Unknown's avatar

About Thijs Feuth

1981 Nijmegen, The Netherlands. Author of Kafka is dood (2022), Zwarte Ogen (2015) and Achter de rug van God (2017). Medical specialist in Lung Disease. Runner.

Zwarte stemmen

Een onderzoek gepubliceerd door Fireside Fiction en besproken in The Guardian bevestigt wat we eigenlijk al lang weten: de zwarte stem is in de literatuur ernstig ondervertegenwoordigd. Onderzoeker Ethan Robinson telde hoeveel verhalen in (voornamelijk Amerikaanse) literaire tijdschriften geschreven zijn door donkere auteurs. Dat waren 38 van de 2039 verhalen (1,9%) gepubliceerd in 63 tijdschriften – omwille van de leesbaarheid van dit stuk ga ik die verder de ‘zwarte verhalen’ noemen. Statistici berekenden dat de kans nagenoeg nul is dat dit lage percentage op toeval berust indien het percentage aangeboden zwarte manuscripten evenredig zou zijn aan donkere proportie van de bevolking (13,2%). Zelfs indien het percentage gepubliceerde zwarte verhalen gelijk zou zijn aan het percentage aangeboden zwarte manuscripten, zijn de verschillen tussen tijdschriften alsnog opvallend groot. Dat zou erop wijzen dat bepaalde tijdschriften meer of minder geneigd zijn donkere schijvers te publiceren.

Is dat wel zo?

Als wetenschapper dien ik eerst de studie kritisch door te lezen. Helaas wordt er niet serieus naar een andere verklaring dan racisme gezocht. Daarnaast wordt in het artikel veel nadruk gelegd op het aantal nullen achter de komma wat betreft de kans dat de gevonden verschillen op toeval berusten. Die nullen mogen voor de leek misschien indrukwekkend zijn, maar in feite betekenen ze slechts dat het verschil tussen 1,9% zwarte verhalen en 13,2% zwarte bevolking niet op toeval berust. Veel belangrijker zou het zijn om te benadrukken dat een zwarte inwoner in de Verenigde Staten een zeven maal kleinere kans heeft een verhaal te publiceren in een literair tijdschrift dan een niet-zwarte inwoner. Dat is een enorm verschil.

De verschillen tussen tijdschriften onderling zijn  lastig te interpreteren, door het lage percentage zwarte verhalen en relatief weinig verhalen per tijdschrift die de statistiek bemoeilijken. De rethoriek doet het onderzoek ook al geen recht, zo wordt een aangepaste vraagstelling voor de statistiek bijvoorbeeld toegelicht met ‘which is the most charitable to whiteness as possible‘, waarmee impliciet inhoudelijke kritiek wordt afgedaan als een vorm van whiteness. Het grootste gebrek van de studie is echter de tunnelvisie met betrekking tot de interpretatie van de getallen. De conclusie dat de literatuur racistisch is, wordt onvoldoende ondersteund.

Hebben we een probleem?

De beperkingen van deze studie leiden zo helaas af van het belang van de eenduidige bevinding dat zwarte of donkere schrijvers sterk ondervertegenwoordigd zijn. Dat toont de studie namelijk wel overtuigend aan. Hoe komt het, is het kwalijk en valt er iets aan te doen? – dat zijn  de vragen waar ik me met de beperkingen van een blanke mannelijke middenklasse schrijver wil wagen.

Natuurlijk zou hardcore racisme door een blanke elite die koste wat het kost de literaire macht aan zichzelf wil houden een verklaring kunnen zijn, maar zo iets is moeilijk om aan te tonen en zou daarom een uitsluitingsdiagnose moeten zijn: eerst moeten we zoeken naar andere verklaringen en die bevestigen of ontkrachten, voordat we stellen dat het ‘dus’ om racisme gaat. Zware beschuldigingen lokken immers defensieve reacties uit, nuancering draagt bij aan de welwillendheid om problemen te herkennen en aan te pakken.

