(3) Duitse Strijdvaardigheid

Kondigden de weermannen aan het begin van de week een nieuwe winterse depressie aan, twijfel ik achteraf of het niet mijn horoscoop betrof. Oh, de week leek zo goed te beginnen, maar mijn lichaam blijkt niet meer gewend aan de forse hoeveelheden koffie die ik tijdens werktijd pleeg te drinken. Dat realiseer ik me woensdagnacht toen ik opnieuw slecht de slaap kon vatten. Of komt het doordat Marti ten Kate mij die avond op heterdaad betrapt op doordeweeks cafébezoek?

Het bijhouden van een logboek is als een spiegel. Op momenten dat het lopen goed gaat is wat ik opschrijf is een bevestiging van mijn kunnen. Maar deze week is alles even anders. Ik heb een algehele motivatiedip, het leven bestaat deze week uit werken, trainen, eten, slapen (en wakker liggen). Op donderdag ben ik zo moe dat ik besluit een rustige duurloop te doen in plaats van een extensieve tempoduurloop. Halverwege, meer dan 10km van huis, krijg ik pijn aan mijn rechter knieschijf. Met behoorlijk verontrustende pijn loop ik naar huis en de volgende ochtend breek ik noodgedwongen mijn duurloopje na 2 minuten af omdat ik door de pijn niet kan lopen: een extra ingelaste rustdag.

Maar wat een afgang! De overmoedige atleet pakt na een blessure al te enthousiast de trainingen op en raakt na drie weken opnieuw geblesseerd – hoezo gebrek aan inzicht in eigen grenzen!?! Zaterdag ga ik met matige pijn toch lopen volgens mijn oude filosofie dat pijn vaak deels tussen de oren zit. Die avond volgt zelfs een stevige tempoduurloop waarbij de lichte pijn na drie kwartier verdwijnt, juist bij het opvoeren van de intensiteit, om ook niet meer terug te komen.

Zo kan ik deze baalweek afsluiten met een positief gevoel, want ik heb mijn lichaam overwonnen. De symboliek van de zonsopgang bij mijn ochtendduurloopje: een  onmiskenbare aankondiging van een nieuwe lente. De wereld krijgt wederom kleur.

Week 5: gewerkt van maandag t/m zondag (totaal 72 uur)

Maandag: 65min duurloop: 30min DI (15km/h) – 35min DII (16km/h).

Dinsdag: ochtend 35min duurloopje (Enschede-Noord / Roombeek).

Avond: Baantraining met Florian Pehrs: 3 series van 3x1200m; pauze 2min, tussen de series 3min rust, 20min uitlopen. Bikkeltraining! Niet te koud, matig windje.

Woensdag: rustdag (13u gewerkt, daarna twee Leffe blond in de kroeg).

Donderdag: training aangepast: duurloop 1u45 rustig langs Buurserzand, pijn aan rechter knieschijf.

Vrijdag: na 2min ochtendduurloop afgebroken. ’s Avonds een paar biertjes in de kroeg. Slecht humeur: is de weg naar Rotterdam geen doodlopende weg? Ibuprofen is trouwens mijn favoriete snoepje.

Zaterdag: ochtend: ondanks matige pijn duurloopje 40min, langs de universiteit en het torentje van Drienerlo. Zonsopgang.

Avond: tempoduurloop in totaal 1u50: 40minDI – 5x (2min vlot-1min rustig) – 5min DI – 3x (8min DIII-4’DI) – 15’DI. Ronde Rutbeek – Enschede-Zuid – Singel – Roombeek.

Zondag: ochtend 70min duurloop DI richting het Haagse Bos, langs de molen van Lonneker, markpunt halverwege de Enschede marathon. Een flinterdun laagje poederachtig sneeuw bedekt de wegen alsof er een zandstorm heeft gewoed.

Baantraining dinsdagavond:

Zoals altijd ga ik inlopend naar de atletiekbaan. Steevast ben ik wat aan de late kant zodat ik het tempo al gelijk opvoer: met 16km/h loop ik de 3,5 km naar de baan. Aangekomen bij de baan tref ik de andere atleten en onder begeleiding van Harry Dijk doen we een sessie techniekoefeningen. Twee atleten zijn net terug van hun trainingsstage in Zuid-Afrika, zongebruind en goedgemutst.

