Unknown's avatar

About Thijs Feuth

1981 Nijmegen, The Netherlands. Author of Kafka is dood (2022), Zwarte Ogen (2015) and Achter de rug van God (2017). Medical specialist in Lung Disease. Runner.

Een dromer op de marathon

Thijs Feuth (28) heeft een website. Daarop stelt hij zichzelf de vraag: ‘Arts of marathonloper?’ En het antwoord luidt dan: ‘Het meest nog ben ik een romanticus’. Hij woont in Enschede. Niet ver van zijn favoriete bruine café Het Bolwerk dat hij graag aan zijn interviewer wil laten zien. Eerst eet hij thuis nog een bordje havermout. 
Rekken aan de oever van de Dinkel ‘Ach, romanticus… Ik moest gewoon een stukje over mezelf schrijven. Wat ben ik? Geen idee eigenlijk. Niemand is wat hij doet. Misschien ben ik vooral een dromer. Altijd geweest. Wij woonden in een boerderijtje, aan de rand van Nijmegen. Eerst was ik er samen met mijn broer, toen kwamen er steeds meer bij. Uiteindelijk waren er zes kinderen. We hadden dieren, er was een tuin; eigenlijk waren we altijd op vakantie. Bovendien las ik veel. Overal waar de Kleine Kapitein was geweest, daar kwam ik ook. Op mijn twaalfde begon ik op een oude fiets de wereld te verkennen. Soms wel honderd kilometer per dag.  Over de Maasdijk naar Zaltbommel en weer terug. Daar zie je al iets van de duursporter in mij terug. Het lopen begon toen we een keer een paar Belgen te logeren hadden. Ze deden mee met de Vierdaagse en kwamen op de tweede of de derde dag, om zeven uur ’s ochtends, bij ons huis voorbij. Ik dacht: ik loop een stukje mee, maar het ging zo lekker dat ik pas na vijftig kilometer ben gestopt. De fysieke kant – het zo lang mogelijk volhouden – speelde een rol, maar ik denk dat er ook veel romantiek in het spel zat. Grenzen verkennen. Avontuur. Ik liep ook mee met de wandeltochten die aan de Vierdaagse vooraf gingen. Tien, vijftien kilometer, vlot doorstappend.’

Kom je uit een sportieve familie?

‘Mijn vader vertelde een paar jaar geleden dat hij ooit een tijdje heeft hardgelopen. Mijn broer heeft in de bouw gewerkt – echt een krachtpatser – en mijn broertje is hoefsmid. Ook heel sterk. Een van mijn zusjes deed aan ballet en mijn jongste zusje doet nog aan paardrijden. Dat is het zo’n beetje.’

Wat heb je nog meer van je vader?

‘Zijn gedrevenheid. En zijn wiskundeknobbel, waarschijnlijk. Mijn vader is statisticus in het Radboudziekenhuis. Intelligente man, beetje afstandelijk. Hij is lief, interesseert zich voor mensen, maar hij uit zijn gevoelens niet zo. Mijn moeder is vooral een gevoelsmens, hartelijk, maar ze  kan ook nogal dominant zijn. Dat geldt eigenlijk voor iedereen in onze familie. We vragen aandacht, we zijn allemaal nogal aanwezig.’

Je was een dromer, zei je. Droomde je ook over de toekomst?

‘Ja, ik wilde schrijver worden. En concertpianist. Dat ik naar het conservatorium zou gaan stond voor mij lange tijd vast. Tot mijn pianoleraar, met wie ik een goed contact had – hij was een rolmodel voor me – terugkwam uit Afrika met verhalen over honger, ziekte en armoede en ik me begon af te vragen hoe nuttig het eigenlijk was om pianist te worden. Was dat de zin die ik aan mijn leven wilde geven? Na de middelbare school ben ik naar Engeland gegaan. Eerst werkte ik in een Organic Farmshop, later in een fabriek. Daarna heb ik in Ierland in cafeetjes gewerkt. Het was een prachtige tijd. Als je in je eentje zit, ver van je bekende omgeving, leer je jezelf wel kennen.’

Besloot je daar geneeskunde te gaan studeren?

‘Dat gebeurde toen ik net terug was. Een vriendin lootte mee voor de studie geneeskunde en ze vroeg: “Is dat niks voor jou?” We hebben alles op een rij gezet en het leek te kloppen: met mensen bezig zijn, iets nuttigs doen, meer verdieping. Ik zag het wel voor me. En weet je wat zo bevrijdend was? Dat ik buiten het kader van de muziek trad. Er bestonden eerst geen andere mogelijkheden. Iedereen ging er vanuit dat ik die kant op zou gaan. En nu brak er ineens iets open: ja, ik kan ook voor een andere studie kiezen! Ik nam mijn besluit en daarna leek alles vanzelf te gaan. Ik werd ingeloot – terwijl ik maar dertig procent kans had – en ik mocht naar Amsterdam, mijn eerste keuze. Alles – de co-schappen, de stages – beviel me. Ik begon in 2001 en in maart 2008 ben ik afgestudeerd. Niet getreuzeld.’

