Eindelijk!

Afgelopen zaterdag heb ik met succes een testwedstrijd volbracht. Het betrof een etappe van de Veluweloop. De wedstrijd was bedoeld om te testen hoe mijn hamstrings zouden reageren op maximale inspanning. Dat is belangrijk, omdat de afgelopen maanden in het teken hebben gestaan van herstel en opbouwende training, waarbij zware prikkels zoveel mogelijk werden vermeden. Tijdens de wedstrijd kreeg ik geen klachten, en ook het herstel lijkt goed te gaan want op zondag kon ik zonder problemen een lange duurloop van zo’n 35 kilometer volbrengen.

Surmanage van de hamstring is een vervelende blessure met een langdurig en grillig revalidatietraject. Voor mij geen uitzondering, al leefde ik bijna steeds in de verwachting dat het een paar weken later wel weer goed zou gaan. Een pas op de plaats maken is erg moeilijk voor mij als marathonloper.

Met een blessure heb je niet alleen te maken met pijn, ook buiten het sporten, maar ook mis je je belangrijkste uitlaatklep. Maar, laten we niet teveel overdrijven: in Malawi zag ik kinderen doodgaan van de honger en ook veel andere mensen kwamen onnodig te overlijden. Zo’n blessure is in vergelijking daarmee een peulenschil.

Toch wil ik mijn begeleiding en supporters bedanken voor de steun en het geduld. Hopelijk luidt de testwedstrijd van het afgelopen weekend een nieuwe, blessurevrije periode in. De komende weken ga ik verder bouwen aan mijn basisniveau om later in het najaar de puntjes op de i te gaan zetten.

Zomerdans

Met het gezicht naar me toegedraaid staat ze daar, half verscholen tussen de bomen. De regen van zojuist geeft haar roodbruine zomervacht een doffe glans. Een vragende blik, die het midden houdt tussen angstig en uitdagend, alsof ze hoopt ten dans te worden gevraagd. Druppels gevangen in bladeren breken het licht van de doorbrekende avondzon als een discobal. Op aangeven van de specht stap ik op haar toe. Mag ik je Capri noemen?

Even lijkt ze te aarzelen. Was de vraag wel aan haar gericht? Een ruk met het hoofd en daar gaat ze, in vloeiende passen, sprongen, zwieren, begeleid door een krekel die haar vleugels droogstrijkt. Haar verlegenheid schudt ze van zich af, om plaats te maken voor trots en gratie.

De wolken zijn nog niet verdreven maar hullen het bos in een sprookjesachtige duisternis. Licht is pas mooi als er schaduw is. Het bos is groener, bruiner en lijkt meer te ademen. Lucht waar je je longen mee vol pompt, waar je liefde uit put. En troost.

Troost kan iedereen wel gebruiken, ook zonder verdriet. Van troost word je vanzelf een beetje verdrietig. Oog in oog met Capri schieten me de tranen in de ogen. Pijnscheuten als speerpunten in het hart. Waarom? Je kunt om van alles verdrietig zijn. Om gemiste kansen, om verlies, maar ook door liefde en geluk.

Net als liefde kan hardlopen pijn doen, maar ook voldoening geven. Soms geeft pijn juist een geluksgevoel en een andere keer kan voldoening verdrietig maken. Daarom probeer ik het hardlopen maar te zien als een dans, die blijft voortduren tot je er uitgeput bij neervalt.

Mijn dans met Capri was echter van korte duur want al snel werden we betrapt door haar broer. Schaamde ze zich, of was het een ontwaken in de werkelijkheid? Reeën zijn geen mensen, en horen zich ook niet met mensen in te laten. Toch kun je de werkelijkheid soms even vergeten. Die momenten, gestolen uit een droomwereld, kun je je leven lang bij je dragen, om moed uit te putten. Moed, om het lopen voort te zetten als de duisternis valt.

Vajra, of hoe het hardlopen zijn leven redde

Het was op een doordeweekse avond dat de hardloper verdwaalde in het bos – min of meer vrijwillig omdat hij op zoek ging naar het onbekende door de paden te nemen die hij altijd links (of rechts) had laten liggen. Het was een zomerse dag geweest, een drukkende warmte deed hem de koelte van het bos opzoeken.

De hemel verschool zich achter het bladerdek van de zomerse gedaante van de bomen. Zo kwam het dat hij niet wist wat zich boven hem afspeelde. Donkere wolken pakten zich onheilspellend samen. De langzaam inzettende duisternis weet hij aan de dicht op elkaar staande bomen en het tijdstip op de avond, de cijfers op zijn digitale horloge telden maar door. Vogels trokken zich terug in hun nest en hielden zich bedaard, alsof ze daarmee het gevaar konden afwenden. Windstoten vertaalden zich in een geruis van bladeren in de toppen van de bomen. Een ree negeerde de hardloper door een tiental meters vóór hem het pad over te steken. Op de vlucht leek ze, een schuilplaats zoekend voor een onzichtbare dreiging.

Pas aan de rand van een heide werd hem duidelijk wat hem te wachten stond: deze zomerse avond zou een onweer inluiden dat zijn weerga niet kende. De lucht boven het bos leek geschilderd van een palet donkergrijze tinten, dat deed denken aan de lucht op de schilderijen in het Rijksmuseum, waarop fiere driemasters huizenhoge golven bedwingen. Een fractie van een seconde lichtte de heide op, gevolgd door een luid geroffel.