Gelukkig krijgt Florian Pehrs van zijn trainer fiat aan te haken bij mijn zware programma: ‘kijk maar tot hoe ver het gaat’. Dat horend ben ik gerustgesteld: geen enkele zichzelf respecterende atleet zal dan de training afbreken en zijn maatje alleen laten lopen; zolang de trainer hem niet terugfluit zullen we de klus samen klaren.

De eerste 1200metertjes gaan soepel in 78seconden per 400m (18,5 km/h). De tweede serie is al wat aanpoten in een iets hoger tempo en de laatste serie van 3 gaat in rondes van 74sec (19,5 km/h). In het Duits geeft de trainer van Florian aanwijzingen: de laatste twee tempo’s moet hij versnellen in de laatste 200meter. Glimlachend, maar van binnen vol twijfel kijken we elkaar aan: gaat ons dit lukken? Vervolgens maken we er inderdaad tweemaal een heuse eindsprint van met een snelste tijd van 3min39. Dat is nou die welbekende Duitse mentaliteit waarmee het voetbalelftal in de blessuretijd nog de wedstrijd weet te beslissen: Tegen het eind nog even alles uit de kast halen en vooral niet toegeven aan vermoeidheid.

Zoals de traditie vraagt schudden we na de training elkaar de hand en lopen gezamenlijk een paar ronden over de atletiekbaan. De lichtmasten branden nog- de andere atleten zijn al lang klaar met hun kortere programma. ‘Een goedenavond gewenst’ en uitlopen naar huis. Voldaan… Eten en slapen.

(2) Vrolijkheid in Wageningen

Na de nachtdiensten van de afgelopen weken een weekje vrij als compensatie. Na uitgebreid te hebben geslapen op maandag nam ik de trein naar Wageningen, waar ik voor een week welkom was bij Alex van de Meer, vriend maar ook haas in Eindhoven (oktober 2008). Ook zou mijn oude trainingsmaatje Erwan Piriou die week daar verblijven als onderbreking van het leven en werken in Kenia. Vanaf dinsdag heb ik bijna dagelijks 2x getraind, zonder echt vermoeid te raken. Dat komt vast door het ‘niets hoeven’ overdag en ruim 8 uur slapen per nacht (onderdeel van goede voornemens 2009). De heuvels en onverharde paden bij Wageningen vormen ideale omstandigheden om veel te trainen met een laag risico op blessures. Alleen de regen tijdens de baantraining op Papendal op donderdagmiddag vond ik iets riskant: de baan stond deels onder een laagje water, waar je snel afkoelt.

Week 4

Maandag: rustdag; slapen, afreizen naar Wageningen, heerlijk gegeten + Fontaine V rosé.

Dinsdag: ochtend met Erwan duurloopje 70’DI (Renkumse beek)

avond: met Alex 30’DI – 3x (10’DIII, p=5’DI) – 15’DI (Wageningse berg)

Woensdag: ochtend: 55’DI met Alex, Erwan, Anika door de uiterwaarden + Wageningse berg

middag: 75’DI met Alex, Wageningse berg.

Donderdag: ochtend: 45’DI met Alex, Wageningse berg, koud.

middag: Papendal met Alex, Neals en Marco: 1000m (kunstgras, 3’15) – 1200m (baan, 3’48) – 1500m (k.gr. 4’50) – 2000m (bn 6’25) – 1500m (k.gr. 4’50) – 1000m (bn 3’05) p=3’ Doorweekt en koud. Wat een rotland.

Vrijdag: Duurloop 1uur40 Wageningse berg, deels met Erwan, Alex en Mark, nog steeds regen. Lekkere chocolade met fruit en noten en wijn.

Zaterdag: ochtend: 60’DII Wageningse berg, droog en zonnig. Wat een heerlijk land!

avond: 65’DI ronde Rutbeek, zonnig, deels over golvend en bochtig mountainbikeparcours.

Zondag: lange duurloop 2uur: grote ronde bos – vliegveld – Lonneker, zonnig, dikke vette buizerd! Twente is onze naam.