En wanneer begon je het hardlopen serieus te nemen?

Bij boerderij in De Lutte‘In Ierland werkte ik op een gegeven moment in een restaurantje. Na het werk dronken we vaak iets in de pub om vervolgens, moe en belabberd, naar huis te gaan. De volgende dag moest ik me pas aan het einde van de middag weer melden dus ging ik ’s ochtends een stukje hardlopen om mij weer iets fitter te voelen. Al snel liep ik hele stukken en ik merkte dat het me niet veel moeite kostte.  Toen ik begon te studeren was er bij het ziekenhuis waar ik stage liep de jaarlijkse AMC-loop. Na drie weken trainen liep ik daar 10 kilometer in veertig minuten. Ik keek er zelf wel van op en dacht: als ik hier nou eens mijn best voor ga doen, zou ik misschien een goede hardloper kunnen worden. Ik sloot me aan bij Phanos, de atletiekvereniging, en daarna werd het… nou, een obsessie wil ik niet zeggen, maar het werd wel steeds belangrijker voor me.’

Waarom wil je dat woord niet gebruiken?

‘Het is deels obsessief – elke dag trainen – maar het is ook een manier van leven geworden. Ik kreeg al snel, tijdens mijn co-schappen, een doel: de marathon lopen. Voor mij is het logisch om daarvoor vroeg op te staan, te trainen, te werken, thuis te komen en weer te gaan trainen. Dat is mijn levenspatroon op dit moment. Het geeft, naast het werk, ook richting aan mijn leven. Nadat ik hier, in Enschede, de marathon in 2:29:55  had gelopen dacht ik mijn doel bereikt te hebben. Ik kon wel stoppen. Maar na een paar weken begon ik me ongelukkig te voelen. Ik kwam thuis van mijn werk en ging… ja, wat moest ik nu doen? Lezen? Ook leuk, maar toch… Ik besloot weer te gaan lopen en een half jaar later liep ik weer een marathon. Sindsdien ben ik marathonloper.’

Heb je nu een bepaald doel?

‘Snellere tijden. Vorig jaar sprak ik Hugo van den Broek. Hij zei: “Over een paar jaar loop je misschien wel onder de 2:20.” Absurd, dacht ik – mijn record was op dat moment 2:28 – maar in het najaar liep ik makkelijk 2:24 en haalde brons bij het Nederlands kampioenschap. Brons! Als twee mensen niet hadden meegelopen had ik goud gehad. Dat is misschien ook wel een drive: goud halen. En onder die 2:20 komen.’

Hoe zit het eigenlijk met die gedachte dat je iets nuttigs moest doen? Hardlopen lijkt me nog zinlozer dan pianospelen, eerlijk gezegd.

‘Dat speelde toen: iets voor de wereld betekenen. Ik heb ook gedacht dat ik tropenarts wilde worden, maar dat idee heb ik losgelaten nadat ik de tropen had gezien. Ik heb vier maanden in Malawi gewerkt en daarvoor nog vier maanden in een lepra-ziekenhuisje in Nepal. Als student ben je in ontwikkelingslanden – zelfs met een studieschuld van hier tot Tokio – een rijk mens. Iedereen ziet je  als een rijke blanke, daar moet je mee kunnen leven. Bovendien moet je kunnen werken met beperkingen: die wereld draait anders. Er is een andere moraal. Het werk wordt sneller neergelegd, mensen komen te laat, afspraken gaan niet door… In Malawi worden doktoren en verplegers die voor een project van Artsen Zonder Grenzen – werken, beter betaald dan het personeel van een regeringsziekenhuis. Als je voor een schijntje moet werken, doe je minder je best. Het is niet alleen onwil. Het zijn ze omstandigheden. En je kunt er weinig aan veranderen. Iedere tropenarts knokt daarmee. Ik heb gemerkt dat die artsen vaak een enorme drive hebben; ze gaan erheen om dingen aan te pakken, zaken structureel te veranderen. En al snel blijkt er veel minder mogelijk dan ze hadden gedacht.’

Dus je hebt die ambitie laten varen?

‘Ik vraag me af of ik iets kan toevoegen. Hier, in Nederland, is één op de driehonderd mensen arts. In Malawi heb je één arts voor vijftigduizend mensen. Er zijn dus enorme tekorten en dan is er ook nog eens een enorme braindrain: Afrikanen worden vanuit Engeland aangetrokken. Ik begrijp het wel. Ze zullen de kans om als arts in het westen te gaan werken niet laten liggen, maar het is wel een ramp voor het land waar al zulke grote tekorten zijn. Volgens mij ligt daar ook de oplossing: je moet in de ontwikkelingslanden zelf meer artsen opleiden. Ik wil met de kennis en de ervaring die ik hier opdoe misschien over tien jaar weer die kant opgaan, om te helpen in het onderwijs.’