Zijn vader had hem vroeger altijd gewaarschuwd niet onder bomen te schuilen bij onweer. Maar een boomloze plek zoeken in het bos is lastig, en is men op de heide niet nog veel kwetsbaarder? Hij sloeg op de vlucht, net als de ree, op weg naar zijn schuilplaats. Door het bos, de kortste weg naar huis.

Opeens brak de hemel open en goot haar water uit over het bos. Al snel vormden zich stroompjes op de paden en in een mum van tijd werd het bos een Amazonedelta in het klein. Bliksemschichten vlogen om de haverklap door de lucht, en de donder leek een eindeloos gebulder. Zijn voeten werden zwaar door de doorweekte schoenen, maar hij besefte dat het juist nu van belang was de snelheid te bewaren. Want bij een hogere snelheid is de zweeffase van de pas langer en zolang je de grond niet raakt kan de bliksem je niet deren. Plotseling

Flits en Knal!

en dan niets

Heel subtiel begint daar een voorzichtig bewegend beeld – een soort televisie op het scherm van een mobiele telefoon-formaat. Het beeld wordt geleidelijk groter tot het hem als het ware omsluit. Een film, waarin hij zichzelf herkent als de hoofdrolspeler. In de zandbak met zijn broertje, op de fiets met zijwieltjes, hoe hij steeds beter wordt met knikkeren tot de knikkers niet meer in de zak passen en hij ze vervolgens allemaal verliest in één partijtje….

Het beeld vervaagt en maakt plaats voor hoofdpijn. Voorzichtig gefluit van een vogeltje. In de modder van een beregend bos hervindt hij zich en voelt niets dan vreugde en een gevoel van onoverwinnelijkheid. Het vervolg van zijn weg is geen gouden weg maar de diamantweg – vajrayana. Hij, die de bliksem heeft overleefd, zal in geen mens de meerdere erkennen.

Dromen van Damascus

Damascus is a paradise

where the stranger forgets his homeland*

Na een lange reis ga ik op audientie bij de koning van Syrie, om een brief van onze koningin aan te bieden. De afstand tussen Amsterdam naar Damascus heb ik hardlopend afgelegd, om de afstand tussen Oost en West weer tot menselijke proporties terug te brengen: vijfduizend kilometer in honderd dagen. Duizenden jaren geleden waren het de kruisvaarders die de verhoudingen op scherp stelden. Sindsdien zijn er tijden van wederzijds gedogen geweest, maar de rivaliteit tussen christendom en islam lijkt de laatste jaren opnieuw tot een diepe kloof tussen Oost en West te hebben geleid. Mijn reis is een vredestocht, met hetzelfde eindpunt als de tweede kruistocht.

Ik ben een dromer. Als kind reisde ik in mijn fantasie de wereld over, voer als de kleine kapitein over zeeën en langs eilanden. Als het stormde klom ik in de boom, hield me vast aan de zwiepende takken en stelde me voor hoe de Nooitlek de oceaan bedwong.  ‘Land in zicht!’ Aan het begin van het nieuwe schooljaar mocht iedereen voor de klas vertellen waar hij op vakantie was geweest. Voor mij geen buitenland, want de dieren thuis konden ons niet missen, maar ze moesten eens weten wat ik had meegemaakt!

De afgelopen weken waren mijn dromen een stuk betrekkelijker. Een hamstring heb je niet tot je er klachten van krijgt -net zoals een knie of een achillespees. Tenminste, je was je nooit bewust van dat onderdeel van het bewegingsapparaat. Dan ga je je opeens realiseren hoe gelukkig je jezelf mag prijzen dat je volle kracht tegen heuvels en duinen kon oprennen, op maximale snelheid rondes over de atletiekbaan kon koersen en met eindeloze duurlopen de hele Veluwe kon doorkruisen. Dan fantaseer je over die trainingen, die achter je liggen maar misschien ook wel voor je. Het hele lichaam smacht naar die manier van voortbewegen die zo uniek is voor de mens: het hardlopen. De droom bestaat dan alleen nog maar uit afwezigheid van de belemmering en de pijn.

Revalidatie suggereert een eenrichtingsweg terug naar de gezonde staat van het lichaam. Maar voor chronische blessures is de werkelijkheid vaak toch harder. In het herstel gaan dingen mis. Vooruitgang geeft hoop, hoop geeft ambitie, en die ambitie laat je in de val trappen want je ambitie heeft geen geduld. Mijn revalidatie was een aaneenschakeling van hoop en tegenslag, maar de laatste weken is er toch een duidelijke progressie. De droom van pijnloos lopen vervaagt weer omdat ze werkelijkheid wordt. Daarvoor in de plaats komen weer nieuwe dromen.

Zoals de droom van Damascus: halverwege de zomer vertrek ik om dagelijks zo’n vijfig kilometer af te leggen. Voor overnachtingen en eten neem ik geen geld mee, maar vertrouw ik op de gastvrijheid van de boeren die ik onderweg tegenkom. Misschien dat ik een kinderwagen met kampeerspullen mee neem, zoals de ultraloper Peter Rietveld die zo van Parijs naar Amsterdam liep. Of misschien krijg ik iemand zo gek mee te fietsen voor gezelschap en ondersteuning. Want Damascus is een heel eind weg.