Vrijdagavond

Met de woorden ‘Nog meer vrolijkheid’ kondigt een droeve stem op radio 4 een strijkkwartet van Beethoven aan, Allegro con brio. Ik leg het boek opzij en loop naar het raam. Aan de andere kant van de straat staat het stadhuis, vanuit hier kijk ik recht in de kamer van de burgemeester, die nu donker is. De klok van de Johannes de Doperkerk slaat, zoals ieder kwartier: ze pleegt de rusteloze slaper nacht in, nacht uit wakker te houden. Nutteloos, maar wel een tikkeltje romantesk. De wijzerplaat is verlicht. Ook de gouden haan, die naar het zuidwesten kijkt, de koude, natte regenbuien tegemoet, is duidelijk te zien. Bij het vallen van de avond is de wind gaan liggen en de regen lijkt te zijn vergoten. Mijmeringen. Waarom besteed ik zoveel van mijn tijd aan het hardlopen. Zijn er niet duizenden dingen waar ik beter mijn tijd in kan steken? Maakt het mezelf wel gelukkig? En onthoudt het me niet van de warmte van een lieve vrouw?

In het boek, dat ik zojuist aan de kant heb gelegd, worden in één dag duizenden joden vermoord op de bodem van een ravijn. Over iedere ‘laag Joden’ een laagje grond, en vervolgens worden nieuwe Joden het ravijn in gedwongen en met een nekschot om zeep geholpen1. Nee, dan ben ik toch liever een doorgedraafde hardloopfanaat. Je doet er weinig goeds mee maar ook geen kwaad.

Voorzichtig neem ik nog een slokje van de wat houterige wijn uit de Médoc. Hier in Wageningen heb ik op de berg een goede basis gelegd voor de trainingen de komende weken, veel omvang getraind en rust genoten. Helemaal in het kader van de historisch aan Wageningen gebonden woorden Vires acquirit eundo1. Zoveel sterker stap ik een dag later op de trein terug naar Enschede, waar vele eenzame kilometers asfalt liggen te wachten. Met de jammerlijke wetenschap dat mijn trainingsmaatje op stage in Zuid-Afrika geblesseerd is geraakt.

1)     In ‘De Welwillenden’ van Jonathan Littell maakt de hoofdpersoon, obersturmbahnfuhrer bij de SS, deel uit van het duitse legioen dat op 29 september 1941 34.000 joden ombrengt bij het bloedbad van Babi Jar.

2)     (al gaande wint men aan kracht), een spreuk die op een gevel aan de Hoogstraat te Wageningen te vinden is als onderdeel van het gemeentewapen van Wageningen.

(1) Van Nul tot Nu

Road to Rotterdam

In de maanden voorafgaand aan de Rotterdam marathon doet marathonloper Thijs Feuth verslag van zijn fysieke en mentale voorbereiding.

Van nul tot nu

Het nieuwe jaar begon slecht, net als het oude jaar eindigde: met een vervelende blessure. Die was plotseling en onverwacht komen opzetten vlak voor de kerst waardoor ik voor het eerst in mijn hardloopcarriere niet kon lopen. Twee weken lang bleef te teller staan op nul. Iedere ochtend trok ik met de moed der wanhoop mijn hardloopspullen aan, maar telkens bleek binnen tien stappen dat het nog veel en veel te vroeg was. Na 16 dagen fietsen en revalidatie via de fysiotherapeut kon ik heel voorzichtig weer wat joggen en drie dagen later liep ik op de weg mijn eerste duurloop. Pijnvrij, zei ik tegen mezelf, maar eerlijk gezegd voelde het nog wat onwennig. De week erna liep ik alweer 150km, met een redelijk aandeel lang duurwerk. En de nachtdiensten hakken er altijd weer in met in totaal meestal 3 a 5 uur slaap per 24 uur.

Week 1:

Revalidatie: dagelijks rompstabiliteit en alternatieve training zoals fietsen en spinnen.

Week 2: (nachtdiensten maandag t/m woensdagnacht)

Maandag:            Ochtend: 3×10 minuten voorzichtig joggen (licht pijnlijk)

Middag: fysio, rompstabiliteit, spinnen

Dinsdag:               Loopband: 15’ DI (15km/h) 3x 5’ tempo’s (18 – 19km/h) – 15’ DI

Woensdag:           Loopband 30’ DI,

Donderdag:          Duurloop: 1u40 heel rustig (13-14km/h)

Vrijdag:                 60’ DI deels door de sneeuw 10cm hoog

Zaterdag:              Strand en duinen bij Egmond: 60’ loslopen

Zondag:                                Wedstrijd Egmond aan zee: heuvelafwaarts te pijnlijk, bij 16km uitgestapt.