In Malawi kreeg je van een van de doktoren in het ziekenhuis een bijnaam: Chimwemwe.

‘Happiness. Ja, ik ben iemand die altijd gelukkig is. Ik lach veel. Ik weet niet hoe dat komt. Ik hou van mensen, ik vind het leuk om mensen te leren kennen. Als ik vrij ben, ga ik graag naar Het Bolwerk. Soms ga ik er gewoon heen om een boekje te lezen, ik vind het prettig om mensen om mij heen te hebben. Zeg, zullen we er nu even naartoe lopen?’

Op weg naar het café praten we verder over Malawi, waar hij het hardlooptalent Francis Khanje leerde kennen, waar hij iedere dag ging lopen zodra de zon opkwam. Eenmaal aan de stamtafel komt de liefde ter sprake – omdat ik meende dat ik op zijn website had gelezen dat Thijs verschillende keren hopeloos verliefd was geweest.

De Denker‘Heb ik dat echt geschreven? Ook op dat terrein ben ik gelukkig. Ik heb een lieve vriendin. Ik ken haar van de atletiek. Ze is fysiotherapeut en bewegingswetenschapper. Ze heeft een geweldige drive, wil continue bezig zijn. Als ik bij haar ben, en een keer geen zin heb om ’s ochtends vroeg op te staan voor een training, schopt zij me eruit.’

Je hebt vooral soortgenoten om je heen. Is het een bepaald type, de hardlopende mens?

‘Een specifieke diersoort, bedoel je? Ja, in zekere zin heb je gelijk. Op een of andere manier zijn mensen die hardlopen voor mij makkelijker te begrijpen. Ze durven, net als ik, iets te doen wat ogenschijnlijk nutteloos is; iets waar je vooral zelf plezier aan beleeft. En iedereen is bezig met zijn eigen droom: de tien kilometer binnen veertig minuten, een marathon lopen, noem maar op.’

Dat is wat jullie gemeen hebben: de wens om zo snel mogelijk van A naar B te komen.

‘Ja, maar het is niet zo dat we door die tijden gedreven worden. Tijd is nu eenmaal het enige houvast. Voor niet-hardlopers zijn het maar getalletjes. En het is natuurlijk relatief. Als het je lukt om die tien kilometer binnen veertig minuten te lopen, wil je die afstand daarna binnen de vijfendertig minuten lopen. Het is een kapstok.’

Waar denk je aan, als je loopt?

‘Als ik een wedstrijd loop, denk ik aan tijden en doorkomsten, maar ook aan de volgende bocht in het parcours. Aan diepe gedachten over de zin van het bestaan kom ik eerlijk gezegd niet toe. Zelfs die rekensommetjes – hoeveel moet ik versneller om rond die tijd te kunnen finishen? – zijn op den duur overigens teveel gevraagd. Het helpt wel als er iemand met schema’s naast je fietst.’

Wat helpt er nog meer?

‘Veel mensen langs de kant. Als ik door een publiek word aangemoedigd, loop ik op vleugels. Soms is een haas ook handig; iemand die ervoor zorgt dat je niet te snel van start gaat.’

En doping?

‘Nee!  Ik ken niemand die doping gebruikt. Natuurlijk: er gaan wel verhalen rond over Epo, maar ik kan me niet voorstellen dat je daar makkelijk aan komt. Ik schrijf het voor bij nierpatiënten.’

Dus voor jou is het geen probleem om…

‘Dan heb ik wel heel wat uit te leggen bij de apotheek. Nee. Kijk, het is heel eenvoudig: die middelen zijn eerst in dierenmodellen uitgewerkt, toen het beloftevol genoeg was, werd het op een zieke populatie mensen getest. Testen op een gezonde populatie is niet ethisch. We weten dus niet wat het gebruik van Epo bij een hardloper doet. We weten niet wat de risico’s zijn. Bovendien is het niet eerlijk. Als jij gebruikt en ik niet, voeren we geen eerlijke strijd meer. Ik slik, af en toe, vitaminetabletten. Dat vind ik al extreem genoeg. Ik zal niet tot diep in de nacht uitgaan en veel bier drinken. Rond elf uur is het voor mij welletjes. Dat betekent dat ik me bepaalde dingen moet ontzeggen, maar ik geloof niet dat de sport mijn leven beheerst. Je ziet dat ik hier gewoon een stuk appeltaart bij mijn koffie neem.’

Toe maar, appeltaart! Wat een uitspatting.

‘Het klinkt misschien een beetje saai, maar er staat veel tegenover. Ik ga vroeg naar bed, maar ik ben de volgende dag wel lekker fris. Heerlijk, buiten, in de natuur rond rennen. Ik vond uitgaan vroeger best leuk, maar ik weet dat ik op den duur alleen nog maar bleef omdat ik niet als eerste weg wilde gaan. Die tijd heb ik wel gehad.’

Over tijd gesproken: heb je haast?

