Unknown's avatar

About Thijs Feuth

1981 Nijmegen, The Netherlands. Author of Kafka is dood (2022), Zwarte Ogen (2015) and Achter de rug van God (2017). Medical specialist in Lung Disease. Runner.

In memoriam: de Veluweloop

Vanochtend zag ik een oude man hardlopen. Nauwelijks kwam hij vooruit, maar het was mooi om te zien. Zijn armen zwaaide hij langs het lichaam alsof zijn leven ervan afhing – misschien deed het dat ook wel, je weet het maar nooit met die oudjes. Boven de tachtig was-ie. Daar heb ik respect voor!

Zo teken ik op van mijn broer, aan tafel in een cafe. In mijn familie is er weinig begrip voor mijn hardlopen. Gewerkt moet er worden, de dieren voeren, appels rapen en de moestuin omspitten. Hardlopen om weer op dezelfde plek terug te komen is zonde van de tijd en energie. Ze doen hun best wel om interesse te tonen maar het blijft vreemd gedrag van de zoon die stedeling is geworden.

In die stad wordt veel geschreven en gesproken over het verschijnsel van de laatste ‘hardloopgolf’. Miljoenen mensen steken zich in strakke, felgekleurde kleding, en witte schoenen met dikke, dempende zolen. Die hardlopende oude man is het ideaal van de moderniteit: het ontkennen van ouderdom. Juist omdat we geen lichamelijk werk meer verrichten gaan mensen sporten, een nutteloze besteding van energie die ons, tegenstrijdig genoeg, zonder netto opbrengst toch voldoening geeft.

‘s Ochtends liep ik een etappe van de Veluweloop als gastloper bij een oud-Tartlétos* team: tobbe(n)metWobbe. Het enthousiasme van het jaarlijkse hoogtepunt wordt getemperd door excuses. “Ja, ik woon wel aan de rand van het bos, maar voor hardlopen heb ik geen tijd meer. Kinderen, weet je, daar moet je nooit aan beginnen.” Lichamen, die ooit als jonge goden over de atletiekbaan vlogen, beginnen hun mankementen te vertonen – een kwestie van gebrekkig onderhoud. Voor het team maakt het niet uit, want de instelling is recreatief, maar ik gok dat de constatering van de fysieke teloorgang de oud-atleten toch wel in hun ziel moet treffen.

Wobbe, naamgever van het team, voldoet wel of niet aan de hooggespannen verwachtingen door al na één kilometer met kramp op te moeten geven. Zijn etappe wordt overgenomen door de meefietser. Gekkenwerk, dat hardlopen, en al helemaal als fietsteam, wat betekent dat je zo’n tachtig kilometer meefietst terwijl je ook nog moet hardlopen. “Meer dan mijn maandelijks gemiddelde,” meldt Wobbe trots, doelend op zowel het hardlopen als het fietsen.

Tobbe(n)metWobbe is niet het enige team dat begint te haperen en waar de doorgeroeste onderdelen van afvliegen. Welbeschouwd is de Veluweloop, een estafette die haar oorsprong kent in de studentenatletiek, een reünie geworden van honderden oud-atleten. Enkele studententeams lopen er wat verdwaald tussen. Eén student zag ik kokhalzen, waarschijnlijk was de antiperistaltiek van de slokdarm opgewekt door de confrontatie met de ouderdom.

Vijf-en-tachtig teams hadden zich ingeschreven. Ver onder de norm van honderd die enkele jaren geleden nog als de ondergrens van rendabel was genoemd. De jammerlijke teloorgang van de meest charmante estafette van Nederland. Hoe bestaat het, nu iedereen massaal de hardloopschoenen aantrekt? Heeft de estafette een stoffig imago, wordt er te weinig reclame gemaakt, of is er te weinig draagkracht onder het Wageningse studentenleven dat de laatste jaren steeds internationaler is geworden?