Avond: 40’ loslopen

Week 3: (nachtdiensten donderdag t/m zondagnacht)

Maandag:            Rustdag; wel fysio, rompstabiliteit

Dinsdag:               Ochtend: 45’ DI

Avond: baan 14×500 (ca 1’40” p=60”)

Woensdag:           Duurloop 1u45 DI, rompstabiliteit

Donderdag:          Ochtend 50’ DI in Wageningen

Middag: met Marco Gielen en Neals Strik op de kunstgrasbaan van Papendal:

5×500 (1’40, p=75”) – 5×400 (75”) – 5×500 (1’35”)

Vrijdag:                 Duurloop 1u30 DI rondom het Rutbeek, rompstabiliteit

Zaterdag:              Tempoduurloop: 40’DI – 20’DII – 5’ DI – 15’ DIIaDIII – 10’DI – 10’DIII – 10’DI Buurserzand (zonsondergang, herten!)

Zondag:                                Duurloop 1u40 Langs de Hoge Boekel en het Haagse bos (herten)

De duurloop van zaterdag 17 januari deed ik aan het eind van de middag, vlak na ik was opgestaan (nachtdiensten):

Het is half vijf en ik loop over onverharde wegen naar het Buurserzand. Tot hoe laat zal er voldoende licht zijn om de smalle bochtige paden over de heide en door het bos te kunnen volgen? De zon verzinkt langzaam in de wolken aan de horizon, een prachtig avondrood geeft de heides een warm-bruine kleur. Via smalle paadjes beland ik in de schoonheid van de Twentse natuur, en ook mijn gedachten dwalen af, het afscheid van het zonlicht associeer ik met het afscheid van topatletiek van Kamiel Maase, afgelopen weekend in Egmond. Mijn gedachtendwalen verder  af naar Luc Krotwaar, die een aantal jaar geleden nog zo indrukwekkend Egmond op zijn naam wist te schrijven. De Witte Keniaan was mijn eerste role-model in het hardlopen. In een interview met hem las ik hoe hij duurlopen maakte van station naar station, iets wat ik van hem heb overgenomen. Af en toe neem ik de trein naar een mooi natuurgebied en loop ik van A naar B. Rugtasje met flesjes sportdrank, iets te eten, kleding en een boek voor in de trein. Soms beloon ik mezelf daarna met een lekkere lunch of appeltaart in een cafeetje. Zo maakte ik al prachtige duurlopen over de Veluwe vanaf Ede naar Dieren, door de duinen van Castricum naar Schoorl, door de Drunense duinen van Den Bosch naar Tilburg, etcetera.

Enkele meters voor me schiet een hert dwars over het pad. Twee andere witte kontjes haasten zich door de heide, ik houd ze bijna bij tijdens mijn duurlooptempo, tot ze uitwijken naar rechts en uit het zicht vredwijnen. Het is niet koud, niet warm, niet licht, niet donker, het regent niet maar het is ook niet droog. Het is zo Hollands als een winter maar kan zijn. Niets meer over van de sneeuw en die ijzige kou van een week eerder. Het gaat lekker, mijn lichaam draait weer, hartslag oké. Volgende week logeer ik bij vrienden in Wageningen. Rust, vrienden,  trainen, eten en De Welwillenden van Jonathan Littell.

Maar nu wordt het echt donkerder, ik moet me gaan concentreren op het pad, de bochten, kuilen en uitstekende wortels…

geen fantasieën meer…

slechts de schemering…

het ritme…

een bocht…

de oneindigheid…

de marathon…

De eerste keer

Vanavond gaat het gebeuren. Ik hoor het aan haar stem als ze haar ouders gedag wenst. De afgelopen maanden hebben we het onderwerp telkens gemeden. Vaak keken we elkaar lang aan, schoten in de lach als we ons er bewust van werden. De eerste aanraking was na ruim een maand, per ongeluk. Ze stootte me aan toen ze bijna struikelde. Ik greep haar vast om haar op te vangen, en voor ik het door had gaf ze me vluchtig een kus.

Net voor de wekker gaat word ik wakker. Ik was bang dat ik van spanning niet zou kunnen slapen, maar blijkbaar wist mijn lichaam toch goed wat het nodig heeft. Met een zachte zoen wek ik haar ook. Ondanks tegenstribbelen open ik de gordijnen. Vandaag gaat het gebeuren. Vandaag zal ik weten of ik ervoor geschapen ben. Het begint pas na de dertig kilometer, zeggen ze, maar dat is natuurlijk niet waar. Het komt na jaren trainen en na maandenlange specifieke voorbereiding maar het begint bij ambitie.