Bos Lutterzand‘Ja, ik ben gretig, kom altijd tijd te kort. Veel plannen, veel te doen. Ik moet onder die 2:20 zien te komen. Ik zou graag in de Nationale ploeg terechtkomen, één van de vier of vijf mensen zijn die in een oranje tenue voor het land loopt. Dat lijkt me een enorme eer. Maar dan moet ik eerst, na de Europese Kampioenschappen, 2:18 kunnen lopen. Het zou kunnen…

En je ambities in de artsenij?

‘Ik wil internist-infectioloog worden. Infectieziekten, dat is zo’n beetje mijn hobby. Ouderenzorg is belangrijk, maar jonge mensen beter maken: dat maakt voor mij het vak geneeskunde mooi. Daar is, zeker in ontwikkelingslanden waar grote infectiegerelateerde problemen zijn, nog  heel veel winst te behalen. Ik heb inmiddels een gesprek gehad met professor Hoepelman van het Universitair Medisch Centrum in Utrecht; ze hebben daar een leuke setting om onderzoek te doen. Hoepelman is ook een sporter – als waterpoloër behaalde hij in 1976 brons bij de Olympische Spelen – dus het klikte meteen. Presteren. De lat hoog leggen. Dat zijn zaken die me wel aanspreken. Nu werk ik nog als zaalarts, met onregelmatige diensten. Daar, in dat traject, werk ik gewoon acht uur per dag. Dat maakt de combinatie met het hardlopen een stuk makkelijker.’

Hoe zit het eigenlijk met je oude idealen? Schrijver? Concertpianist?

‘Pianospelen, dat kan ik er nu niet bij hebben. Als ik bij mijn ouders ben, speel ik nog graag een stuk van Beethoven of van Mendelsohn, maar als ik mijn spel op peil wil houden zou ik het veel vaker moeten doen. En schrijven… tja, je hebt mijn website gezien: ik schrijf weleens een stukje. Ook voor hardloopsite ‘Losse Veter’ heb ik een paar columns geschreven. Ik doe het tussen de bedrijven door. Niet hoogstaand, wel leuk. Op den duur zou ik er wel tijd voor willen nemen. Vooralsnog droom ik er vooral over. Dat mag toch ook?’

tekst: Arjan Visser

foto’s: Jannemien Bosman

(2009)

Winst voor Mappa Mondo

Als winnaars van de Station tot Stationloop 2009 kregen Jaqueline Rustidge en ik de mogelijkheid om een goed doel uit te kiezen waar 1euro per deelnemer van de westrijd aan zou worden besteed. Beiden kozen we voor Mappa Mondo te Wezep, zodat we samen maar liefst 800 euro konden overhandigen aan het opvanghuis voor kinderen met een levensbedreigende ziekte.

Lees het persbericht op Losse Veter en voor een krantenbericht in De Stentor.

De winter van 2010

Weet je nog, die winter van 2010?

De zon liet zich nauwelijks zien, de nachten waren nog nooit zo lang geweest. Tijdens die lange nachten joeg de gure wind over de uitgestrekte heides, over daken van boerderijen en dorpen en sneed zich een weg door de toppen van de naaldbossen op de heuvel. De kraaien kropen opeen en hielden zich stil, hopend dat de winter zich uitgestreden zou terugtrekken. ‘s Nachts kon je door het gehuil van de wind horen dat de wereld klaagde: ‘oef’ en ‘aah’, ze was het niet meer gewend.

Weet je nog, die winter van 2010?

Een Engelsman nam deel aan een hardloopwedstrijd. Stoer als Britten zijn, kleedde hij zich zoals gewoonlijk in korte broek. Maar toen hij eenmaal de wedstrijd liep, in het binnenland, leken zijn oren, zijn vingers en tenen bijna te bevriezen. Maar, dat was nog niet het ergste! Tijdens het rennen joeg de ijzige wind langs zijn benen, omhoog, tot zijn mannelijke trots. Daar kromp iets ineen alsof het een plaats zocht om te schuilen. Dat lichaamsdeel begon af te koelen en steeds meer pijn te doen, tot het opeens ophield. In paniek rende die vriend de kleedkamer in, en passant de wedstrijd winnend. Daar, in de kleedkamer begaf hij zich naar de douches. Onder het stromende warme water begon zij huid te tintelen, over zijn hele lichaam behalve… Angstig keek hij naar beneden, om vervolgens vast te kunnen stellen dat alles er nog hing. Terwijl de bezemwagen nog bezig was afgevroren lichaamsdelen op de weg te verzamelen realiseerde die vriend zich dat hij een gelukkig man was, hoewel bijna geen man meer.

