Unknown's avatar

About Thijs Feuth

1981 Nijmegen, The Netherlands. Author of Kafka is dood (2022), Zwarte Ogen (2015) and Achter de rug van God (2017). Medical specialist in Lung Disease. Runner.

Lichtgevende nachtwolken

Vergeet het noorderlicht. In de zomer hebben we ‘s nachts een ander fenomeen dat vanuit de hoogste lagen van de atmosfeer licht over ons uitstrooit: de lichtgevende nachtwolken (noctilucent clouds). De wolken, die zich op zo’n 80 kilometer hoogte bevinden, in de mesosfeer, bestaan uit ijskristallen. Ze zijn vooral in het Noorden te zien, soms ook in Nederland. Lichtgevende nachtwolkden komen vooral in de poolstreek voor. Overdag zie je ze niet, omdat ze erg dun zijn. Maar in de nacht vangen ze nog zonlicht terwijl het beneden donker is. Dat is mogelijk als de zon zich tussen 6 en 16 graden onder de horizon bevindt.

Het fenomeen van de lichtgevend nachtwolken is zeldzaam en onvoorspelbaar, maar deze zomer, twintig zestien, zijn ze redelijk vaak waargenomen. De afgelopen dagen was het zo helder dat ze goed te zien waren en ook echt licht gaven. Vannacht heb ik ze vastgelegd op de gevoelige plaat, maar vanwege de plek (stad) en het feit dat het in juli ‘s nachts nog niet bijster donker wordt in Finland, heeft het nog geen wonderplaten opgeleverd. Wie weet volgen later deze zomer nog mooiere beelden, maar hierbij een impressie van de afgelopen nacht.

Noctilucent cloud above Turku
Noctilucent cloud above Turku

Op de volgende foto is een ribbelstructuur te zien. Dit is de meest typische vorm van de lichtgevende nachtwolken. Tevens te zien zijn dunne normale wolken, die zich donker tegen de hemel aftekenen, zich veel lager bevinden en ‘s nachts dus geen zonlicht vangen. Die lagere wolken kunnen wel oplichten in de schemering, als de zon net onder is.

Lichtgevende nachtwolken.
Lichtgevende nachtwolken.

Behalve de lichtgevende nachtwolken was het vannacht ook volle maan. Hier staat ze boven de oude Katarinakerk van Turku.

Volle maan boven Katarinakerk, Turku
Volle maan boven Katarinakerk, Turku

De Kemirivier

De rivier stroomt en kolkt met donkere golven, onrustig, alsof ze veel sneller gaat dan ze eigenlijk zou willen. Sinds ze open brak, een goede week geleden, draagt ze ijsbrokken mee, platen en schotsen, afscheidskusjes van de winter. Stroomafwaarts worden ze opgelikt door de zon, die dagelijks aan kracht wint en van de vroege ochtend tot laat in de avond aan de hemel staat.

Naarmate de rivier tot wasdom komt, wordt ze wilder, en daarin verschilt ze van de mens, die trager wordt, rigide, zijn hart verzwakkend. Ik sta aan de oever en tel haar golven. Ik zou me met haar willen verenigen, me in haar baden en misschien laten meesleuren met haar driften, met haar woelen en worstelen, mijn noodkreet ongehoord, in haar woede gesmoord, ik zou mijn buik op een ijsplaat drukken en de zon op mijn rug voelen schroeien.

Pilkintä
Pilkintä op de Kemirivier

Alles is in beweging, niet alleen het water, maar ook het bos en de luchten, nadat alles zo lang heeft stilgestaan, gestold, in ijs of in ijzer gegoten. Nu mengt het luidruchtig gewoel van de rivier zich met het geraas van een vrachtwagen over de oude stalen brug, verlicht door het geschreeuw van meeuwen, sternen en uit de berken het getjilp van vogels, die ondanks alles zijn teruggekeerd. De berken zijn nog kaal, maar het bos kleurt groen van de pijnbomen, die in de winter zwart waren, met wit aangekleed. Het is nauwelijks voor te stellen dat je een week of twee geleden nog veilig over het ijs kon gaan. De vissers boorden hun gaten en hesen om de haverklap met hun korte pilkki-hengel vissen uit de diepte.

Zo wordt haar lichaam gevormd en gekneed door de tijd, het jaar en zijn seizoenen, net als ik, bemerk ik als ik bij thuiskomst in de spiegel zie dat de golven van de rivier zich in mijn voorhoofd aftekenen. Iedere keer als de rivier open breekt zullen zich nieuwe rimpels vormen en zullen de oude dieper worden. Ooit zal ik door de stroom worden meegesleurd, oplossen in het niets, en dat is een gedachte die me hoopvol stemt.

Dokters huilen niet

Vandaag stond haar naam niet meer op de lijst. Natuurlijk was er de mogelijkheid dat ze was overgeplaatst naar Helsinki, waar ze af en toe naartoe werd gereden – een reis van twaalf uur – maar het lag nu eenmaal in de lijn der verwachtingen dat ze een dezer dagen er niet meer zou zijn.

In de kamer van de verpleegkundigen werd ik bijgepraat. Op mijn vrije dag was het snel bergafwaarts gegaan en op het eind van de middag was ze overleden.