Het winnende team bestaat voor een groot deel uit studenten. Maar ze rijden met busjes in plaats van op de fiets. Ze hebben dus wel gewonnen maar eigenlijk niet echt meegedaan in de ogen van de fietsende ploegen. De charme die de Veluweloop nog altijd heeft is juist de kneuterigheid en de schoonheid van het landschap, en die beleef je niet vanuit een busje: de vroege zonnestralen die zich aftekenen tegen de mist in het bos dat nog wakker moet worden.

Op de Beerenberg, vlakbij de herstart in Arnhem, ligt de grote begraafplaats Moscowa. Ruimte genoeg voor een massagraf met een grafsteen: De Veluweloop 1980-2010. Rust in vrede.

(*)Tartlétos is de organiserende studentenatletiekvereniging van Wageningen.

Eindelijk!

Afgelopen zaterdag heb ik met succes een testwedstrijd volbracht. Het betrof een etappe van de Veluweloop. De wedstrijd was bedoeld om te testen hoe mijn hamstrings zouden reageren op maximale inspanning. Dat is belangrijk, omdat de afgelopen maanden in het teken hebben gestaan van herstel en opbouwende training, waarbij zware prikkels zoveel mogelijk werden vermeden. Tijdens de wedstrijd kreeg ik geen klachten, en ook het herstel lijkt goed te gaan want op zondag kon ik zonder problemen een lange duurloop van zo’n 35 kilometer volbrengen.

Surmanage van de hamstring is een vervelende blessure met een langdurig en grillig revalidatietraject. Voor mij geen uitzondering, al leefde ik bijna steeds in de verwachting dat het een paar weken later wel weer goed zou gaan. Een pas op de plaats maken is erg moeilijk voor mij als marathonloper.

Met een blessure heb je niet alleen te maken met pijn, ook buiten het sporten, maar ook mis je je belangrijkste uitlaatklep. Maar, laten we niet teveel overdrijven: in Malawi zag ik kinderen doodgaan van de honger en ook veel andere mensen kwamen onnodig te overlijden. Zo’n blessure is in vergelijking daarmee een peulenschil.

Toch wil ik mijn begeleiding en supporters bedanken voor de steun en het geduld. Hopelijk luidt de testwedstrijd van het afgelopen weekend een nieuwe, blessurevrije periode in. De komende weken ga ik verder bouwen aan mijn basisniveau om later in het najaar de puntjes op de i te gaan zetten.

Zomerdans

Met het gezicht naar me toegedraaid staat ze daar, half verscholen tussen de bomen. De regen van zojuist geeft haar roodbruine zomervacht een doffe glans. Een vragende blik, die het midden houdt tussen angstig en uitdagend, alsof ze hoopt ten dans te worden gevraagd. Druppels gevangen in bladeren breken het licht van de doorbrekende avondzon als een discobal. Op aangeven van de specht stap ik op haar toe. Mag ik je Capri noemen?

Even lijkt ze te aarzelen. Was de vraag wel aan haar gericht? Een ruk met het hoofd en daar gaat ze, in vloeiende passen, sprongen, zwieren, begeleid door een krekel die haar vleugels droogstrijkt. Haar verlegenheid schudt ze van zich af, om plaats te maken voor trots en gratie.

De wolken zijn nog niet verdreven maar hullen het bos in een sprookjesachtige duisternis. Licht is pas mooi als er schaduw is. Het bos is groener, bruiner en lijkt meer te ademen. Lucht waar je je longen mee vol pompt, waar je liefde uit put. En troost.

Troost kan iedereen wel gebruiken, ook zonder verdriet. Van troost word je vanzelf een beetje verdrietig. Oog in oog met Capri schieten me de tranen in de ogen. Pijnscheuten als speerpunten in het hart. Waarom? Je kunt om van alles verdrietig zijn. Om gemiste kansen, om verlies, maar ook door liefde en geluk.