Egmond op komst

Aankomende zondag staat de halve marathon van Egmond aan Zee op de kalender, de grootste klassieker van het Nederlandse lange-afstandslopen. Het is een van de wedstrijden die je eigenlijk helemaal live op televisie zou willen kunnen volgen. Het is eigenlijk onbegrijpelijk dat de NOS in al die jaren de charme van Egmond aan Zee nog niet heeft omarmt. Zie die hardlopers in schaarse kledij tegen de Zuiwesterwind vechten, een kopgroep waarin telkens weer de Nederlanders een hoofdrol voor zich weten op te eisen, hoewel de deelnemende Afrikaanse lopers ook niet de minsten zijn. Het zand is voor iedereen even zacht, de zuidwesterwind even sterk, de afstand even lang. Daar, op het strand, wordt samengewerkt en tegengewerkt.

–

Egmond aan Zee, iedereen heeft het er over. Rond kerst schepten de topatleten op Twitter al op over hun vorm. Deelnemers volgen nauwgelet de grillen van het weer met een webcam die in de straten van Egmond hangt. Dit jaar zal het water hoog staan, als de westenwind sterk is zal het strand te smal zijn om de duizenden deelnemers door te laten. In dat geval kan op het allerlaatste moment worden geswitcht naar een alternatief parcours door de duinen ten zuiden van Egmond. De wedstrijd zal dan compleet anders zijn, zal betere omstandigheden kennen, maar geen atleet die daarop hoopt. Want de elementen wind en zand zijn datgene waar de lange afstands-atleet naar hunkert in het begin van het nieuwe jaar.

–

Hoewel Greg van Hest niet in topvorm verkeert zal hij in Egmond lopen, om afscheid te nemen van de wedstrijd waarin hij ooit zegevierde. Andere nationale helden die in Egmond wisten te winnen zijn onder andere Marti ten Kate (drie maal), Kamiel Maase (tweemaal), Luc Krotwaar, Gerard Terbroke en Gerard Mentink, en bij de dames onder andere Carla Beurskens, Marja Wokke en Hilda Kibet. Hugo van den Broek en Michel Butter zijn twee atleten uit de regio die wel eens kunnen gaan verassen in Egmond.

–

Zelf zal ik er ook lopen, nadat op zaterdagavond de uitreiking van de hardloopverhalenwedstrijd zal hebben plaats gevonden. De uitreiking zelf zal worden verricht door schrijver/hardloper/schrijver Bram Bakker. Zelf heb ik geen verhaal ingestuurd, maar ik vorm samen met Bram Bakker en Barbara Kerkhof de jury.

–

UPDATE 8 januari

In verband met door gladheid onbegaanbare duinwegen wordt gekozen voor een alternatieve route: heen en terug over het strand. Er wordt een snijdende wind verwacht vanuit het noordoosten, waarbij de gevoelstemperatuur rond -11 graden komt te liggen.

Mensen en dieren

Daar staan ze, een tiental meters van het pad af in het bos. De strepen avondrood die de zon heeft achtergelaten geven nog voldoende licht om ze te kunnen onderscheiden. De stokstijve silhouetten tekenen zich af tegen de felwitte sneeuw, half verborgen tussen de kale bomen. Zojuist stak een ree het pad over, bleef vlak voor me staan en keek me indringend aan, alsof ze me iets wilde zeggen. Net zo plotseling verdween ze het bos in, gevolgd door twee iets kleinere maatjes.

–

Dat is hardlopen. Als een wild dier ren je door het bos, niet anders dan een ree. Nu ik al een maand lang dagelijks bij schemering door het bos ren, naar mijn werk of naar huis, maar nog geen reeën gezien had, leefde ik in de veronderstelling dat ze zich niet in dit bos ophouden. Begrijpelijk, want als ik een ree was zou ik de Veluwe opzoeken, of de Holterberg.

–

Maar ik ben geen ree, ik ben een mens. Een mens zoals alle anderen. Vorige week werd een meisje van 23 jaar in brand gestoken en kwam te overlijden. In brand gestoken door een mens. Dat zijn mensen, die steken elkaar blijkbaar in de fik. Misschien heb ik het korte berichtje in het nieuws alleen maar onthouden omdat ze bij mij in de straat woonde. In Zeist, misschien wel één van de rijkste gemeentes van Nederland.

–

Een paar jaar geleden organiseerde ik in de zomervakantie activiteiten voor kinderen van een asielzoekerscentrum. Dat zijn van die kinderen die met een hele familie hutjemutje op één kamer wonen, onwijs gezellig. Ouders altijd thuis, want die mogen niet werken. Op een ochtend kwamen we ongelegen want er had zich een incident voorgedaan: een man had zichzelf in de fik gezet nadat hij te horen had gekregen dat het asiel werd afgekeurd. Uit pure wanhoop, of misschien in de hoop dat hij hiermee zijn vrouw en kinderen alsnog een kans kon geven, greep hij een jerrycan met benzine en een lucifer. De man overleed en de rest van de familie is ‘gewoon’ terug gestuurd, door het Volk der Nederlanden. Heerlijke mensen.

