Van de vele hardlooproutes vanaf ons huis, is die door Luolavuori verreweg de mooiste.Via parken en rustige straatjes is het zo’n twee kilometer naar het pad dat door de ruige natuur kronkelt, over pittige maar niet al te hoge heuvels, naar de rand van de archipelo. Daar, aan de oever van de zee, is de bodem van het bos bezaaid met bloemen. Het is de zonnige zijde van een heuvel, en dus de juiste habitat voor de bosanemoon. In het veld van bekoorlijk wit fonkelen paarse diamanten van het leverbloempje. Even verderop ontvouwt de Oosterse Sterhyacint haar bloem zodra ja haar haar duitse naam toefluistert, Sibirischer Blaustern, als een vrouw die haar prille volwassenheid ontdekt. Dan draait het pad weg van de zee, het land weer in, door het oeroude bos waarvan de rotsen zijn bekleed met een grauwgroen mostapijt en waar zwarte poelen hun geheimen koesteren. De roep van de koekoek wordt beantwoord door het geroffel van de specht. Dit zijn de velden van Tapio, de oude bosgod, die hier nog altijd rondwaart. Hij is het, die je ‘s ochtends met de lokroep van de vinkenslag wekt en je uitnodigt zijn paden te verkennen.
Hoppee ei oo häppee
(wedstrijdverslag) Wederom een bijzonder hardloopmoment: voor het eerst sinds de tweejarige blessureperiode mocht ik weer eens een podium beklimmen. Samen met meer dan tweeduizend andere hardlopers stond ik aan de start van de Länsiväyläjuoksu, een wedstrijd over 17,4 kilometer in Espoo, praktisch in de achtertuin van winnaar Jussi Utriainen (momenteel één van de beste Finse hardlopers, met een PR van 1u02 op de halve marathon). Het eerste deel kon ik mooi met Jussi aan kop gaan, maar met de downhills verloor ik telkens vele meters die ik heuvelop weer moest goedmaken. Na tien kilometer brak dat me op en moest ik me laten terugzakken, om uiteindelijk met driekwart minuut achterstand te finishen. Toch nog goed voor een tweede plek: hoppee ei oo häppee (zilver is geen schande). De tijd (59min) zegt niet zoveel, vanwege het parcours maar ook vanwege mijn trainingsprogramma dat gericht is op de marathon van Kopenhagen, in 28 dagen tijd. Jussi liep overigens een dag eerder nog de halve marathon.
Lente
Aan de schaduwkant van de heuvels liggen her en der nog tot ijs geperste sneeuwresten als korsten van de winter, maar verder is de sneeuw verdwenen. Moeder aarde is tevoorschijn gekomen, nog bedekt met half verdorde bladeren van de afgelopen herfst: die zijn in de kou goed geconserveerd. De lijsters kwinkeleren je de oren van de kop, en het is licht van vijf uur ‘s ochtends tot na tienen in de avond. Een paar honderd meter verderop is de Aura-rivier, tot voor kort een witfluwelen ijstapijt, veranderd in een kolkende massa op weg naar zee. Het is slechts aftellen tot het ontluiken van de bosanemoon!
Betovering
Aan de overkant van de straat probeert een vrouw zich op naaldhakken vooruit te werken over de met ijs bedekte stoep, op weg naar een zaterdagavond in één van de kroegen in het centrum van Turku. Zelf neem ik de voetbrug en vervolg mijn weg langs de kade van de rivier, met benen die nog stijf zijn van de zware tempotraining in de ochtend.
Het is windstil – het waait bijna nooit in wat bekend staat als de meest winderige stad van het land. De dikke ijslaag op de rivier kermt en kraakt, angstig voor opnieuw een koude nacht, en vanuit de scheepswerf aan de overkant van de rivier klinkt een dof gezoem. De kranen van de werf steken als reusachtige marionetten af tegen de diepblauwe avondlucht. Rechts daarvan werpt de schemering een violette gloed over de laatste resten sneeuw op de rotswand. Even verderop ligt het kasteel, wakend over de toegang tot zee.
Bij de Suomen Joutsen hou ik stil om het tafereel op me te laten inwerken. Het wordt pas laat donker, dus de winter loopt ten einde. De dagen lengen gewillig als een elastiek, om, naar de wet van Hooke, in juni de rekening van de opgebouwde trekkrachten te presenteren. Nu, begin april, loopt de temperatuur overdag op tot zo’n vijf graden boven het vriespunt, maar de nachten zijn nog koud.