Net als liefde kan hardlopen pijn doen, maar ook voldoening geven. Soms geeft pijn juist een geluksgevoel en een andere keer kan voldoening verdrietig maken. Daarom probeer ik het hardlopen maar te zien als een dans, die blijft voortduren tot je er uitgeput bij neervalt.

Mijn dans met Capri was echter van korte duur want al snel werden we betrapt door haar broer. Schaamde ze zich, of was het een ontwaken in de werkelijkheid? Reeën zijn geen mensen, en horen zich ook niet met mensen in te laten. Toch kun je de werkelijkheid soms even vergeten. Die momenten, gestolen uit een droomwereld, kun je je leven lang bij je dragen, om moed uit te putten. Moed, om het lopen voort te zetten als de duisternis valt.

Vajra, of hoe het hardlopen zijn leven redde

Het was op een doordeweekse avond dat de hardloper verdwaalde in het bos – min of meer vrijwillig omdat hij op zoek ging naar het onbekende door de paden te nemen die hij altijd links (of rechts) had laten liggen. Het was een zomerse dag geweest, een drukkende warmte deed hem de koelte van het bos opzoeken.

De hemel verschool zich achter het bladerdek van de zomerse gedaante van de bomen. Zo kwam het dat hij niet wist wat zich boven hem afspeelde. Donkere wolken pakten zich onheilspellend samen. De langzaam inzettende duisternis weet hij aan de dicht op elkaar staande bomen en het tijdstip op de avond, de cijfers op zijn digitale horloge telden maar door. Vogels trokken zich terug in hun nest en hielden zich bedaard, alsof ze daarmee het gevaar konden afwenden. Windstoten vertaalden zich in een geruis van bladeren in de toppen van de bomen. Een ree negeerde de hardloper door een tiental meters vóór hem het pad over te steken. Op de vlucht leek ze, een schuilplaats zoekend voor een onzichtbare dreiging.

Pas aan de rand van een heide werd hem duidelijk wat hem te wachten stond: deze zomerse avond zou een onweer inluiden dat zijn weerga niet kende. De lucht boven het bos leek geschilderd van een palet donkergrijze tinten, dat deed denken aan de lucht op de schilderijen in het Rijksmuseum, waarop fiere driemasters huizenhoge golven bedwingen. Een fractie van een seconde lichtte de heide op, gevolgd door een luid geroffel.

Zijn vader had hem vroeger altijd gewaarschuwd niet onder bomen te schuilen bij onweer. Maar een boomloze plek zoeken in het bos is lastig, en is men op de heide niet nog veel kwetsbaarder? Hij sloeg op de vlucht, net als de ree, op weg naar zijn schuilplaats. Door het bos, de kortste weg naar huis.

Opeens brak de hemel open en goot haar water uit over het bos. Al snel vormden zich stroompjes op de paden en in een mum van tijd werd het bos een Amazonedelta in het klein. Bliksemschichten vlogen om de haverklap door de lucht, en de donder leek een eindeloos gebulder. Zijn voeten werden zwaar door de doorweekte schoenen, maar hij besefte dat het juist nu van belang was de snelheid te bewaren. Want bij een hogere snelheid is de zweeffase van de pas langer en zolang je de grond niet raakt kan de bliksem je niet deren. Plotseling

Flits en Knal!

en dan niets

Heel subtiel begint daar een voorzichtig bewegend beeld – een soort televisie op het scherm van een mobiele telefoon-formaat. Het beeld wordt geleidelijk groter tot het hem als het ware omsluit. Een film, waarin hij zichzelf herkent als de hoofdrolspeler. In de zandbak met zijn broertje, op de fiets met zijwieltjes, hoe hij steeds beter wordt met knikkeren tot de knikkers niet meer in de zak passen en hij ze vervolgens allemaal verliest in één partijtje….

