien op die manier. Of sterven van de kou. Mijn benen bungelen boven het water en mijn blik dwaalt over de eilanden die niet van elkaar te onderscheiden zijn en over de zee van verlangen die zich daartussen bevindt.

Mijn moeder vroeg me of ik nog een wens had voor ons nieuwe huis, dat aan de andere kant van de stad op een steenworp afstand van de rivier ligt. De rivier, die al een dun laagje ijs draagt. Het brandhout voor de kachel en de sauna is zojuist bezorgd, er is niets meer dat ik wens, moeder. Of misschien wens ik dat de rivier en de zee verder bevriezen, zodat ik me te voet naar de eilanden kan begeven, net als in de vorige winter. Maar laat het toch nog even zo zijn als het nu is: het water dat ons scheidt, zodat het verlangen de pas houdt met de ijslaag.

Ik heb te lang aan de waterkant gezeten, was me niet bewust van de kou die het lopen nu haast onmogelijk maakt. Met stijve benen dus terug door het bos, over de brug en langs de rivier. Vanuit het niets, de lucht is helder, vallen minuscule sneeuwvlokjes die door de wind naar de berm worden geveegd. Als ik thuis ben en de koffie pruttelt trekt een wolkendek voor de zon en begint het echt te sneeuwen. Nu is het dan toch de blijvende sneeuw, waarmee de winter is aangevangen.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie februari 2014

Sisu

Ik verlang naar de winter, maar ben er ook huiverig voor. Zodra de sneeuw valt is het gedaan met de nattigheid van de herfst, en is de buitenwereld ook niet meer zo donker. De keerzijde van de winter is dat de hardlooppaden door het bos, die tot tien uur ’s avonds zijn verlicht, aan skiërs en langlaufers worden uitgeleverd zodra de eerste vlokken de aarde raken.

Zo lang het nog kan kies ik dus voor de heuvelachtige route door het bos aan de rand van de stad. Argeloos rijg ik ’s avonds de sliert lantarenpalen als kralen langs het snoer van het pad, als ik plotseling word overvallen door een ijskoude plensbui. In een paar tellen zijn mijn kleren nat, en dringt het onbehagen tot in mijn botten door. De meeste kralen resten nog, de kortste weg naar huis ligt achter me.

Denkend aan Lasse Virén, de laatste Flying Finn, besluit ik dat er maar één weg is, en die ligt voor me. Bij de Olympische Spelen van 1972 leverde Virén de opmerkelijkste sportprestatie aller tijden. Halverwege de wedstrijd over tienduizend meter belandt hij, na een botsing met een andere atleet, op de grond. Snel krabbelt hij op om zijn race te vervolgen en in één ronde maakte hij de achterstand op de kopgroep goed. Voor even houdt hij zich stil, maar in het eind van de wedstrijd vliegt hij dan toch als uit een katapult naar voren en wint op legendarische wijze zijn tweede Olympisch goud.

Sisu, zo heet de wilskracht die nodig is om onverstoorbaar door te gaan als de kansen zich tegen je keren. In geen enkele andere taal bestaat er een woord die de lading van sisu dekt. Maar in Finland weet iedereen wat het is. Men is ermee opgegroeid. Misschien is er ooit, bij veertig graden onder nul, een natuurlijke selectie geweest. Sisu is de karaktertrek die men nodig heeft om de winter te overleven, de rest vriest dood.

Er zit een knoop in het kralensnoer: gedurende twee kilometer is er geen straatlantaarn te bekennen. In het pikdonker laat ik me leiden door de broze weerspiegeling van een onbestemd licht in de waterplassen op het pad. Kou, regen en duisternis – wanneer is eenzaamheid volmaakt? Juist als ik mezelf helemaal alleen waan, steekt een kleine vos het pad over. De kleuren van zijn vacht kan ik niet onderscheiden, maar het silhouet is onmiskenbaar: een spitse kop en een pijlvormige staart. De onverwachte ontmoeting is de hoofdprijs van de avond, sisu betaalt zich uit.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie januari 2014