*Abu l-Hasan Ali

Van station tot station

Vanuit de tractor kijkt hij uit over zijn land. Zon en regen wisselen elkaar goed af, dit voorjaar. De weiden zijn uitzonderlijk groen en de akkers liggen er vruchtbaar bij – zoals mijn vrouw 10 jaar geleden, denkt de boer met een stiekeme glimlach. Vanavond moet er bemest worden, dus verwondert hij zich niet lang over de olympische trein die over het enkele spoor rijdt. Normaal tuft hier alleen een stoptreintje tussen de velden, van Zwolle naar Emmen en weer terug. De oranje gekleurde trein versierd met portretten van olympische helden is hier trouwens wel eerder geweest: verleden jaar rond dezelfde tijd, en een jaar eerder trouwens ook al.

In die trein zit ik, me klaarmakend voor het lopen van de Station-tot-Stationloop. Na een kopje koffie op het station van Dalfsen grijp ik de laatste mogelijkheid om op tijd aan de start te verschijnen in Ommen. Net als vorig jaar en het jaar ervoor.

Wat compleet anders is, is mijn wedstrijdplan. Vandaag zal ik de wedstrijd over laten aan de anderen, terwijl ik er zelf een duurloop van zal maken. Tenminste, als ik de strijdlust weet te onderdrukken. Want, hoewel ik het besluit al heb genomen, gedwongen door een hamstringblessure waarvan ik inmiddels herstellende ben, knaagt het al dagenlang: ‘dan loop ik over dat geliefde parcours over fiets- en wandelpaden, dwars door de Vilterse molen heen, over de weg en over de Vechtdijk, terwijl ze voorin misschien wel mijn parcoursrecord breken’.

Als ik Leon Sanderman bij de start even vraag hoe het met hem is antwoordt hij kort, zonder de wedervraag te stellen. Dus weet hij niet dat het nog niet goed genoeg gaat om een bedreiging voor hem te vormen. Na de wedstrijd hoor ik dat koplopers Leon en de uiteindelijke winnaar Jan Paalman de hele wedstrijd verwachtten dat ik ze zou inhalen. Misschien dat Leon hier een les uit leert: vraag je concurrenten altijd hoe het gaat – niet zozeer uit beleefdheid maar uit eigenbelang, zodat je weet wat je kunt verwachten.

Na het startschot gaat mijn eerste kilometer wat harder dan gepland, in 3’30. Zo kan ik op gepaste afstand zien hoe de koplopers in 3’00 doorkwamen, zodat ik met gerust hart verder kan lopen: die snelle start zullen ze later moeten terugbetalen dus blijft mijn parcoursrecord redelijk veilig.

Daar loop je dan, met startnummer 1 midden in het wedstrijdveld. Loper na loper laat ik passeren, onder wie zelfs enkele dames. Al die lopers lopen me in stilte voorbij, de blik op oneindig,  alsof ze aan een onzichtbaar koord worden voorgetrokken. Een enkeling hijgend, een ander stampend en weer een ander met de armen zwaaiend alsof hij met een zeis de velden bewerkt. Ik kijk ondertussen uit over dezelfde velden als de boer en bedenk me dat het toch wel een goede lente moet zijn voor de boeren op het land.

Het applaus van toeschouwers langs de kant striemt als de zweepslagen van een koetsier op de rug van een sloom paard: vooruit! Ondanks dat herinner ik me mijn missie en kan langzamerhand meer en meer genieten. Het is tenslotte een heerlijk hardloopweertje en ik loop door een prachtige omgeving.

Met nog 5 kilometer te gaan staat er een jongetje alleen langs de kant van de weg aan te moedigen: hup hup! Dat voelt dan voor het eerst echt bemoedigend! Op een lenteavond komen daar plotseling in een uur tijd duizend hardlopers voorbij en een politiemotor. Dat moet toch machtig zijn, als je aan de Markeweg bij Hessem woont?! Bij de volgende bocht staan tientallen mensen en probeer ik te laten zien dat ik geniet: even lachen en een hand in de lucht.

Na de finish in Dalfsen heb ik nog even de gelegenheid om Jaqueline Rustidge en Jan Paalman te feliciteren, de winnaars van deze editie. Mijn record heeft stand gehouden. Een biertje nog, en dan is het weer mooi geweest. De trein komt me halen om me bij een ander station weer af te zetten.

Foto door Jan

God is een Twentenaar

Als God bestaat is hij een Twentenaar. Dat is niet alleen af te lezen aan de huidige stand in de eredivisie voetbal, maar ook aan de prachtige marathondag in Enschede op de eerste onofficiële zomerdag van 2010. Een heerlijke zonnetje en geen doden.

Voor LosseVeter schreef ik een verslagje van de Enschede Marathon, waarin ik me afvraag wat vijf-en-twintig graden celcius doet met de marathon. Had de Enschede marathon wel door mogen gaan? Lees hier verder!