Hoewel het nog niet helemaal donker is, sluit ze de gordijnen en steekt ze een kaars aan die ze bovenop de grote blauwe kast zet. Aarzelend pakt ze haar gitaar en slaat een paar tonen aan: A mineur. Even blijft ze zo zitten, legt dan haar gitaar naast zich neer en sluit haar ogen. Ook ik sluit mijn ogen om de stilte tot me te laten doordringen. Regendruppels tikken tegen het raam, de wind lijkt het akkoord met zich mee te dragen. Het akkoord, als een goedkeuring en bewustwording van wat komen gaat.

Inlopen durf ik nauwelijks, bang te veel van de beperkte voorraad energie op te maken. Een halve liter sportdrank. Om half elf is het al warmer dan gistermiddag. Een blik op de klok, en een blik op de andere atleten. Tussen de Afrikaanse lopers en enkele Nederlanders doe ik een paar keer een lichte versnelling, om het weeë gevoel in mijn benen kwijt te raken. Na wat woorden te hebben gewisseld met een andere atleet, besluit ik me aan te sluiten bij een groepje dat weggaat op 2.29. De laatste minuten voor de start lijken de seconden tergend langzaam voorbij te gaan. Even zink ik weg in een leegte, denk nergens aan, voel de zon niet meer. Tot er wordt afgeteld voor de start.

Als ik mijn ogen weer open staat ze voor me. Ze kijkt me strak aan, knoopt haar shirt los en laat het van haar schouders afglijden. Als versteend zit ik in de fauteuil, waar normaal gesproken haar vader in zit, dicht bij de kachel. Ik verroer me niet, durf mijn blik niet weg te slaan. Met drie kleine passen komt ze bij me, gaat bij me op schoot zitten en streelt me door mijn haar. De intieme naaktheid van haar schouders lonkt. Pas als ze me zoent weet ik de schroom van me af te schudden, en ik verlies me in mijn dierlijk onderbewustzijn.

Na een langzame eerste kilometer voel ik dat ik in het juiste ritme kom, de juiste paslengte heb. Na een simpele berekening kreeg ik het idee hoe ik de juiste paslengte moest aanleren, met als uitgangspunt een marathontijd binnen twee-en-een-half uur. Negenduizend seconden, drie stappen per seconden dus zevenentwintigduizend passen. Twee-en-veertig komma twee kilometer, gedeeld door die zevenentwintigduizend passen, dus één meter zesenvijftig per pas. Dat is per stap vijf stoeptegels en een beetje, per vijf stappen één tegel extra. Zo begon ik mijn duurlopen over de stoep langs de Amstel, me voorhoudend dat de paslengte bepalend is voor de marathontijd.

Twee naakte lichamen, een vereniging van lust en liefde. Beangstigend maar ook mooi, zo is het leven tenslotte begonnen. Het verschil tussen man en vrouw, hard en zacht, koud en warm. De schoonheid van vruchtbaarheid, zoals de bloesem van de oude kersenboom in het voorjaar weer een teken van leven geeft. Een teken als een belofte, haar vruchten in het vooruitzicht stellend. Warmte en zweet. Af en toe kijkt ze me aan met een blik alsof ze kwaad is. Maar dat ben ik ook. Hemel en aarde zal ik bewegen.

Het is begonnen. De euforie van het bereiken van het dertig kilometerpunt, ruim op schema, heeft plaatsgemaakt voor vermoeidheid, pijn en angst. Wáár de pijn zit weet ik niet, mijn hele lichaam lijkt ervan doordrongen. Nog zeven en een halve minuut voor de laatste twee kilometer, maar het tempo is er helemaal uit. Als Marti ten Kate, een hardlooplegende in levende lijve, me vanaf de zijkant van de weg toeroept dat het goed gaat, bevliegt me de angst dat ik het niet zal redden, dat ik mijn belofte niet waarmaak en hem zal teleurstellen. Ook mezelf zal ik teleurstellen.