Sex appeal en conservatisme

Als onlangs gedebuteerd schrijver ken ik de weg van de schrijftafel naar de lezer . De schrijver biedt manuscript aan bij de uitgever, en als die het boek maar sexy genoeg vindt geeft hij het uit. Als een boek wordt uitgegeven, is het echter nog niet bij de lezer. De boekenwinkelier kijkt misschien nog wel meer dan de uitgever met een marktoog naar het product, waar welliswaar geen houdbaarheidsdatum op staat maar dat vooral niet te lang op de schappen mag staan te wachten op zijn klant. Ook moet het boek zo sexy zijn dat het de recensenten zich laten verleiden en op hun beurt kunnen de sex appeal van het boek kunnen vermeerderen. Als het boek maar sexy genoeg is en zowel bij uitgever, winkelier, recensent als klant in de smaak valt, breidt de roem van het boek zich uit en bestaat er de kans dat het boek gekocht en gelezen wordt. Er zijn dus nogal wat schakels waar het, door racisme of door andere factoren, mis kan gaan.

In een tijd van moordende literaire concurrentie over de gehele keten is voor de sex appeal van een boek het commerciële aspect steeds belangrijker geworden. De uitgever en winkelier zullen niet alleen literaire of maatschappelijke waarde van het boek laten wegen, maar ook de vraag hoeveel drukken het boek gaat opleveren.

Aangezien recensenten ook maar mensen zijn, kan het zo zijn dat zij moeite hebben boeken buiten hun eigen referentiekader op waarde te schatten. Helaas is het recensenvak al even blank, mannelijk, hoogopgeleid en hoofdstads als het schrijversvak en uitgeversvak, wat de diversiteit van literatuurland vanzelfsprekend niet ten goede komt. Kortom, benauwde percepties over wat een goed boek is en commerciële overwegingen kunnen bijdragen aan een enigszins conservatief speelveld. Dat een groot aandeel van de huidige Nederlandse literatuur zich afspeelt in Amsterdam, en dat daarin vaak hoogopgeleide middenklasse blanke karakters een hoofdrol spelen, is daar een symptoom van.

Cultuur

Ook kunnen culturele verschillen bijdragen aan het feit dat het aandeel donkere schrijvers klein is. In de muziekindustrie is de relatieve oververtegenwoordiging van zwarte muzikanten in o.a. rap-, blues- en jazzscene overduidelijk gerelateerd aan culturele verschillen. Zou het zo kunnen zijn dat donkere bevolkingsgroepen zich meer toeleggen op expressievere vormen van kunst?

Opvallend is dat zowel binnen Nederland als internationaal schrijvers met een Arabische achtergrond een steeds belangrijkere literaire rol vervullen, terwijl de ‘zwarte’ inbreng achterblijft. Of het aandeel van de Arabische inbreng gelijke tred houdt met de migratie (met te verwachten vertraging van enige decennia vanwege de taalbarrière) weet ik niet, maar ik denk dat we ons geen ernstige zorgen hoeven te maken om Arabische participatie in de Nederlandse literatuur.

Uit het korset

Of de ondervertegenwoordiging van zwarte schrijvers nu met hardcore racisme te maken heeft of niet, het lijkt me van evident belang dat de literatuur baat zouden hebben bij participatie van alle bevolkingsgroepen, inclusief vrouwen en etnische minderheden. Iedere bevolkingsgroep heeft zijn eigen verhalen met eigen context. Fictie is er omwille van de literaire transcedentie, om via het woord uit de eigen belevingswereld te treden. In verhalen vereenzelvigen we ons met fictieve karakters, bewegen we ons in een wereld waarin andere wetten heersen. Zo oefenen we ons in het inleven en in het aanpassen aan een veranderende wereld. Vandaag de dag weet men zich ontzettend goed in te leven in zichzelf en in de eigen bevlokingsgroep. Het inleven in de ander zou best wel eens het medicijn voor onze tijdgeest kunnen zijn.