Rotterdam 2010

Daar lig ik dan, starend naar het plafond en met mijn benen voor me uitgestrekt. Door mijn knieen te buigen schuift mijn bovenlichaam naar mijn voeten. Is dit het nou? Een krampachtige pijn in beide hamstrings lijkt het te bevestigen. Toch kijk ik nogmaals naar de plaatjes van de artikelen die dokter Moen me doorstuurde: de suspine bent knee bridge walk-out. Het ene artikel is een vergelijkend onderzoek van Sherry en Best uit Madison die topsporters met hamstringblessures op twee verschillende wijzen behandelden. Het bleek dat de PATS-groep (progressive agility and trunk exercises and icing) het veel beter deed dan de STST-groep (static stretching, isolated progressive hamstring resistance exercise and icing). Het andere artikel, geschreven door Heiderscheit, eveneens uit Madison, geeft een breder overzicht van de huidige inzichten in hamstring-revalidatie. Daarom doe ik nu dus ook de stupide oefeningen waar ik me altijd aan heb proberen te onttrekken, want voor de marathon train je door te lopen. Dacht ik. Tot vorige week die verdomde Cybex-test uitwees dat ik er echt mee aan de slag moet: in de eccentrische fase kan mijn linkerhamstring 21% minder kracht leveren dan rechts. Daar ligt dus het probleem…

Sinds de halve van Egmond, die dit jaar helaas werd afgelast, train ik onder begeleiding van een nieuwe trainer: Martin Breedijk. Niet dat mijn vorige trainer (Bram Wassenaar) niet goed genoeg was, maar meer omdat ik denk dat het bij je ontwikkeling als atleet geen kwaad kan verder te kijken of de bewandelde weg wel de weg is die het beste bij je past. Het zou immers zonde zijn er op het eind van je carriere pas achter te komen dat je op andere trainingen zoveel beter reageert en dat je spijt hebt nooit verder te hebben gekeken dan je neus lang is. Voor mezelf heb ik het idee dat omvang en trainingen rondom marathontempo mij echt sterk maken, en dat lijkt goed aan te sluiten bij de visie van Martin.

De eerste weken moest ik wennen aan de sleuteltrainingen die erg marathonspecifiek waren. Die duurlopen van zo’n 35km met daarin 10x2km marathontempo uitbouwend tot 5x5km marathontempo hakten er behoorlijk in. Ondertussen bleef ik last houden van mijn linker hamstring, die met name met hoge tempo’s en gladheid klachten gaf. En laat het nou de halve winter glad zijn geweest… Om een lang verhaal kort te maken zijn die hamstringklachten, waar ik achteraf al sinds de zomer van vorig jaar last van heb, langzaam verergerd en zijn ze de oorzaak geweest van een matig optreden bij de 30km van Schoorl en later voor het uitstappen bij de Venloop. In de tussentijd liep ik in Piacenza een zware halve marathon (1u11) waarbij de eindtijd weinig leek te zeggen.

Al met al heb ik de afgelopen maanden geen wedstrijden gelopen waar ik vertrouwen uit kan putten. Maar de trainingen daarentegen gaan erg goed. Zo goed zelfs dat ik er vrijwel zeker van ben dat ik mijn persoonlijk record (2u23) flink ga aanscherpen. Als tenminste… Nee, het h-woord ga ik niet noemen, want het is frustrerend dat je hele lichaam schreeuwt om de marathon, terwijl je h…

Deze week heb ik mijn 2500e kilometer van 2010 rennend afgelegd, maar vandaag heb ik eindelijk mijn 3e ‘echte’ rustdag (= een hele dag niet hardlopen) van het jaar. Vorige week was mijn 2e en die heb ik gebruikt om met mijn vriendin Rotterdam te verkennen met de watertaxi, wat bovenstaande foto opleverde. Taperen noemen ze dat: de laatste twee weken minder kilometers, terwijl de intensiteit van de trainingen ongeveer gelijk blijft. Twee weken geleden liep ik nog zo’n 220km in een week, vorige week 146km en deze week een magere 106km (dus zo’n 60km in de 6 dagen voor de marathon). Peanuts! Nee, geen peanuts, daar zit teveel vet in. De laatste dagen probeer ik op koolhydraten te leven, dus laat ik de pinda’s staan.

Zondagochtend loop ik dus die marathon, samen met Raymon van den Berg in de luwte achter de jongens die voor de limiet van de europese kampioenschappen gaan. Want de limiet van 2h17 lijkt me te hoog gegrepen. Eerst maar eens onder de 2h20 voor we over zulke tijden mogen gaan denken. Het lijkt erop dat de weersomstandigheden aardig zijn voor een goede tijd: niet teveel wind, geen regen en met 10 tot 14 graden tijdens de wedstrijd niet te warm.

De supine single-limb chair-bridge sla ik nog maar even over. Die lijkt me zo vlak voor de marathon te belastend. Ik hou mezelf nog even bezig met trunk stability, side bridge en mijn favoriete oefening single-leg stand with eyes closed. Die laatste oefening is vooral aan te raden met een lekker muziekje op de achtergrond.

(Foto: Marjolein Stegeman)

Via del Paradiso

Grinnikend kijken de oude boertjes me na als ik de tractor passeer waarmee ze de takken van gesnoeide druivenbomen wegvoeren. Zij weten natuurlijk waar ik nog achter zal komen: de Via del Paradiso loopt dood bij een boerderij waar drie hellehonden me blaffend staan op te wachten. Een brandende stapel druiventakken drijft dikke rookgolven over de weg. De gedachte aan Dante is niet te onderdrukken, hier in het dal bij Assisi, als bij de poorten van de hel:

Bedenk: wat Epicurus heeft geleerd,

Verdoemt ook wie hem volgden hier ter helle:

De leer dat na de dood geen ziel resteert

De dreigende honden en de stinkende rook kunnen me niet deren. Laat ze maar blaffen, laat de duivel zelf maar komen! Omdat ik er lol in heb blijf ik nog even staan voor wat rek-oefeningen. De meeste mensen zien na verloop van tijd hun eigen belachelijkheid wel in – en worden vervolgens meestal aggressief. Honden niet, die blijven maar blaffen, net als een enkele blonde fascistische politicus, omdat er een vreemdeling aan de rand van het erf staat. Mettertijd neemt langzaam het volume wat af en komt er een hese bijklank. Boventonen.