–

Omdat ik niet zo goed tegen onrecht kan trek ik me die dingen soms aan. Moet je niet doen, want je kunt er niets aan veranderen. Ja, flyeren voor Groenlinks op de Nieuwmarkt in Amsterdam. Gezellig! Maar dan bedacht ik me dat ik politiek stond te verkopen alsof ik de eerste de beste marktman was. Hoe harder men schreeuwt hoe meer men verkoopt. In de politiek is men steeds harder gaan schreeuwen, omdat men niets te zeggen heeft. Die marktlui besturen ons land. Flyeren doe ik niet meer, laat die Hollanders zelf maar bedenken waar ze op stemmen.

–

De krant staat vol berichten om wanhopig van te worden, daarom heb ik geen krant. Dan strik ik mijn veters maar en sla de deur achter me dicht. Een tikkeltje te hard. Wat zal de buurvrouw denken? Binnen is de krant, de radio, internet, actualiteit en politiek. Buiten, op straat, is de wereld onveranderd. Ieder voorjaar komt de wereld tot bloei alsof het feest is. Maar nu ligt er sneeuw en is het steenkoud. Een paar krullen breken af als ik door mijn haar strijk. En bij iedere ademhaling vormt zich een dampwolk alsof ik een fabriek ben.

–

Ik bedenk me en keer om. Als ik ze zie zal ik ze achtervolgen. Van het pad af, het bos in. Over afgebroken takken springend, kuilen ontwijkend. Gelijke rechten voor mens en dier! De langzaamste zal mijn prooi zijn, met blote handen gevangen. Met mijn vingers druk ik de slagaders dicht tot ze verslapt. Dan sleep ik haar naar mijn hol, scheur de stugge huid los van het vlees dat nog rood en warm is. In de stilte van de nacht zal ik mijn honger stillen met het rauwe vlees van het dier, mijn dorst zal ik lessen met het bloed uit de slagader. Tot de morgen aanbreekt zal ik wachten in de kou. Bij een heldere sterrenhemel val ik in slaap.

–

Maar nee, ze zijn nergens meer te zien. Omdat het inmiddels zo goed als donker is snel ik terug naar de bewoonde wereld. Pasta en groente in een verwarmde kamer. Een boek van Fitzgerald en een strijkkwartet van Janáček.

A serious runner

Toen ik jaren later terugkwam op de plek waar ik volwassen was geworden zocht ik naar woorden om samen te vatten welke verandering in mij had plaatsgevonden: ‘I have become a serious runner’. In minder dan een jaar tijd was ik een hardloper geworden. Hoewel ik vroeger het pianospel aardig beheerste en graag en veel speelde, had ik me nooit pianist gevoeld als ik niet op het krukje zat en de fantasieën van componisten vertolkte. Zo gauw ik het pianoboek dichtsloeg en het lampje uitknipte was het over. De klep hoefde ik er niet eens voor te sluiten.

Met hardlopen is dat anders. ’s Ochtends gaat de wekker voor de training: vanaf het moment dat ik ontwaak ben ik hardloper. Als ik na de training onder de douche sta was ik de sporen van de training van mijn lijf. Het zweet verdwijnt vermengd met zeep in het riool, wat overblijft ben ik en de hardloper in mij. Of ik nu werk, eet, lees of praat, nog steeds ben ik hardloper. Zelfs als ik op volle kracht tegen de wind in naar huis fiets ben ik hardloper: hardloper op de fiets.

Ik had ook kunnen zeggen ‘I started running’ of ‘I’m just a runner’, maar ik zei ‘I have become a serious runner’. Alsof het me overkomen was, zonder dat ik daar zelf een keuze in had. Alsof ik een Verwandlung had ondergaan: zoals Gregor Samsa op een slechte ochtend wakker werd in reusachtig insektenlichaam, ontdekte ik op morgen dat ik mijn overtollig vet was kwijtgeraakt. In de spiegel keek ik in de ogen van een uitgemergeld gezicht boven een slank lichaam gestoken in strakke tight en snelle schoenen aan de voeten. Dan dringt de vraag zich al snel op of je hardloper bent omdat je hardloopt of dat je maar bent gaan hardlopen omdat je toevallig hardloper bent.

A serious runner. Waarom de toevoeging ‘serieus’? Ik kan me herinneren dat mijn gesprekspartner een spottende opmerking plaatste waarin hij de toevoeging ‘serieus’ nog eens benadrukte. Wat wilde ik ermee zeggen? Als kind nam ik het leven al serieuzer dan anderen. Ik las serieuze boeken en luisterde naar serieuze muziek. Als ik hardloper zou worden, was het niet meer dan logisch dat ik een serieuze hardloper werd. Of betekende het meer, had ik toen al de bedoeling om ooit mee te strijden om de nationale medailles en deelname aan internationale toernooien?

Hoe dan ook, die korte zin is in mijn geheugen blijven hangen, alsof het een bezegeling was van mijn lot. Nu moest ik ook tonen dat het serious business was, dat hardlopen van mij. Hoewel het hardlopen in de loop der jaren inderdaad steeds serieuzer is geworden probeer ik het zelf nu meer en meer te benaderen als een uit-de-hand gelopen passie: run happy.