Het beeld vervaagt en maakt plaats voor hoofdpijn. Voorzichtig gefluit van een vogeltje. In de modder van een beregend bos hervindt hij zich en voelt niets dan vreugde en een gevoel van onoverwinnelijkheid. Het vervolg van zijn weg is geen gouden weg maar de diamantweg – vajrayana. Hij, die de bliksem heeft overleefd, zal in geen mens de meerdere erkennen.

Dromen van Damascus

Damascus is a paradise

where the stranger forgets his homeland*

Na een lange reis ga ik op audientie bij de koning van Syrie, om een brief van onze koningin aan te bieden. De afstand tussen Amsterdam naar Damascus heb ik hardlopend afgelegd, om de afstand tussen Oost en West weer tot menselijke proporties terug te brengen: vijfduizend kilometer in honderd dagen. Duizenden jaren geleden waren het de kruisvaarders die de verhoudingen op scherp stelden. Sindsdien zijn er tijden van wederzijds gedogen geweest, maar de rivaliteit tussen christendom en islam lijkt de laatste jaren opnieuw tot een diepe kloof tussen Oost en West te hebben geleid. Mijn reis is een vredestocht, met hetzelfde eindpunt als de tweede kruistocht.

Ik ben een dromer. Als kind reisde ik in mijn fantasie de wereld over, voer als de kleine kapitein over zeeën en langs eilanden. Als het stormde klom ik in de boom, hield me vast aan de zwiepende takken en stelde me voor hoe de Nooitlek de oceaan bedwong.  ‘Land in zicht!’ Aan het begin van het nieuwe schooljaar mocht iedereen voor de klas vertellen waar hij op vakantie was geweest. Voor mij geen buitenland, want de dieren thuis konden ons niet missen, maar ze moesten eens weten wat ik had meegemaakt!

De afgelopen weken waren mijn dromen een stuk betrekkelijker. Een hamstring heb je niet tot je er klachten van krijgt -net zoals een knie of een achillespees. Tenminste, je was je nooit bewust van dat onderdeel van het bewegingsapparaat. Dan ga je je opeens realiseren hoe gelukkig je jezelf mag prijzen dat je volle kracht tegen heuvels en duinen kon oprennen, op maximale snelheid rondes over de atletiekbaan kon koersen en met eindeloze duurlopen de hele Veluwe kon doorkruisen. Dan fantaseer je over die trainingen, die achter je liggen maar misschien ook wel voor je. Het hele lichaam smacht naar die manier van voortbewegen die zo uniek is voor de mens: het hardlopen. De droom bestaat dan alleen nog maar uit afwezigheid van de belemmering en de pijn.

Revalidatie suggereert een eenrichtingsweg terug naar de gezonde staat van het lichaam. Maar voor chronische blessures is de werkelijkheid vaak toch harder. In het herstel gaan dingen mis. Vooruitgang geeft hoop, hoop geeft ambitie, en die ambitie laat je in de val trappen want je ambitie heeft geen geduld. Mijn revalidatie was een aaneenschakeling van hoop en tegenslag, maar de laatste weken is er toch een duidelijke progressie. De droom van pijnloos lopen vervaagt weer omdat ze werkelijkheid wordt. Daarvoor in de plaats komen weer nieuwe dromen.

Zoals de droom van Damascus: halverwege de zomer vertrek ik om dagelijks zo’n vijfig kilometer af te leggen. Voor overnachtingen en eten neem ik geen geld mee, maar vertrouw ik op de gastvrijheid van de boeren die ik onderweg tegenkom. Misschien dat ik een kinderwagen met kampeerspullen mee neem, zoals de ultraloper Peter Rietveld die zo van Parijs naar Amsterdam liep. Of misschien krijg ik iemand zo gek mee te fietsen voor gezelschap en ondersteuning. Want Damascus is een heel eind weg.