Alle lol verveelt, dus keer ik me om en passeer na enkele kilometers opnieuw de boertjes. Zonder op of om te kijken, want ik heb ook zo mijn trots. De zon is inmiddels doorgebroken, na een koude eerste week in Italie, waarin zelfs hagelbuien de boel probeerden te verpesten. Bijna was de trainingsstage net zo zwart geworden als de wereld die Céline schets in Voyage au bout de la nuit.

Notre vie est un voyage

Dans l’hiver et dans la Nuit

Nous cherchons notre passage

Dans le Ciel ou rien ne luit.

Het boek kreeg ik kado van mijn sponsor, omdat het bij zou dragen aan mijn ontwikkeling als marathonloper: als je dit boek leest, zei hij, zul je niet meer genieten van het leven. Je wilt jezelf opsluiten in een hol in een donker bos en alleen de buitenlucht opzoeken voor zware trainingen. Contact met mensen zul je vermijden. Verstoken van empathie zul je geen medelijden meer hebben met je tegenstanders op de marathon. Zo zal dit boek bijdragen aan de zege.

Terug over de Via del Paradiso dus, richting hotel Moderno nabij Assisi. Het klooster van de stad staat als een bunker halverwege de heuvel. Het is gebouwd op de plek waar de heilige Franciscus van Assisi is begraven: op de Colle del Inferno (heuvel van de hel), die zo genoemd was omdat het de plek was waar misdadigers werden opgehangen. Net als Christus wilde hij rusten tussen de verdoemden. De heuvel is na zijn dood overigens omgedoopt tot Colle del Paradiso, en is nu een bedevaartsplek voor monniken uit heel de wereld.

Foto’s: Marjolein Stegeman

Canto Ostinato

Nog even gloeit de lont van de kaars op mijn nachtkastje na. Het licht dat de kern van een vlam vormde is nu in zichzelf gekeerd, als een man op zijn sterfbed, bezeten door lijden. Het gloeiende stukje krimpt ineen en laat, naast de duisternis van de avond, alleen een dode walm achter. Buiten loeit de storm langs de wand van de flat, een kabaal dat stilte heet. Als ik mijn ogen sluit hoor ik weer de melodie die vanmiddag bezit van me heeft genomen: Canto Ostinato.

Toen ik mijn vriendin ‘s avonds probeerde te overtuigen van de grootsheid van de compositie greep ik naar het hoogste van het hoogste: olympisch goud. ‘Het is grootser dan de gouden medaille bij de Olympische Spelen,’ zei ik, ‘want die wordt iedere vier jaar opnieuw vergeven, maar Canto Ostinato is eenmalig.’ Een eenmalige gift van de Nederlandse componist Simeon ten Holt, die de wereld veranderde.

Het Canto is ‘moderne klassiek’, een afschrikwekkende beschrijving, want klassiek is stoffig en modern klassiek is in het begrip van de meeste mensen een muzikaal gedicht zonder rijm: alleen voor kenners. Maar Canto Ostinato is anders. Het lied grijpt je en laat je niet meer los. Hypnotiserende repetitie en een subtiel wijzigend thema. Als je op bed ligt na de kennismaking weerklinken de heldere tonen van de piano in de stilte, alsof je verliefd op ze bent geworden.

Ik ben marathonloper geworden en geen musicoloog en ga me dus ook niet wagen aan een beschrijving van de Canto. Maar wel over de associatie met het hardlopen, die niet ver gezocht is. De marathon: een ritmisch repeterende beweging, die op het eerste gezicht monotoon lijkt. Maar de weg kronkelt, er wordt iemand ingehaald, de zon stijgt naar haar hoogste punt en de loper wordt dorstig. Een pijn in de leverstreek komt opzetten en kan alleen worden onderdrukt bij de gedachte aan ijs. De finish nadert terwijl de loper op zijn plek blijft, onder de hete zon. Het hart bonst in de borst en dreigt te ontploffen. Maar de pasfrequentie moet hetzelfde blijven, wat er ook gebeurt.

Zoiets is Canto Ostinato, het veelkoppige lied, waar ik nu weer naar ga luisteren en waarbij ik me verbeeld hoe de kilometerbordjes voorbij trekken. Nieuw in 2010: auditieve training.