Het ritme en de oneindigheid. Intuïtief beweeg het lichaam zich in een traag ritme, als het tikken van de klok. Met de verspilde energie en het verdampte zweet lijken de gedachten te zijn verbannen. Voor even geen mens. Of juist wel?Het hardlopen in een hardloopwedstrijd is evolutionair gezien gelijkwaardig aan het vrijen met anticonceptie. Net zoiets als droogzwemmen. Druppels zweet verdampen, laten witte sporen na op het lichaam. Een zoute smaak.

Vier woorden, ik oefende ze dagelijks in de spiegel, maar kreeg ze nooit over mijn lippen. Ook nu niet.

Zoals een drenkeling zich vastgrijpt aan een stuk hout, probeer ik mij vast te klampen aan het reeds ingezakte tempo. Zelfs na het laatste kilometerbordje overheerst het bewustzijn dat de klok doortikt. Nog vijftig seconden voor de laatste tweehonderd meter, maar waar moet ik de kracht vandaan halen? Seconden tikken weg, te snel. Mensen langs de kant met strakke gezichten, alsof er een begrafenisstoet langs rijdt. Ik probeer het niet te zien, voel en hoor niets meer, probeer alleen te doen wat ik moet doen.

Ze duwt me van haar af en verbergt haar gezicht in het kussen. Mijn hart krimpt samen van angst, maar slaat ook over van geluk. En wat nog meer? Desillusie? Trots? Op mijn rug liggend staar ik naar het plafond. De bewegende schaduwen die zich daar projecteren komen natuurlijk door de vlam van de kaars, misschien dat een vleugje van de wind haar weg heeft gevonden door de kieren van de deur. In het hoekje boven de blauwe kast probeert een vlieg zich te bevrijden uit een spinnenweb, terwijl haar gastvrouwe nog even stilletjes afwacht voor ze met haar gif haar slachtoffer verlamt. Dan sluit ik mijn ogen.

De rouw

Mevrouw Otter kwam om te sterven. Dat deed ze op respectabele leeftijd, nadat ze vanuit het academisch ziekenhuis naar de beddenafdeling van onze gezondheidspost in Lapland werd overgeplaatst met een luchtbuisje in haar keelgat en een vochtinfuus. In het ziekenhuis was een hersenbloeding vastgesteld die zo groot was, dat zelfs met de hulp van de door haar aanbeden god er niets anders op zat dan het tijdelijke voor het eeuwige te verwisselen. Haar schriele lichaam lag zich aan het luchtbuisje voor te bereiden op die reis.

Het stonk op het kamertje van mevrouw Otter. De zure lucht kwam echter niet van haar, maar van haar zoon, een man van een jaar of vijftig, leren jasje en een door het leven getekend gezicht. Stomdronken was hij. Hij klaagde over het lot van zijn arme moedertje ‘een aangeboren vaatafwijking, zei de dokter’ maar vooral over dat van hemzelf: ingenieur, tot vier jaar terug in Helsinki gewoond en toen terug gereisd naar Lapland om bij zijn moeder in te trekken. En nu lag ze hier. Wat moest hij zonder haar, ook financieel gezien, en hield aangeboren niet in dat de vaatafwijking erfelijk was en zou dus ook hij..?

Drie dagen tevoren had hij zijn moeder thuis aangetroffen, precies zoals ze hier nu lag maar dan zonder adembuisje en infuus. Die hadden ze om de een of andere reden in het academisch ziekenhuis aangebracht. Nadat ze met de ambulance naar het ziekenhuis was weggebracht vergreep zoonlief zich aan de fles. Helder? vroeg de verpleegster, en hij gaf toe, helder vocht had hij tot zich genomen. Sterke drank. Een putki* van drie dagen dus, niet erg lang maar toch leverde het een stinkende sterfkamer op en een huilende vijftiger en als slotakkoord viel hij de verpleegster om de hals. Dank je, stamelde hij, en hij drukte ook mij de hand toen we de kamer met het academische luchtbuisje en de rouwende zoon verlieten om de ronde over de afdeling te vervolgen.

*Namen zijn fictief.

**putki: (letterlijk: buis) een periode van onafgebroken drinken, meestal van sterke drank, kan variëren van enkele dagen tot enkele maanden, op welke wijze volgens authentiek Finse traditie vakantie kan worden doorgebracht, een vreugdelijk feit kan worden gevierd of verdriet kan worden verdronken (deze opsomming is verre van compleet). Een putki kan in eenzaamheid tot stand worden gebracht of in gelijkgestemd gezelschap.