Zij – een meisje van nog geen twintig dat me telkens aan mijn jongste zusje deed denken. Zij, een meisje dat altijd ziek was geweest, twee longtransplantaties achter de rug had en de afgelopen maanden bijna continu in het ziekenhuis had gelegen. Zij, die niet over de dood wilde denken of praten en altijd ihan hyvä, prima, antwoordde als ik vroeg hoe ze het maakte. Maar ze had wel pijn en ze wist dat het einde in zicht was.

En wij, dokters en verpleegkundigen, wij waren machteloos. Wij deden alles om haar leven zo lang mogelijk te rekken. Zelfs in de laatste dagen, toen we er bijna zeker van waren dat ze deze infectie niet meer zou overleven, we bleven haar volstoppen met medicijnen, niet alleen middelen die het leed moesten verlichten maar ook met antibiotica en middelen die de afgestoten long nog zoveel mogelijk moest beschermen. We brachten haar zelfs nog naar de intensive care om onder narcose haar longen schoon te kunnen spoelen, terwijl we vermoedden dat het allemaal niets meer uit zou halen.

Toen ze in slaap werd gebracht zag ik de angst in haar ogen en toen wist ik dat zij besefte dat het hoogstwaarschijnlijk het laatste wakkere moment van haar leven was.

Waarschijnlijk… Het was de onzekerheid die ons dreef, dat verschrikkelijke hellend vlak van hoop naar wanhoop. We zetten in op die paar procent kans dat ze nog een week of hooguit twee zou leven, weken die ze waarschijnlijk toch niet thuis zou hebben kunnen doorbrengen. Nu zie ik pas in hoe onzinnig dat was. Dat is achteraf, maar op dat moment, toen ze in ademnood op bed zat, leek het de enige optie om nog eens alles uit de kast te halen. Zij was nog zo jong, en jonge mensen sterven niet.

Zij dacht er waarschijnlijk anders over, dat realiseerde ik me toen ik die laatste wakkere blik van haar zag. Ze was niet meer bang voor de dood, maar wel voor de machines die haar leven moesten rekken. Toen ik die avond naar huis ging liet het me niet los. Ik had geen energie om te gaan joggen, niet eens om een boek te lezen en in plaats daarvan keek ik een film op televisie.

Manolete, een Spaanse matador, is verslaafd aan zijn angst voor de dood en als Lupe Sino, zijn geliefde, niet bij een stierengevecht is wil hij sterven… Laat het nu juist Penélopez Cruz zijn die Lupe Sino speelt. Schaamteloos heb ik gehuild. Om de film natuurlijk, niet om mijn jonge patiënte, want dokters huilen niet.

Vanochtend, toen ik na de ronde over de afdeling alleen in mijn werkkamer zat, pinkte ik weer een traantje weg, alleen was er nu geen Penélopez Cruz die me een excuus verleende. Ik ging naar het hoofd van de afdeling met het idee om een bijeenkomst met de verpleegkundigen te regelen, want die moeten het er zwaar mee hebben gehad. Ze keek een beetje vreemd op van mijn voorstel. Maak je daar maar niet druk om, zei ze, daar hebben we een protocol voor. Ik droop af maar liep nog wel even langs de verpleegkundigen, en ja, om drie uur ’s middags zou er een bijeenkomst zijn waarbij ook een psycholoog aanwezig zou zijn.

Daar heb ik natuurlijk niets te zoeken, dacht ik bij mezelf, maar besloot toch mee te gaan, en daar zaten we dan, ook ik. ‘Eigenlijk huil ik nooit,’ probeerde ik nog.

De wreedheid van april

April is the cruellest month, breeding

Lilacs out of the dead land, mixing

Memory and desire, stirring

Dull roots with spring rain.

From: The Waste Land, T.S.Eliot

Bij Rovaniemi is het ijs op de Kemirivier nog dik genoeg om overheen te lopen, maar de zomer staat voor de deur. In de stad en op de zuidelijke hellingen van de heuvels is de sneeuw grotendeels verdwenen. De dagen lengen rap, over zeven weken zal de zon beginnen aan haar toer van dertig rondjes aaneen boven de horizon.

Een week of twee geleden hoorde ik een klank die deed denken aan koperen kerkklokken en zilveren trompetten. Onmiskenbaar: de zangzwaan was terug. En er zijn meer vogels, je hoort ze overal sjilpen en kwetteren. Kort geleden was de specht nog de enige vogel die ik hoorde als ik ’s ochtends naar mijn werk liep. Aan de straat langs de rivier hakten ze in op de zinken kappen van de straatlantaarns, de speelse percussie wekte de serene witheid tot leven. De spechten zaten in vier of vijf straatlantaarns en hielden zich stil tot je onder ze doorliep. Ochtend na ochtend klonk hetzelfde galmende spel, ze moesten zich kosteloos hebben vermaakt om de mensen die onder hen voorbij kwamen en verwonderd opkeken.

De wegen en paden die tot voor kort nog als gefreesde groeven door het landschap liepen, zijn inmiddels vrij van sneeuw. Op verschillende plekken in het land hebben ze te maken met overstromingen, een krachtige lenteschoonmaak. De beren zijn al ontwaakt en de mens lacht, meer dan anders.  Maar de bloesem, de bloemen en het groen laten nog even op zich wachten. Iedere dag ziet er anders uit, alles is onderhevig aan verandering. Waar de winter eindeloos duurt, is de lente vluchtig. Daarin schuilt zowel wel de schoonheid als de wreedheid  van april.

Moon and melted river at Vanttauskoski