Strijd (4): Bergen

Strijd 4: Bergen

Laat ik hem Raymon noemen. Door het weglaten van de achternaam spreken we niet alleen ‘onder ons’, maar in dit speciale geval levert het voordeel op in de strijd. De atleet over wie ik spreek was gedurende de eerste 32 kilometer van mijn debuutmarathon mijn directe tegenstander, en heeft de naam in zijn voordeel: Van den Berg. Zelfs de Perzen schrijven in hun Wetboek van Meden en Perzen al: Van den Berg heeft men voordeel in de strijd.

Van jongs af aan had ik al wat met bergen. Zelf zijn we nooit met vakantie weg geweest: de hond, de geiten , kippen, ganzen, katten en mijn goudvis konden ons immers niet wekenlang missen. Bovendien hadden we genoeg bewegingsvrijheid op het erf aan de rand van Nijmegen, en in het huis wat inmiddels ten gronde is gegaan aan de bouwlust van een gemeenteambtenaar. Bij ons was het altijd vakantie. Toch was ik altijd benieuwd naar de foto’s van schoolvriendjes die wel met vakantie waren geweest, gebiologeerd zocht ik naar plaatjes met witte bergtoppen op de achtergrond, waarbij ik werkelijk weg kon dromen.

In de eerste klas van de middelbare school was ik kortstondig verliefd op een meisje dat Sanne van den Berg heette. Verliefd was ik op haar naam en op een foto die ik van haar kreeg waarop ze dwars op een fauteuil lag met een boek op haar schoot. Toen ik net ging hardlopen en al snel bij de selectie atleten van Phanos onder Gerard van Lent terechtkwam vond ik al gauw een role-model: Gert van Bergen. Onder zijn aanmoedigingen won ik mijn eerste wedstrijd, in Wales, waarin heuvels als bergen deel uitmaakten van het parcours. Toen ik mijn eerste marathon ging lopen vroeg ik hem nog om advies, want Van Bergen was marathonloper pur sang.

Die eerste marathon was in Enschede, aan de startlijn maakte ik kennis met Raymon van den Berg, een atleet tegen wie ik opkeek (als een berg). Die dag overwon ik mijzelf, want ik versloeg Van den Berg omdat ik hem tutoyeerde. Zaratustra daalde van zijn berg en bevond zich daardoor op gelijke hoogte met ‘het gepeupel’ met het bericht dat God dood was. Als ik Nietzsche herschrijf maak ik gebruik van de oorlogsstrategie van de Perzen en versla Zaratustra in een gevecht van man tot man. Inderdaad, God is dood, maar jij ook, want jij bent mijn gelijke en dus sterfelijk.

Inmiddels had ik als jong-volwassene al gereisd, kennis gemaakt met de bergen van de Pyreneeën, de Alpen, de Himalaya en Noorwegen. Wat ik daar leerde was om het bestaan van de helling simpelweg te ontkennen. Kijk nooit naar boven, maar naar beneden, naar je voeten. Zie de meters die je pakt. Zo rende ik naar boven van Pokhara naar het topje van Sarangkot, om de zonsopgang te zien. Zo rende ik twee weken geleden langs de kust in Cornwall en zo ren ik vandaag tegen Raymon in Bad Dürrheim, de plek waar de strijdlust wordt toegediend, opgelost in de sportdrank (pepti-plus versus pepto-pro) en tijdens de maaltijden tussen de trainingen door. Officieel zijn we nu geen tegenstanders maar trainingsmaatjes, toch houden we elkaar nauwlettend in de gaten: dit biertje laat ik maar even staan, ik loop wat extra kilometers in de vroege morgen en de laatste heuvel van de duurloop zet ik nog even extra aan, want die blijft het langst hangen.

Raymon zal vannacht wakker worden met nachtmerries over de laatste kilometers van Berlijn, want daar lopen we samen. Als maatjes of als tegenstanders? Hoe dan ook, de strijd is losgebarsten.