Twee weken geleden liep ik in Venlo mijn eerste halve marathon sinds lange tijd. Gezien de stevige wind was ik tevreden met de 1u11 die ik er liep. Momenteel train ik anders dan in het verleden, met slechts twee echte tempotrainingen per week. Ik neem dus meer rust maar kan met de snelheidstrainingen dieper gaan dan ooit tevoren: kwaliteit boven kwantiteit. Eeva liep er ook, en met 1u18 was het voor haar een geslaagd debuut. Uit ontzag voor de afstand durfde ze pas in de laatste kilometers aan te zetten, dus wie weet zit er binnenkort meer in. Over twee weken loopt ze opnieuw een halve marathon, en zelf zal ik in mei aan de start staan van de marathon van Kopenhagen.
Ik keer weer terug richting de stad, langs de nog altijd kreunende rivier. Aan de kade ligt een oude driemaster aangemeerd, maar voor de rest is de haven verlaten. In de vaargeul in het midden van de rivier drijven levensgrote ijsschotsen met vlijmscherpe randen. De sneeuw op de rest van het ijs is deels gesmolten en weer opgevroren, waardoor de rivier wel van matglas lijkt. Daarboven vliegt een meeuw in de richting van de zee, zonder acht te slaan op mijn groet. Ieder zijn eigen weg…
Als deze avond een schilderij was, zou het kitsch heten, maar de werkelijkheid is betoverend.
Noorderlicht en maneschijn?
Splat! splat! Splat! splat! Mijn plenzende passen door de ijsplassen op het fietspad echoën tegen de kale rotswand – maar dat is dan ook het enige bekoorlijke aan de duurloop van vandaag. Met een intermezzo van een paar dagen dooi heeft de winter haar spierwitte elegantie ingeruild voor grauwe somberheid en zijn de paden veranderd in ijsplassen. Nee, in de Finse winter is niet alles noorderlicht en maneschijn.
Geef mij dan maar die nijpende vrieskou van verleden week. Eeva en ik verschenen als enigen aan de start van een lokaal wedstrijdje; vanwege de kou was de race afgelast. Met vijfentwintig graden onder nul was het inderdaad wat fris, dus besloten we er een training van te maken en stuurden we de opgedraafde man van de organisatie naar huis: hij hoefde niet te bevriezen om onze tijden te registreren. Na de tempotraining liep ik naar huis, Eeva reed met de auto achter me aan om eventuele afgevroren ledematen op te rapen.
Of die duurloop enkele dagen later: vanaf ons huis kan ik in ruim twintig kilometer een mooie ronde maken over Hirvensalo, het eerste eiland van de archipel bij Turku. Het bevroren lichaam van de Baltische zee lag roerloos onder de gloeiende dageraad – hoewel ik het liefst had ingehouden om dit gracieuze stilleven op mijn netvlies te branden dwong de hardloper in me mij verder te gaan; de eenzame weg die over het glooiende eiland was uitgeslingerd had nog meer moois te bieden. Op de terugweg had ik de zon in mijn rug; ik volgde de tientallen meters lange gedaante van mijn schaduw die als een monster voortkroop over de ijsweg waarop een voetbreed zandspoor net voldoende grip gaf om te lopen. Over de heuvels, langs de glooiende hellingen waar roggevelden onder een dik winterkleed lagen te wachten tot de lente hen zou wekken.
Over de kou gaan afschuwelijke verhalen rond: een hardloper die tijdens zijn training eens in zijn oor kneep en tot zijn afschuw bemerkte dat de oorlel bij de aanraking afbrak en aan zijn handschoen bleef plakken. Of de ijsblaren die als heroïsche tatoeages je gezicht kunnen misvormen.
Toch is het niet de kou die ik vrees, noch de sneeuw die door de weggebruikers tot een vaste massa is samengeperst, maar juist de dooi. Voor het eerst in maanden glijd ik vandaag onderuit, juist onder toeziend oog van twee wandelaars terwijl er kilometers lang geen levend wezen te bekennen was geweest. De bloedende schrammen op mijn handen en enkels deren me minder dan de gêne. Dan ben ik dus toch nog een mens…
Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie april 2013
Verleidingen
Het is maandagochtend, ik zit aan het bureau voor het raam dat uitzicht biedt over het park. De gedachte aan een hele dag hardlooprust maakt me duizelig. Ik speur de verse sneeuw af naar mijn vriendje Orava, zoals ik de eekhoorn noem. Ze zijn met zijn tweeën, maar ik kan ze niet uit elkaar houden dus noem ik ze bij dezelfde naam.