Als het commerciële argument doorslaggevend blijft in publicatie en beoordeling van boeken, zal de scoop van onze boekenplank zich steeds meer vernauwen, want de markt heeft nu eenmaal de neiging de goede wil te onderdrukken. Daar moeten we dus van af. We hebben voortrekkers nodig, donkere schrijvers die hun manuscripten insturen, uitgevers die hun nek durven uit te steken en maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen, of nee: uitbreiden, we hebben recensenten nodig die hun grenzen kunnen en durven te verkennen, winkeliers die nieuwe klantengroepen willen werven in plaats van hun oude klantengroep vasthouden, tijdschriften en literaire happenings die meer gaan inzetten op de maatschappelijke rol die de literatuur zou kunnen spelen. Ook welverkopende auteurs zouden solitair moeten zijn en geen percentages van de opbrengst eisen die leiden tot commerciële druk die de literatuur in zijn nauwe korset dwingt.

Wat u, als lezer kunt doen, is duidelijk. Lees Toni Morrison, lees Astrid Roemer, lees boeken die uw blikveld verwijden.

Lichtgevende nachtwolken

Vergeet het noorderlicht. In de zomer hebben we ‘s nachts een ander fenomeen dat vanuit de hoogste lagen van de atmosfeer licht over ons uitstrooit: de lichtgevende nachtwolken (noctilucent clouds). De wolken, die zich op zo’n 80 kilometer hoogte bevinden, in de mesosfeer, bestaan uit ijskristallen. Ze zijn vooral in het Noorden te zien, soms ook in Nederland. Lichtgevende nachtwolkden komen vooral in de poolstreek voor. Overdag zie je ze niet, omdat ze erg dun zijn. Maar in de nacht vangen ze nog zonlicht terwijl het beneden donker is. Dat is mogelijk als de zon zich tussen 6 en 16 graden onder de horizon bevindt.

Het fenomeen van de lichtgevend nachtwolken is zeldzaam en onvoorspelbaar, maar deze zomer, twintig zestien, zijn ze redelijk vaak waargenomen. De afgelopen dagen was het zo helder dat ze goed te zien waren en ook echt licht gaven. Vannacht heb ik ze vastgelegd op de gevoelige plaat, maar vanwege de plek (stad) en het feit dat het in juli ‘s nachts nog niet bijster donker wordt in Finland, heeft het nog geen wonderplaten opgeleverd. Wie weet volgen later deze zomer nog mooiere beelden, maar hierbij een impressie van de afgelopen nacht.

Noctilucent cloud above Turku
Noctilucent cloud above Turku

Op de volgende foto is een ribbelstructuur te zien. Dit is de meest typische vorm van de lichtgevende nachtwolken. Tevens te zien zijn dunne normale wolken, die zich donker tegen de hemel aftekenen, zich veel lager bevinden en ‘s nachts dus geen zonlicht vangen. Die lagere wolken kunnen wel oplichten in de schemering, als de zon net onder is.

Lichtgevende nachtwolken.
Lichtgevende nachtwolken.

Behalve de lichtgevende nachtwolken was het vannacht ook volle maan. Hier staat ze boven de oude Katarinakerk van Turku.

Volle maan boven Katarinakerk, Turku
Volle maan boven Katarinakerk, Turku

De Kemirivier

De rivier stroomt en kolkt met donkere golven, onrustig, alsof ze veel sneller gaat dan ze eigenlijk zou willen. Sinds ze open brak, een goede week geleden, draagt ze ijsbrokken mee, platen en schotsen, afscheidskusjes van de winter. Stroomafwaarts worden ze opgelikt door de zon, die dagelijks aan kracht wint en van de vroege ochtend tot laat in de avond aan de hemel staat.