Een dromer op de marathon

Thijs Feuth (28) heeft een website. Daarop stelt hij zichzelf de vraag: ‘Arts of marathonloper?’ En het antwoord luidt dan: ‘Het meest nog ben ik een romanticus’. Hij woont in Enschede. Niet ver van zijn favoriete bruine café Het Bolwerk dat hij graag aan zijn interviewer wil laten zien. Eerst eet hij thuis nog een bordje havermout. 
Rekken aan de oever van de Dinkel ‘Ach, romanticus… Ik moest gewoon een stukje over mezelf schrijven. Wat ben ik? Geen idee eigenlijk. Niemand is wat hij doet. Misschien ben ik vooral een dromer. Altijd geweest. Wij woonden in een boerderijtje, aan de rand van Nijmegen. Eerst was ik er samen met mijn broer, toen kwamen er steeds meer bij. Uiteindelijk waren er zes kinderen. We hadden dieren, er was een tuin; eigenlijk waren we altijd op vakantie. Bovendien las ik veel. Overal waar de Kleine Kapitein was geweest, daar kwam ik ook. Op mijn twaalfde begon ik op een oude fiets de wereld te verkennen. Soms wel honderd kilometer per dag.  Over de Maasdijk naar Zaltbommel en weer terug. Daar zie je al iets van de duursporter in mij terug. Het lopen begon toen we een keer een paar Belgen te logeren hadden. Ze deden mee met de Vierdaagse en kwamen op de tweede of de derde dag, om zeven uur ’s ochtends, bij ons huis voorbij. Ik dacht: ik loop een stukje mee, maar het ging zo lekker dat ik pas na vijftig kilometer ben gestopt. De fysieke kant – het zo lang mogelijk volhouden – speelde een rol, maar ik denk dat er ook veel romantiek in het spel zat. Grenzen verkennen. Avontuur. Ik liep ook mee met de wandeltochten die aan de Vierdaagse vooraf gingen. Tien, vijftien kilometer, vlot doorstappend.’

Kom je uit een sportieve familie?

‘Mijn vader vertelde een paar jaar geleden dat hij ooit een tijdje heeft hardgelopen. Mijn broer heeft in de bouw gewerkt – echt een krachtpatser – en mijn broertje is hoefsmid. Ook heel sterk. Een van mijn zusjes deed aan ballet en mijn jongste zusje doet nog aan paardrijden. Dat is het zo’n beetje.’

Wat heb je nog meer van je vader?

‘Zijn gedrevenheid. En zijn wiskundeknobbel, waarschijnlijk. Mijn vader is statisticus in het Radboudziekenhuis. Intelligente man, beetje afstandelijk. Hij is lief, interesseert zich voor mensen, maar hij uit zijn gevoelens niet zo. Mijn moeder is vooral een gevoelsmens, hartelijk, maar ze  kan ook nogal dominant zijn. Dat geldt eigenlijk voor iedereen in onze familie. We vragen aandacht, we zijn allemaal nogal aanwezig.’

Je was een dromer, zei je. Droomde je ook over de toekomst?

‘Ja, ik wilde schrijver worden. En concertpianist. Dat ik naar het conservatorium zou gaan stond voor mij lange tijd vast. Tot mijn pianoleraar, met wie ik een goed contact had – hij was een rolmodel voor me – terugkwam uit Afrika met verhalen over honger, ziekte en armoede en ik me begon af te vragen hoe nuttig het eigenlijk was om pianist te worden. Was dat de zin die ik aan mijn leven wilde geven? Na de middelbare school ben ik naar Engeland gegaan. Eerst werkte ik in een Organic Farmshop, later in een fabriek. Daarna heb ik in Ierland in cafeetjes gewerkt. Het was een prachtige tijd. Als je in je eentje zit, ver van je bekende omgeving, leer je jezelf wel kennen.’

Besloot je daar geneeskunde te gaan studeren?

‘Dat gebeurde toen ik net terug was. Een vriendin lootte mee voor de studie geneeskunde en ze vroeg: “Is dat niks voor jou?” We hebben alles op een rij gezet en het leek te kloppen: met mensen bezig zijn, iets nuttigs doen, meer verdieping. Ik zag het wel voor me. En weet je wat zo bevrijdend was? Dat ik buiten het kader van de muziek trad. Er bestonden eerst geen andere mogelijkheden. Iedereen ging er vanuit dat ik die kant op zou gaan. En nu brak er ineens iets open: ja, ik kan ook voor een andere studie kiezen! Ik nam mijn besluit en daarna leek alles vanzelf te gaan. Ik werd ingeloot – terwijl ik maar dertig procent kans had – en ik mocht naar Amsterdam, mijn eerste keuze. Alles – de co-schappen, de stages – beviel me. Ik begon in 2001 en in maart 2008 ben ik afgestudeerd. Niet getreuzeld.’

En wanneer begon je het hardlopen serieus te nemen?

Bij boerderij in De Lutte‘In Ierland werkte ik op een gegeven moment in een restaurantje. Na het werk dronken we vaak iets in de pub om vervolgens, moe en belabberd, naar huis te gaan. De volgende dag moest ik me pas aan het einde van de middag weer melden dus ging ik ’s ochtends een stukje hardlopen om mij weer iets fitter te voelen. Al snel liep ik hele stukken en ik merkte dat het me niet veel moeite kostte.  Toen ik begon te studeren was er bij het ziekenhuis waar ik stage liep de jaarlijkse AMC-loop. Na drie weken trainen liep ik daar 10 kilometer in veertig minuten. Ik keek er zelf wel van op en dacht: als ik hier nou eens mijn best voor ga doen, zou ik misschien een goede hardloper kunnen worden. Ik sloot me aan bij Phanos, de atletiekvereniging, en daarna werd het… nou, een obsessie wil ik niet zeggen, maar het werd wel steeds belangrijker voor me.’

Waarom wil je dat woord niet gebruiken?