Een paar weken geleden waren Eeva en ik naar Nederland overgevlogen voor een wedstrijd. Hoewel het fijn was familie en vrienden weer te zien voelde ik me een week lang opgejaagd door de drukte op straat, in de supermarkt en in de trein. Na de wedstrijd, waar Eeva de beste Finse jaartijd liep en ik definitief afrekende met twee jaar blessureleed, stapten we dan ook opgelucht op het vliegtuig dat ons terug zou voeren naar het vredige noorden.
In de appelboom zitten twee dikke pestvogels. Voor ze er een hap van nemen schudden ze de sneeuw van de verschrompelde vruchten die al maandenlang aan de takken tooien. Verder houden ze zich rustig, kijken bedaard om zich heen alsof er een hoop te bespeuren is. Maar dat is niet zo: vannacht is er veel sneeuw gevallen, de wereld houdt zich plechtig stil in haar maagdelijke japon.
Gisteren liep ik een ronde van vijfentwintig kilometer. Het was een heerlijke training, nog vol van de heftige tempotraining een dag eerder deed ik het rustig aan. Halverwege kwam ik een man tegen die een zwijntje aan het uitlaten was. Het dier liep gedwee aan de lijn met zijn baasje mee over het wit besneeuwde pad. Volgens Eeva is dit ook in Finland geen gebruikelijk tafereel.
Op twintig meter van ons raam loopt het pad door het park dat al vroeg in de morgen beloopbaar wordt gemaakt, waar vele joggers en hardlopers dankbaar gebruik van maken. Iedere paar minuten komt er weer iemand langs, de één zwoegend, de ander met vederlichte pas. Het is een prettig gezicht en het maakt me gretig naar morgen, als ik weer twee trainingen mag afwerken.
Daar zijn ze dan, de eekhoorntjes. Vliegensvlug klimmen ze achter elkaar aan de hoge den in. Met zachte ploffen vallen handenvol sneeuw van de bewegende takken op de grond. Brutaal kijken mijn vriendjes me van hoog in de boom aan. Ook de pestvogels bewegen zich nu, springen van de ene naar de andere tak, alsof ook zij me proberen uit te dagen mijn hardloopschoenen aan te trekken. Maar neen, daar trap ik niet in. Een atleet moet soms verleidingen weerstaan, morgen mag ik weer!
Kristallen
Dat sneeuw wit zou zijn is een leugen. De opkomende zon projecteert haar eclatante kleurenspel op het besneeuwde meer bij Jyväskylä. We lopen met zijn vieren, tweelingzussen met aanhang, een rondje om het meer. Verschillende lagen kleding en vaseline op het gezicht – ieder probeert zich op zijn eigen manier tegen de kou te weren. Het kwik is blijven steken op vijfentwintig graden beneden het vriespunt, de adem bevriest in je gezicht. Een witte baard van sneeuwkristallen plant zich in de stoppels van mijn ongeschoren kin.
De zon, die halverwege de ochtend aarzelend over de kim komt kijken, zal een paar uur later weer onderduiken. Het is haar te koud, ze heeft hier niets te zoeken.
De aanblik van het besneeuwde meer en de spectaculaire zonsopgang is niet voldoende, ik versnel uit het groepje om me te warmen aan mijn eigen cadans. Gelukkig is het windstil; honderden berken staan als maagden getooid in hun ijskoude bruidsjurk roerloos langs het parcours. Als ik eenmaal in mijn eigen ritme loop en het hardlopersbloed door de aderen bruist is de kou zo uit mijn vingers verdrongen. Om te voorkomen dat bevroren zweet mijn vingers zal doen verklampen gaan zelfs de handschoenen uit.
Ondanks de soms spekgladde weg verhoog ik mijn tempo, de kilometertijden dalen tot onder de vier minuten. Hardlopen over ijs is te leren, ook voor mensen uit Lintukoto, het mythische warme oord waar de trekvogels overwinteren: deze winter ben ik pas één keer echt uitgegleden.