Naarmate de rivier tot wasdom komt, wordt ze wilder, en daarin verschilt ze van de mens, die trager wordt, rigide, zijn hart verzwakkend. Ik sta aan de oever en tel haar golven. Ik zou me met haar willen verenigen, me in haar baden en misschien laten meesleuren met haar driften, met haar woelen en worstelen, mijn noodkreet ongehoord, in haar woede gesmoord, ik zou mijn buik op een ijsplaat drukken en de zon op mijn rug voelen schroeien.

Pilkintä
Pilkintä op de Kemirivier

Alles is in beweging, niet alleen het water, maar ook het bos en de luchten, nadat alles zo lang heeft stilgestaan, gestold, in ijs of in ijzer gegoten. Nu mengt het luidruchtig gewoel van de rivier zich met het geraas van een vrachtwagen over de oude stalen brug, verlicht door het geschreeuw van meeuwen, sternen en uit de berken het getjilp van vogels, die ondanks alles zijn teruggekeerd. De berken zijn nog kaal, maar het bos kleurt groen van de pijnbomen, die in de winter zwart waren, met wit aangekleed. Het is nauwelijks voor te stellen dat je een week of twee geleden nog veilig over het ijs kon gaan. De vissers boorden hun gaten en hesen om de haverklap met hun korte pilkki-hengel vissen uit de diepte.

Zo wordt haar lichaam gevormd en gekneed door de tijd, het jaar en zijn seizoenen, net als ik, bemerk ik als ik bij thuiskomst in de spiegel zie dat de golven van de rivier zich in mijn voorhoofd aftekenen. Iedere keer als de rivier open breekt zullen zich nieuwe rimpels vormen en zullen de oude dieper worden. Ooit zal ik door de stroom worden meegesleurd, oplossen in het niets, en dat is een gedachte die me hoopvol stemt.

Dokters huilen niet

Vandaag stond haar naam niet meer op de lijst. Natuurlijk was er de mogelijkheid dat ze was overgeplaatst naar Helsinki, waar ze af en toe naartoe werd gereden – een reis van twaalf uur – maar het lag nu eenmaal in de lijn der verwachtingen dat ze een dezer dagen er niet meer zou zijn.

In de kamer van de verpleegkundigen werd ik bijgepraat. Op mijn vrije dag was het snel bergafwaarts gegaan en op het eind van de middag was ze overleden.

Zij – een meisje van nog geen twintig dat me telkens aan mijn jongste zusje deed denken. Zij, een meisje dat altijd ziek was geweest, twee longtransplantaties achter de rug had en de afgelopen maanden bijna continu in het ziekenhuis had gelegen. Zij, die niet over de dood wilde denken of praten en altijd ihan hyvä, prima, antwoordde als ik vroeg hoe ze het maakte. Maar ze had wel pijn en ze wist dat het einde in zicht was.

En wij, dokters en verpleegkundigen, wij waren machteloos. Wij deden alles om haar leven zo lang mogelijk te rekken. Zelfs in de laatste dagen, toen we er bijna zeker van waren dat ze deze infectie niet meer zou overleven, we bleven haar volstoppen met medicijnen, niet alleen middelen die het leed moesten verlichten maar ook met antibiotica en middelen die de afgestoten long nog zoveel mogelijk moest beschermen. We brachten haar zelfs nog naar de intensive care om onder narcose haar longen schoon te kunnen spoelen, terwijl we vermoedden dat het allemaal niets meer uit zou halen.

Toen ze in slaap werd gebracht zag ik de angst in haar ogen en toen wist ik dat zij besefte dat het hoogstwaarschijnlijk het laatste wakkere moment van haar leven was.

Waarschijnlijk… Het was de onzekerheid die ons dreef, dat verschrikkelijke hellend vlak van hoop naar wanhoop. We zetten in op die paar procent kans dat ze nog een week of hooguit twee zou leven, weken die ze waarschijnlijk toch niet thuis zou hebben kunnen doorbrengen. Nu zie ik pas in hoe onzinnig dat was. Dat is achteraf, maar op dat moment, toen ze in ademnood op bed zat, leek het de enige optie om nog eens alles uit de kast te halen. Zij was nog zo jong, en jonge mensen sterven niet.