*Abu l-Hasan Ali

Van station tot station

Vanuit de tractor kijkt hij uit over zijn land. Zon en regen wisselen elkaar goed af, dit voorjaar. De weiden zijn uitzonderlijk groen en de akkers liggen er vruchtbaar bij – zoals mijn vrouw 10 jaar geleden, denkt de boer met een stiekeme glimlach. Vanavond moet er bemest worden, dus verwondert hij zich niet lang over de olympische trein die over het enkele spoor rijdt. Normaal tuft hier alleen een stoptreintje tussen de velden, van Zwolle naar Emmen en weer terug. De oranje gekleurde trein versierd met portretten van olympische helden is hier trouwens wel eerder geweest: verleden jaar rond dezelfde tijd, en een jaar eerder trouwens ook al.

In die trein zit ik, me klaarmakend voor het lopen van de Station-tot-Stationloop. Na een kopje koffie op het station van Dalfsen grijp ik de laatste mogelijkheid om op tijd aan de start te verschijnen in Ommen. Net als vorig jaar en het jaar ervoor.

Wat compleet anders is, is mijn wedstrijdplan. Vandaag zal ik de wedstrijd over laten aan de anderen, terwijl ik er zelf een duurloop van zal maken. Tenminste, als ik de strijdlust weet te onderdrukken. Want, hoewel ik het besluit al heb genomen, gedwongen door een hamstringblessure waarvan ik inmiddels herstellende ben, knaagt het al dagenlang: ‘dan loop ik over dat geliefde parcours over fiets- en wandelpaden, dwars door de Vilterse molen heen, over de weg en over de Vechtdijk, terwijl ze voorin misschien wel mijn parcoursrecord breken’.

Als ik Leon Sanderman bij de start even vraag hoe het met hem is antwoordt hij kort, zonder de wedervraag te stellen. Dus weet hij niet dat het nog niet goed genoeg gaat om een bedreiging voor hem te vormen. Na de wedstrijd hoor ik dat koplopers Leon en de uiteindelijke winnaar Jan Paalman de hele wedstrijd verwachtten dat ik ze zou inhalen. Misschien dat Leon hier een les uit leert: vraag je concurrenten altijd hoe het gaat – niet zozeer uit beleefdheid maar uit eigenbelang, zodat je weet wat je kunt verwachten.

Na het startschot gaat mijn eerste kilometer wat harder dan gepland, in 3’30. Zo kan ik op gepaste afstand zien hoe de koplopers in 3’00 doorkwamen, zodat ik met gerust hart verder kan lopen: die snelle start zullen ze later moeten terugbetalen dus blijft mijn parcoursrecord redelijk veilig.

Daar loop je dan, met startnummer 1 midden in het wedstrijdveld. Loper na loper laat ik passeren, onder wie zelfs enkele dames. Al die lopers lopen me in stilte voorbij, de blik op oneindig,  alsof ze aan een onzichtbaar koord worden voorgetrokken. Een enkeling hijgend, een ander stampend en weer een ander met de armen zwaaiend alsof hij met een zeis de velden bewerkt. Ik kijk ondertussen uit over dezelfde velden als de boer en bedenk me dat het toch wel een goede lente moet zijn voor de boeren op het land.

Het applaus van toeschouwers langs de kant striemt als de zweepslagen van een koetsier op de rug van een sloom paard: vooruit! Ondanks dat herinner ik me mijn missie en kan langzamerhand meer en meer genieten. Het is tenslotte een heerlijk hardloopweertje en ik loop door een prachtige omgeving.

Met nog 5 kilometer te gaan staat er een jongetje alleen langs de kant van de weg aan te moedigen: hup hup! Dat voelt dan voor het eerst echt bemoedigend! Op een lenteavond komen daar plotseling in een uur tijd duizend hardlopers voorbij en een politiemotor. Dat moet toch machtig zijn, als je aan de Markeweg bij Hessem woont?! Bij de volgende bocht staan tientallen mensen en probeer ik te laten zien dat ik geniet: even lachen en een hand in de lucht.