Als ik omkijk zijn mijn loopmaatjes uit het zicht verdwenen. In mijn eentje loop ik door de wereld van bevroren tranen; onder de koude grond wacht de lente als een vlinder in zijn cocon. Boven de ijslaag lijkt alles levenloos, behalve de rode rimpels van het zonlicht op de wolken.
En ik? Is het niet wonderlijk dat mijn benen blijven bewegen, dat mijn bloed blijft stromen terwijl rivieren bevriezen? Zou het niet veel logischer zijn als dat bloed zou veranderen in rode ijspegels, verpakt in een wand van bevroren vlees en botten die bij het aanbreken van de lente als een sneeuwpop in elkaar zou zakken? Misschien is de hardlopende mens wel één van de grootste wonderen van het leven. Na thuiskomst gaan we naar de sauna. De kristallen ontdooien, verdampen en condenseren op het glazen raampje dat de hitte scheidt van de besneeuwde buitenwereld. Dit is het leven: water in al haar verschijningsvormen. Stoom, zweet, tranen, sneeuw en ijs.
Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie maart 2013
Lunatisme
Ik ben niet alleen. Er is de maan, en er zijn de gestalten van de bomen die de houthakker hebben weten te ontlopen. De weg spekglad van het ijs, behalve op een voetbrede strook aan de rand van de berm. De uil in het bos en de wielrenner naast me zijn slechts verbeelding, ik heb ze in het leven geroepen om me te vergezellen zolang de weg geen straatlichten kent.
Iedere hardloper die ‘s winters de buitenwegen kiest kent de vier gedaanten van de maan. In het eerste kwartier geeft ze nauwelijks licht maar wint in de loop der dagen haar kracht. Het tweede kwartier is ze oppermachtig. De loper heeft geen kunstmatige lichten nodig om door het bos te rennen – de zilveren schijf aan de hemel volstaat. Maar kort nadat Luna zich in haar volle naaktheid heeft getoond, laat ze in het derde kwartier ’s avonds steeds langer op zich wachten, om in het vierde kwartier alleen ’s ochtends nog aan de hemel te verschijnen, haar krachten sparend voor de wedergeboorte.
Twee weken geleden liep ik door het volstrekt donkere bos. Het was één van die avonden dat de maan liet afweten. Het bospad voerde langs een verlaten huisje waarin zomaar een moordenaar kon wonen, mijn verbeelding liet me ook toen niet in de steek. Juist op het moment dat ik mezelf moed insprak, vloog een schaduw over het pad. Een schaduw die nog veel donkerder was dan de nacht. Geschrokken draaide ik me om en schakelde wel drie versnellingen hoger, terug naar het laatste straatlicht bij de akker, op de voet gevolgd door een bloeddorstige moordenaar in het bos. Aan de rand van het bos hield ik in – buiten adem was ik. En de haas, want die was het, waarschijnlijk ook. Op gepaste afstand lachte hij mij uit. Dat was toen, maar nu, in de verte, de dreigende zoeklichten van een naderende auto, die naar links en rechts draaien al naar gelang de bochten in de weg. Plots word ik erdoor verblind. Als ik even later weer alleen ben met de maan en de uil en de wielrenner die in een hert is veranderd begrijp ik ineens waarom zij zonder eigenliefde zich binden aan pooiers en mishandelaars, want liefde is als licht en als je aan de duisternis gewend raakt kan helder licht weleens teveel zijn en hetzelfde geld vast ook voor de liefde.
Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie maart 2014
Succes in Schoorl
Het is zes uur in de avond – tussen de talloze mensen op de luchthaven van Amsterdam bestellen twee een kopje koffie om een mooi weekend te bekronen. Een paar uur eerder liepen ze samen de Groet uit Schoorl-run, een wedstrijd over tien kilometer door het mooiste duingebied van de wereld. De één, de Finse Eeva Sajanti, liep een dik persoonlijk record en finishte in 35’07 tussen de beste dames. Het is vooralsnog de beste Finse jaarprestatie. De ander, ikzelf, liep precies 2 minuten harder maar bleef ook twee minuten van zijn persoonlijk record verwijderd, toch is ook hij dik tevreden omdat de wedstrijd het einde markeert van twee jaar blessureleed.