Zij dacht er waarschijnlijk anders over, dat realiseerde ik me toen ik die laatste wakkere blik van haar zag. Ze was niet meer bang voor de dood, maar wel voor de machines die haar leven moesten rekken. Toen ik die avond naar huis ging liet het me niet los. Ik had geen energie om te gaan joggen, niet eens om een boek te lezen en in plaats daarvan keek ik een film op televisie.

Manolete, een Spaanse matador, is verslaafd aan zijn angst voor de dood en als Lupe Sino, zijn geliefde, niet bij een stierengevecht is wil hij sterven… Laat het nu juist Penélopez Cruz zijn die Lupe Sino speelt. Schaamteloos heb ik gehuild. Om de film natuurlijk, niet om mijn jonge patiënte, want dokters huilen niet.

Vanochtend, toen ik na de ronde over de afdeling alleen in mijn werkkamer zat, pinkte ik weer een traantje weg, alleen was er nu geen Penélopez Cruz die me een excuus verleende. Ik ging naar het hoofd van de afdeling met het idee om een bijeenkomst met de verpleegkundigen te regelen, want die moeten het er zwaar mee hebben gehad. Ze keek een beetje vreemd op van mijn voorstel. Maak je daar maar niet druk om, zei ze, daar hebben we een protocol voor. Ik droop af maar liep nog wel even langs de verpleegkundigen, en ja, om drie uur ’s middags zou er een bijeenkomst zijn waarbij ook een psycholoog aanwezig zou zijn.

Daar heb ik natuurlijk niets te zoeken, dacht ik bij mezelf, maar besloot toch mee te gaan, en daar zaten we dan, ook ik. ‘Eigenlijk huil ik nooit,’ probeerde ik nog.

De wreedheid van april

April is the cruellest month, breeding

Lilacs out of the dead land, mixing

Memory and desire, stirring

Dull roots with spring rain.

From: The Waste Land, T.S.Eliot

Bij Rovaniemi is het ijs op de Kemirivier nog dik genoeg om overheen te lopen, maar de zomer staat voor de deur. In de stad en op de zuidelijke hellingen van de heuvels is de sneeuw grotendeels verdwenen. De dagen lengen rap, over zeven weken zal de zon beginnen aan haar toer van dertig rondjes aaneen boven de horizon.

Een week of twee geleden hoorde ik een klank die deed denken aan koperen kerkklokken en zilveren trompetten. Onmiskenbaar: de zangzwaan was terug. En er zijn meer vogels, je hoort ze overal sjilpen en kwetteren. Kort geleden was de specht nog de enige vogel die ik hoorde als ik ’s ochtends naar mijn werk liep. Aan de straat langs de rivier hakten ze in op de zinken kappen van de straatlantaarns, de speelse percussie wekte de serene witheid tot leven. De spechten zaten in vier of vijf straatlantaarns en hielden zich stil tot je onder ze doorliep. Ochtend na ochtend klonk hetzelfde galmende spel, ze moesten zich kosteloos hebben vermaakt om de mensen die onder hen voorbij kwamen en verwonderd opkeken.

De wegen en paden die tot voor kort nog als gefreesde groeven door het landschap liepen, zijn inmiddels vrij van sneeuw. Op verschillende plekken in het land hebben ze te maken met overstromingen, een krachtige lenteschoonmaak. De beren zijn al ontwaakt en de mens lacht, meer dan anders.  Maar de bloesem, de bloemen en het groen laten nog even op zich wachten. Iedere dag ziet er anders uit, alles is onderhevig aan verandering. Waar de winter eindeloos duurt, is de lente vluchtig. Daarin schuilt zowel wel de schoonheid als de wreedheid  van april.

Moon and melted river at Vanttauskoski