Na de finish in Dalfsen heb ik nog even de gelegenheid om Jaqueline Rustidge en Jan Paalman te feliciteren, de winnaars van deze editie. Mijn record heeft stand gehouden. Een biertje nog, en dan is het weer mooi geweest. De trein komt me halen om me bij een ander station weer af te zetten.

Foto door Jan

God is een Twentenaar

Als God bestaat is hij een Twentenaar. Dat is niet alleen af te lezen aan de huidige stand in de eredivisie voetbal, maar ook aan de prachtige marathondag in Enschede op de eerste onofficiële zomerdag van 2010. Een heerlijke zonnetje en geen doden.

Voor LosseVeter schreef ik een verslagje van de Enschede Marathon, waarin ik me afvraag wat vijf-en-twintig graden celcius doet met de marathon. Had de Enschede marathon wel door mogen gaan? Lees hier verder!

Rotterdam 2010

Daar lig ik dan, starend naar het plafond en met mijn benen voor me uitgestrekt. Door mijn knieen te buigen schuift mijn bovenlichaam naar mijn voeten. Is dit het nou? Een krampachtige pijn in beide hamstrings lijkt het te bevestigen. Toch kijk ik nogmaals naar de plaatjes van de artikelen die dokter Moen me doorstuurde: de suspine bent knee bridge walk-out. Het ene artikel is een vergelijkend onderzoek van Sherry en Best uit Madison die topsporters met hamstringblessures op twee verschillende wijzen behandelden. Het bleek dat de PATS-groep (progressive agility and trunk exercises and icing) het veel beter deed dan de STST-groep (static stretching, isolated progressive hamstring resistance exercise and icing). Het andere artikel, geschreven door Heiderscheit, eveneens uit Madison, geeft een breder overzicht van de huidige inzichten in hamstring-revalidatie. Daarom doe ik nu dus ook de stupide oefeningen waar ik me altijd aan heb proberen te onttrekken, want voor de marathon train je door te lopen. Dacht ik. Tot vorige week die verdomde Cybex-test uitwees dat ik er echt mee aan de slag moet: in de eccentrische fase kan mijn linkerhamstring 21% minder kracht leveren dan rechts. Daar ligt dus het probleem…

Sinds de halve van Egmond, die dit jaar helaas werd afgelast, train ik onder begeleiding van een nieuwe trainer: Martin Breedijk. Niet dat mijn vorige trainer (Bram Wassenaar) niet goed genoeg was, maar meer omdat ik denk dat het bij je ontwikkeling als atleet geen kwaad kan verder te kijken of de bewandelde weg wel de weg is die het beste bij je past. Het zou immers zonde zijn er op het eind van je carriere pas achter te komen dat je op andere trainingen zoveel beter reageert en dat je spijt hebt nooit verder te hebben gekeken dan je neus lang is. Voor mezelf heb ik het idee dat omvang en trainingen rondom marathontempo mij echt sterk maken, en dat lijkt goed aan te sluiten bij de visie van Martin.

De eerste weken moest ik wennen aan de sleuteltrainingen die erg marathonspecifiek waren. Die duurlopen van zo’n 35km met daarin 10x2km marathontempo uitbouwend tot 5x5km marathontempo hakten er behoorlijk in. Ondertussen bleef ik last houden van mijn linker hamstring, die met name met hoge tempo’s en gladheid klachten gaf. En laat het nou de halve winter glad zijn geweest… Om een lang verhaal kort te maken zijn die hamstringklachten, waar ik achteraf al sinds de zomer van vorig jaar last van heb, langzaam verergerd en zijn ze de oorzaak geweest van een matig optreden bij de 30km van Schoorl en later voor het uitstappen bij de Venloop. In de tussentijd liep ik in Piacenza een zware halve marathon (1u11) waarbij de eindtijd weinig leek te zeggen.