De Kalfjeslaan

Straatlantaarns, weerspiegeld in de regenplassen op het fietspad, rijgen zich als een kralensnoer aaneen. Langzaam laat ik ze door mijn vingers glijden, zonder ze te tellen, want waar zou ik moeten beginnen? Doordat de maan zich heeft verscholen achter een dik wolkendek lijkt de berm te eindigen in een donkere afgrond. De wereld heeft zich gereduceerd tot één enkele dimensie. Nu is hier, straks is een paar kralen verder. Voor denken is het te vroeg, voor spreken te laat. De woorden zouden in de stilte blijven hangen en bevriezen in de kou. Door de oktoberwind zouden ze worden weggedragen over de polder, te water raken en al dooiend vervloeien met het zwarte slootwater.

De Kalfjeslaan is een oude, rechte weg van het bos naar de rivier. Ouder dan het bos maar jonger dan de rivier. De kaarsrechte weg is genoemd naar de herberg ‘t Kleine Kalf, gelegen aan de rivier, dat in de zeventiende eeuw werd geopend door Jan Claesz Kalf. Nadat het in de tweede helft van de vorige eeuw is gesloopt bleef er alleen een tolhuis over, dat inmiddels is omgebouwd tot een mooi maar onnodig duur restaurant. Het restaurant is zo belicht dat je het van twee meanders stroomopwaarts al kunt zien liggen.

Strijd (13): Twee Vrouwen

Ontwakend uit de trance van mijn loopritme weet ik me plotseling omgeven door motors en een auto. Zou dit de bezemwagen zijn? Red ik het niet meer om binnen sluitingstijd de finish te bereiken? Als mij even later door een Afrikaanse man de pas wordt afgesneden en ik het zachte, regelmatige gehijg van een vrouw hoor kan ik de situatie realistischer inschatten.

Niet één maar twee! Door twee hijgende vrouwen tegelijk word ik verkracht. Het geeft me nieuwe moed, ik voel het ritme aan en beweeg mee. Duizenden jaren evolutie sleuren me uit de trance, ik moet over deze vrouwen waken. Zo gebeurt het dat ik bij de volgende waterpost beide vrouwen een beker water aanbiedt.

Natuurlijk komt er een moment dat je moet kiezen voor de een of de ander. De haas waakt over de eerste vrouw. De tweede moet afhaken. Even blijf ik bij haar, probeer haar op te peppen maar zonder resultaat. Een Darwinistische levensles: kies nooit de vermoeide vrouw maar de fitste. Ik kon niet kiezen, liep vertwijfeld tussen hen in verloor met beiden het contact. Evolutionaire looser die ik ben.

Unter den Linden. De laatste anderhalve kilometer over de brede laan met aan weerszijden toeschouwers op twintig rijen hoge tribunes. Een lawaai alsof het laatste bombardement van 1945 nog niet is afgelopen. Tranen, werkelijk! Deze ultieme hardloopervaring zal ik nooit vergeten.

In de trein terug delen we de coupé met vier andere Nederlanders. Telkens weer benadrukken atleten dat het voor mij ‘toch wel heel anders moet zijn’, maar dat is niet zo. Zij hebben, een half uurtje later dan wel, over dezelfde straten gelopen, zijn door hetzelfde enthousiaste publiek aangemoedigd en hebben dezelfde zon gevoeld. De één loopt weliswaar wat harder dan de ander, maar daar ligt dan ook het enige verschil. Misschien maak ik bepaalde keuzes wat anders, ligt mijn ambitie iets hoger, maar de passie is hetzelfde.

Drie maanden investeerde ik in deze race, die het qua eindtijd niet eens kon halen bij eerdere marathons waarvoor ik trainde gedurende meer dan volwaardige werkweken op de afdeling in het ziekenhuis. Toch voel ik nu nauwelijks enige teleurstelling. Het weekend in Berlijn was een prachtige bekroning op de drie hardloopmaanden. Ik denk dat mijn vorm beter was dan ooit tevoren, maar niet goed genoeg voor 2u19. Ik heb de gok gewaagd want de magische 2u20 grens is me veel meer waard dan een minuut van mijn persoonlijke record af. Bovendien had ik dit jaar al een mooie tijd gelopen. Intensieve trainingsweken heb ik zonder kleerscheuren overleefd, sterker nog, het was mijn zesde volwaardige marathonvoorbereiding zonder noemenswaardige problemen.

Nu mag ik uitrusten, zoals een ander na de coïtus een sigaret opsteekt en in slaap valt. Het is mooi geweest. Morgen heb ik weer zin maar nu wil ik rusten. Het belangrijkste doel was genieten en van iedere stap heb ik genoten. In Berlijn, maar ook tevoren: de trainingsweken, maanden, jaren. Lopen is mijn lust.