‘Het is deels obsessief – elke dag trainen – maar het is ook een manier van leven geworden. Ik kreeg al snel, tijdens mijn co-schappen, een doel: de marathon lopen. Voor mij is het logisch om daarvoor vroeg op te staan, te trainen, te werken, thuis te komen en weer te gaan trainen. Dat is mijn levenspatroon op dit moment. Het geeft, naast het werk, ook richting aan mijn leven. Nadat ik hier, in Enschede, de marathon in 2:29:55  had gelopen dacht ik mijn doel bereikt te hebben. Ik kon wel stoppen. Maar na een paar weken begon ik me ongelukkig te voelen. Ik kwam thuis van mijn werk en ging… ja, wat moest ik nu doen? Lezen? Ook leuk, maar toch… Ik besloot weer te gaan lopen en een half jaar later liep ik weer een marathon. Sindsdien ben ik marathonloper.’

Heb je nu een bepaald doel?

‘Snellere tijden. Vorig jaar sprak ik Hugo van den Broek. Hij zei: “Over een paar jaar loop je misschien wel onder de 2:20.” Absurd, dacht ik – mijn record was op dat moment 2:28 – maar in het najaar liep ik makkelijk 2:24 en haalde brons bij het Nederlands kampioenschap. Brons! Als twee mensen niet hadden meegelopen had ik goud gehad. Dat is misschien ook wel een drive: goud halen. En onder die 2:20 komen.’

Hoe zit het eigenlijk met die gedachte dat je iets nuttigs moest doen? Hardlopen lijkt me nog zinlozer dan pianospelen, eerlijk gezegd.

‘Dat speelde toen: iets voor de wereld betekenen. Ik heb ook gedacht dat ik tropenarts wilde worden, maar dat idee heb ik losgelaten nadat ik de tropen had gezien. Ik heb vier maanden in Malawi gewerkt en daarvoor nog vier maanden in een lepra-ziekenhuisje in Nepal. Als student ben je in ontwikkelingslanden – zelfs met een studieschuld van hier tot Tokio – een rijk mens. Iedereen ziet je  als een rijke blanke, daar moet je mee kunnen leven. Bovendien moet je kunnen werken met beperkingen: die wereld draait anders. Er is een andere moraal. Het werk wordt sneller neergelegd, mensen komen te laat, afspraken gaan niet door… In Malawi worden doktoren en verplegers die voor een project van Artsen Zonder Grenzen – werken, beter betaald dan het personeel van een regeringsziekenhuis. Als je voor een schijntje moet werken, doe je minder je best. Het is niet alleen onwil. Het zijn ze omstandigheden. En je kunt er weinig aan veranderen. Iedere tropenarts knokt daarmee. Ik heb gemerkt dat die artsen vaak een enorme drive hebben; ze gaan erheen om dingen aan te pakken, zaken structureel te veranderen. En al snel blijkt er veel minder mogelijk dan ze hadden gedacht.’

Dus je hebt die ambitie laten varen?

‘Ik vraag me af of ik iets kan toevoegen. Hier, in Nederland, is één op de driehonderd mensen arts. In Malawi heb je één arts voor vijftigduizend mensen. Er zijn dus enorme tekorten en dan is er ook nog eens een enorme braindrain: Afrikanen worden vanuit Engeland aangetrokken. Ik begrijp het wel. Ze zullen de kans om als arts in het westen te gaan werken niet laten liggen, maar het is wel een ramp voor het land waar al zulke grote tekorten zijn. Volgens mij ligt daar ook de oplossing: je moet in de ontwikkelingslanden zelf meer artsen opleiden. Ik wil met de kennis en de ervaring die ik hier opdoe misschien over tien jaar weer die kant opgaan, om te helpen in het onderwijs.’

In Malawi kreeg je van een van de doktoren in het ziekenhuis een bijnaam: Chimwemwe.

‘Happiness. Ja, ik ben iemand die altijd gelukkig is. Ik lach veel. Ik weet niet hoe dat komt. Ik hou van mensen, ik vind het leuk om mensen te leren kennen. Als ik vrij ben, ga ik graag naar Het Bolwerk. Soms ga ik er gewoon heen om een boekje te lezen, ik vind het prettig om mensen om mij heen te hebben. Zeg, zullen we er nu even naartoe lopen?’

Op weg naar het café praten we verder over Malawi, waar hij het hardlooptalent Francis Khanje leerde kennen, waar hij iedere dag ging lopen zodra de zon opkwam. Eenmaal aan de stamtafel komt de liefde ter sprake – omdat ik meende dat ik op zijn website had gelezen dat Thijs verschillende keren hopeloos verliefd was geweest.

De Denker‘Heb ik dat echt geschreven? Ook op dat terrein ben ik gelukkig. Ik heb een lieve vriendin. Ik ken haar van de atletiek. Ze is fysiotherapeut en bewegingswetenschapper. Ze heeft een geweldige drive, wil continue bezig zijn. Als ik bij haar ben, en een keer geen zin heb om ’s ochtends vroeg op te staan voor een training, schopt zij me eruit.’

Je hebt vooral soortgenoten om je heen. Is het een bepaald type, de hardlopende mens?

‘Een specifieke diersoort, bedoel je? Ja, in zekere zin heb je gelijk. Op een of andere manier zijn mensen die hardlopen voor mij makkelijker te begrijpen. Ze durven, net als ik, iets te doen wat ogenschijnlijk nutteloos is; iets waar je vooral zelf plezier aan beleeft. En iedereen is bezig met zijn eigen droom: de tien kilometer binnen veertig minuten, een marathon lopen, noem maar op.’