Al met al heb ik de afgelopen maanden geen wedstrijden gelopen waar ik vertrouwen uit kan putten. Maar de trainingen daarentegen gaan erg goed. Zo goed zelfs dat ik er vrijwel zeker van ben dat ik mijn persoonlijk record (2u23) flink ga aanscherpen. Als tenminste… Nee, het h-woord ga ik niet noemen, want het is frustrerend dat je hele lichaam schreeuwt om de marathon, terwijl je h…

Deze week heb ik mijn 2500e kilometer van 2010 rennend afgelegd, maar vandaag heb ik eindelijk mijn 3e ‘echte’ rustdag (= een hele dag niet hardlopen) van het jaar. Vorige week was mijn 2e en die heb ik gebruikt om met mijn vriendin Rotterdam te verkennen met de watertaxi, wat bovenstaande foto opleverde. Taperen noemen ze dat: de laatste twee weken minder kilometers, terwijl de intensiteit van de trainingen ongeveer gelijk blijft. Twee weken geleden liep ik nog zo’n 220km in een week, vorige week 146km en deze week een magere 106km (dus zo’n 60km in de 6 dagen voor de marathon). Peanuts! Nee, geen peanuts, daar zit teveel vet in. De laatste dagen probeer ik op koolhydraten te leven, dus laat ik de pinda’s staan.

Zondagochtend loop ik dus die marathon, samen met Raymon van den Berg in de luwte achter de jongens die voor de limiet van de europese kampioenschappen gaan. Want de limiet van 2h17 lijkt me te hoog gegrepen. Eerst maar eens onder de 2h20 voor we over zulke tijden mogen gaan denken. Het lijkt erop dat de weersomstandigheden aardig zijn voor een goede tijd: niet teveel wind, geen regen en met 10 tot 14 graden tijdens de wedstrijd niet te warm.

De supine single-limb chair-bridge sla ik nog maar even over. Die lijkt me zo vlak voor de marathon te belastend. Ik hou mezelf nog even bezig met trunk stability, side bridge en mijn favoriete oefening single-leg stand with eyes closed. Die laatste oefening is vooral aan te raden met een lekker muziekje op de achtergrond.

(Foto: Marjolein Stegeman)

Via del Paradiso

Grinnikend kijken de oude boertjes me na als ik de tractor passeer waarmee ze de takken van gesnoeide druivenbomen wegvoeren. Zij weten natuurlijk waar ik nog achter zal komen: de Via del Paradiso loopt dood bij een boerderij waar drie hellehonden me blaffend staan op te wachten. Een brandende stapel druiventakken drijft dikke rookgolven over de weg. De gedachte aan Dante is niet te onderdrukken, hier in het dal bij Assisi, als bij de poorten van de hel:

Bedenk: wat Epicurus heeft geleerd,

Verdoemt ook wie hem volgden hier ter helle:

De leer dat na de dood geen ziel resteert

De dreigende honden en de stinkende rook kunnen me niet deren. Laat ze maar blaffen, laat de duivel zelf maar komen! Omdat ik er lol in heb blijf ik nog even staan voor wat rek-oefeningen. De meeste mensen zien na verloop van tijd hun eigen belachelijkheid wel in – en worden vervolgens meestal aggressief. Honden niet, die blijven maar blaffen, net als een enkele blonde fascistische politicus, omdat er een vreemdeling aan de rand van het erf staat. Mettertijd neemt langzaam het volume wat af en komt er een hese bijklank. Boventonen.

Alle lol verveelt, dus keer ik me om en passeer na enkele kilometers opnieuw de boertjes. Zonder op of om te kijken, want ik heb ook zo mijn trots. De zon is inmiddels doorgebroken, na een koude eerste week in Italie, waarin zelfs hagelbuien de boel probeerden te verpesten. Bijna was de trainingsstage net zo zwart geworden als de wereld die Céline schets in Voyage au bout de la nuit.