Nawoord

Ik hoop dat de mensen die deze woorden nog lezen ook hebben genoten. Sommigen herkennen misschien de emoties en gedachtenflarden rondom de marathon, anderen wijzen in gedachten naar hun voorhoofd, want, ik moet erkennen, marathonlopers zijn wel een beetje gek. Maar de marathon is ook mooi, het heeft alle ingrediënten die anderen zoeken in de dagelijkse soap op televisie. Misschien is er ergens één persoon die ik over de streep kan trekken, niet de laatste meters voor de finish, maar de startlijn: de marathondroom omzetten in daden.

In Berlijn

Met een stalen gezicht passeer ik de tafel waaraan hij zit te ontbijten. Alsof hij net als ik een gewone hardloper is, een van degenen die vele kilometers hebben afgelegd om hier morgen aan de start te verschijnen. Ik voel het bloed naar mijn gezicht stromen als hij me even aankijkt. Of kijkt hij naar iemand achter me. Ik lijk wel verliefd. Maar Haile is al bezet, getrouwd met de marathon van Berlijn. Met zijn lach kijkt hij van talloze posters, boekjes en vanuit de televisie de wereld in. Welkom in Berlijn, welkom bij Haile. lees verder…

Vanochtend heb ik om elf uur een kort duurloopje gedaan vanuit het hotel. Naderhand droop het zweet van mijn gezicht, zo warm was het al deze ochtend. Morgen zullen mijn laatste kilometers rond hetzelfde tijdstip liggen, en zal het waarschijnlijk nog warmer worden. Dat betekent dat het weer mogelijk een behoorlijke invloed zal hebben op de uitslagen. Maar voor mij zijn er hier ook vele voordelen: de organisatie zorgt prima voor ons en we starten in een groep van zo´n 7 atleten die onder de 2uur20 willen duiken. Het betekent dat er waarschijnlijk goed samengewerkt zal worden. En natuurlijk gaat er een extra inspiratie uit van het bijzondere parcours in een historische stad met meer dan een miljoen toeschouwers die de 40.000 marathonlopers zullen aanmoedigen. Kortom, alle vertrouwen in een goede afloop morgen.

Vanaf de start liep ik in een grote groep atleten die 2u19 als doel voor ogen hadden, waaronder enkele britten die daarmee de limiet voor de Commonwealth Games zouden halen. Bij 15km liet ik na een kilometer van 3’15 een gaatje vallen omdat het me te vroeg leek de strijd onnodig zwaar te maken. Bij 18km zat ik nog op schema voor een tijd van 2u20 maar vanaf dat punt vlogen de kilometertijden omhoog, terwijl ik voor mijn gevoel even hard bleef lopen. Halverwege kwam ik door in 1u10’30, hopend dat ik het tempo op zou kunnen pakken maar al gauw werd ik door atleten ingehaald die me het gevoel gaven stil te staan. Bij 34kilometer wist ik me omgeven door auto’s en motors. Ineens bevond ik me bij de eerste twee dames, ik kon even aanhaken bij hun tempo, maakt me gedienstig door water aan te geven als een echte haas. Bij 36km wist de eerste dame te versnellen, de ander haakte af. De laatste kilometers was ik het tempo weer totaal kwijt. Op Unter den Linden aangekomen, de 1,5km lange aanloop naar de finish bij de Brandenburgertoren, probeerde ik er nog een eindsprint uit te gooien maar ook dat bleef vruchtenloos. Ondanks het wat tegenvallende resultaat heb ik heel erg genoten van deze prachtige wedstrijd. Iedere meter van de route was bezet door publiek met fluitjes, rammelaars. De organistie was perfect. Onmogelijk om niet te genieten en helemaal uit je dak te gaan. De marathon was nog nooit zo mooi als in Berlijn.

Inmiddels zijn er filmpjes te vinden op de website van MySports

Strijd

Tot en met september is marathonloper Thijs Feuth even fulltime topsporter, wat mogelijk wordt gemaakt door het wisselen van baan en door ondersteuning van zijn sponsoren. Omdat de Marathon van Berlijn binnen deze periode valt, heeft hij besloten zich te richten op deze wedstrijd.

Om de progressie die hij de afgelopen jaren heeft geboekt voort te kunnen zetten, zal hij de tijd gebruiken om te trainen en tussen de trainingen door zich mentaal voor te bereiden op de strijd die hij in Berlijn zal moeten leveren.

De leermomenten wil hij graag met u delen. Wij nodigen u dus uit om aan de hand van zijn column ‘Strijd’ u voor te bereiden op uw eigen strijd, of het nu om een wedstrijd gaat, een strijd tegen ziekte of een strijd anderszins.

Vanaf 1 juli verschijnt de column wekelijks op www.losseveter.nl

1: Sabotage Hembrug

2: Moonwalk

3: Excalibur

4: Bergen

5: Rustdag in Bad Durrheim

6: Tijd, ik heb u lief

7: Methode Roseg

8: Alchemist in de bergen

9: Why we run

10: Een onbekroonde strijd

11: Een donker woud

12: Tijd voor daden

13: Twee vrouwen

Variatie door TION-sprinter Jeroen Klein: Arrogantie.