Dat is wat jullie gemeen hebben: de wens om zo snel mogelijk van A naar B te komen.

‘Ja, maar het is niet zo dat we door die tijden gedreven worden. Tijd is nu eenmaal het enige houvast. Voor niet-hardlopers zijn het maar getalletjes. En het is natuurlijk relatief. Als het je lukt om die tien kilometer binnen veertig minuten te lopen, wil je die afstand daarna binnen de vijfendertig minuten lopen. Het is een kapstok.’

Waar denk je aan, als je loopt?

‘Als ik een wedstrijd loop, denk ik aan tijden en doorkomsten, maar ook aan de volgende bocht in het parcours. Aan diepe gedachten over de zin van het bestaan kom ik eerlijk gezegd niet toe. Zelfs die rekensommetjes – hoeveel moet ik versneller om rond die tijd te kunnen finishen? – zijn op den duur overigens teveel gevraagd. Het helpt wel als er iemand met schema’s naast je fietst.’

Wat helpt er nog meer?

‘Veel mensen langs de kant. Als ik door een publiek word aangemoedigd, loop ik op vleugels. Soms is een haas ook handig; iemand die ervoor zorgt dat je niet te snel van start gaat.’

En doping?

‘Nee!  Ik ken niemand die doping gebruikt. Natuurlijk: er gaan wel verhalen rond over Epo, maar ik kan me niet voorstellen dat je daar makkelijk aan komt. Ik schrijf het voor bij nierpatiënten.’

Dus voor jou is het geen probleem om…

‘Dan heb ik wel heel wat uit te leggen bij de apotheek. Nee. Kijk, het is heel eenvoudig: die middelen zijn eerst in dierenmodellen uitgewerkt, toen het beloftevol genoeg was, werd het op een zieke populatie mensen getest. Testen op een gezonde populatie is niet ethisch. We weten dus niet wat het gebruik van Epo bij een hardloper doet. We weten niet wat de risico’s zijn. Bovendien is het niet eerlijk. Als jij gebruikt en ik niet, voeren we geen eerlijke strijd meer. Ik slik, af en toe, vitaminetabletten. Dat vind ik al extreem genoeg. Ik zal niet tot diep in de nacht uitgaan en veel bier drinken. Rond elf uur is het voor mij welletjes. Dat betekent dat ik me bepaalde dingen moet ontzeggen, maar ik geloof niet dat de sport mijn leven beheerst. Je ziet dat ik hier gewoon een stuk appeltaart bij mijn koffie neem.’

Toe maar, appeltaart! Wat een uitspatting.

‘Het klinkt misschien een beetje saai, maar er staat veel tegenover. Ik ga vroeg naar bed, maar ik ben de volgende dag wel lekker fris. Heerlijk, buiten, in de natuur rond rennen. Ik vond uitgaan vroeger best leuk, maar ik weet dat ik op den duur alleen nog maar bleef omdat ik niet als eerste weg wilde gaan. Die tijd heb ik wel gehad.’

Over tijd gesproken: heb je haast?

Bos Lutterzand‘Ja, ik ben gretig, kom altijd tijd te kort. Veel plannen, veel te doen. Ik moet onder die 2:20 zien te komen. Ik zou graag in de Nationale ploeg terechtkomen, één van de vier of vijf mensen zijn die in een oranje tenue voor het land loopt. Dat lijkt me een enorme eer. Maar dan moet ik eerst, na de Europese Kampioenschappen, 2:18 kunnen lopen. Het zou kunnen…

En je ambities in de artsenij?

‘Ik wil internist-infectioloog worden. Infectieziekten, dat is zo’n beetje mijn hobby. Ouderenzorg is belangrijk, maar jonge mensen beter maken: dat maakt voor mij het vak geneeskunde mooi. Daar is, zeker in ontwikkelingslanden waar grote infectiegerelateerde problemen zijn, nog  heel veel winst te behalen. Ik heb inmiddels een gesprek gehad met professor Hoepelman van het Universitair Medisch Centrum in Utrecht; ze hebben daar een leuke setting om onderzoek te doen. Hoepelman is ook een sporter – als waterpoloër behaalde hij in 1976 brons bij de Olympische Spelen – dus het klikte meteen. Presteren. De lat hoog leggen. Dat zijn zaken die me wel aanspreken. Nu werk ik nog als zaalarts, met onregelmatige diensten. Daar, in dat traject, werk ik gewoon acht uur per dag. Dat maakt de combinatie met het hardlopen een stuk makkelijker.’

Hoe zit het eigenlijk met je oude idealen? Schrijver? Concertpianist?

‘Pianospelen, dat kan ik er nu niet bij hebben. Als ik bij mijn ouders ben, speel ik nog graag een stuk van Beethoven of van Mendelsohn, maar als ik mijn spel op peil wil houden zou ik het veel vaker moeten doen. En schrijven… tja, je hebt mijn website gezien: ik schrijf weleens een stukje. Ook voor hardloopsite ‘Losse Veter’ heb ik een paar columns geschreven. Ik doe het tussen de bedrijven door. Niet hoogstaand, wel leuk. Op den duur zou ik er wel tijd voor willen nemen. Vooralsnog droom ik er vooral over. Dat mag toch ook?’

tekst: Arjan Visser

foto’s: Jannemien Bosman

(2009)