Notre vie est un voyage

Dans l’hiver et dans la Nuit

Nous cherchons notre passage

Dans le Ciel ou rien ne luit.

Het boek kreeg ik kado van mijn sponsor, omdat het bij zou dragen aan mijn ontwikkeling als marathonloper: als je dit boek leest, zei hij, zul je niet meer genieten van het leven. Je wilt jezelf opsluiten in een hol in een donker bos en alleen de buitenlucht opzoeken voor zware trainingen. Contact met mensen zul je vermijden. Verstoken van empathie zul je geen medelijden meer hebben met je tegenstanders op de marathon. Zo zal dit boek bijdragen aan de zege.

Terug over de Via del Paradiso dus, richting hotel Moderno nabij Assisi. Het klooster van de stad staat als een bunker halverwege de heuvel. Het is gebouwd op de plek waar de heilige Franciscus van Assisi is begraven: op de Colle del Inferno (heuvel van de hel), die zo genoemd was omdat het de plek was waar misdadigers werden opgehangen. Net als Christus wilde hij rusten tussen de verdoemden. De heuvel is na zijn dood overigens omgedoopt tot Colle del Paradiso, en is nu een bedevaartsplek voor monniken uit heel de wereld.

Foto’s: Marjolein Stegeman

Canto Ostinato

Nog even gloeit de lont van de kaars op mijn nachtkastje na. Het licht dat de kern van een vlam vormde is nu in zichzelf gekeerd, als een man op zijn sterfbed, bezeten door lijden. Het gloeiende stukje krimpt ineen en laat, naast de duisternis van de avond, alleen een dode walm achter. Buiten loeit de storm langs de wand van de flat, een kabaal dat stilte heet. Als ik mijn ogen sluit hoor ik weer de melodie die vanmiddag bezit van me heeft genomen: Canto Ostinato.

Toen ik mijn vriendin ‘s avonds probeerde te overtuigen van de grootsheid van de compositie greep ik naar het hoogste van het hoogste: olympisch goud. ‘Het is grootser dan de gouden medaille bij de Olympische Spelen,’ zei ik, ‘want die wordt iedere vier jaar opnieuw vergeven, maar Canto Ostinato is eenmalig.’ Een eenmalige gift van de Nederlandse componist Simeon ten Holt, die de wereld veranderde.

Het Canto is ‘moderne klassiek’, een afschrikwekkende beschrijving, want klassiek is stoffig en modern klassiek is in het begrip van de meeste mensen een muzikaal gedicht zonder rijm: alleen voor kenners. Maar Canto Ostinato is anders. Het lied grijpt je en laat je niet meer los. Hypnotiserende repetitie en een subtiel wijzigend thema. Als je op bed ligt na de kennismaking weerklinken de heldere tonen van de piano in de stilte, alsof je verliefd op ze bent geworden.

Ik ben marathonloper geworden en geen musicoloog en ga me dus ook niet wagen aan een beschrijving van de Canto. Maar wel over de associatie met het hardlopen, die niet ver gezocht is. De marathon: een ritmisch repeterende beweging, die op het eerste gezicht monotoon lijkt. Maar de weg kronkelt, er wordt iemand ingehaald, de zon stijgt naar haar hoogste punt en de loper wordt dorstig. Een pijn in de leverstreek komt opzetten en kan alleen worden onderdrukt bij de gedachte aan ijs. De finish nadert terwijl de loper op zijn plek blijft, onder de hete zon. Het hart bonst in de borst en dreigt te ontploffen. Maar de pasfrequentie moet hetzelfde blijven, wat er ook gebeurt.

Zoiets is Canto Ostinato, het veelkoppige lied, waar ik nu weer naar ga luisteren en waarbij ik me verbeeld hoe de kilometerbordjes voorbij trekken. Nieuw in 2010: auditieve training.