- Finnish Finish. Eeva gefotografeerd door Erik van Leeuwen (www.erki.nl)
Het is dan ook niet moeilijk voor te stellen dat de twee gelukkig zijn. Toch zijn het niet per se de prestaties die het stel gelukkig maakt. Het is een voorrecht om een gezond lichaam te hebben, samen een wedstrijd te lopen en ‘s avonds terug te vliegen naar het land waar je woont.
Ik verlang terug naar Finland. Een week lang ben ik in Nederland geweest. Hoewel het fijn was om familie en vrienden te ontmoeten voelde ik me er opjegaagd. Zoveel mensen, zoveel nodeloze woorden, op straat, in de bar, in de supermarkt en in de trein. Geef mij maar het rustige tafereel van de twee eekhoorntjes in de sneeuw: altijd weet ik ze te vinden als ik de gordijnen openschuif. Of de pestvogel met de gele rand op zijn staart, die met een handig gebaar de sneeuw van de tak schudt voor het een hapje neemt van de verschrompelde vruchten aan de appelboom.
- Lachend over de finish, door Erik van Leeuwen (www.erki.nl)
Maar vandaag dus die eerste echte wedstrijd in twee jaar. Omdat ik de dagen tevoren wat last had van de peesplaat op de dij deed ik het voorzichtig aan. Met achttien kilometer per uur liep ik mee, na een kilometer haalde ik Eeva en haar zus in, een kilometer later Reina Visser en weer een kilometer later bereikte ik een groepje met onder anderen Michiel Snuverink. Zo liep ik genietend van het prachtig besneeuwde duingebied en durfde ik op het laatst nog iets aan te zetten om zeker te weten dat ik de geplande 33’20 zou halen.
De koffie is op. Ik pak Eeva’s hand vast en we lopen naar de terminal. Als we in Helsinki aankomen moeten we middernacht nog op de bus stappen die ons in drie uur naar huis zal brengen. Morgen zie ik de eekhoorntjes weer!
De vos en de sneeuwstorm
Gisteren zag ik een vos. Het was al donker; ik liep over een weg bij de haven, waar de ijzige oostenwind vrij spel had om de poedersuikersneeuw door de straten te jagen. Een fietser kwam me tegemoet. Plotseling wendde hij het gezicht af; iets moet zijn aandacht hebben getrokken. Ik volgde zijn blik en zag ‘m, de vos. In dribbelpas stak hij stak de straat over, niet zo schuchter als je van een vos zou verwachten. Zijn pels was ook niet zo mooi roodbruin en wit als op prenten; de grauwe wintervacht glansde in het flauwe licht van de straatlantaarn. Aan de overkant van de weg verdween hij achter de struiken in het park. Hij liet zwarte sporen na in het flinterdunne laagje sneeuw op straat.
De eerste sneeuw was binnen een week gesmolten, de winter had een waarschuwing gegeven. Nu, een maand later, is de wereld er klaar voor: auto’s en fietsen zijn van winterbanden voorzien, er hangen kerstlichtjes in de winkelstraten en in het oosten van het land zijn de beren aan hun winterslaap begonnen. Ook de pestvogel is nu uit de boom voor ons huis verdwenen; alleen de goudvink en koolmees doen alsof er niets aan de hand is.
Vannacht is de wind tot storm aangezwollen en is er een dik pak sneeuw gevallen. Met een echte lumimyrsky (sneeuwstorm) is de winter nu werkelijk begonnen. De temperatuur daalt de komende dagen tot ruim tien graden onder nul. Zolang het nog geen min twintig is mag ik niet klagen, zeggen de Finnen.
Dankzij de kleine steentjes die overal worden gestrooid zijn de wegen en paden nog goed begaanbaar. Ook voor hardlopers. Alleen mijn favoriete route door het bos is vanaf nu het terrein van langlaufers. Het is het pad dat naar de rand van de Baltische kust leidt, waar ’s werelds grootste archipel je het uitzicht op de open zee ontneemt. In plaats daarvan zal ik me moeten vermaken op de straten door de stad, langs de rivier en de haven. Over een paar weken zijn de meren, rivier en misschien wel de zee bevroren. Dan zijn er ineens een hoop nieuwe hardlooproutes.
De vos had me niet gezien. Wat een vreemde plek voor een vos trouwens, bedacht ik me. Leefde hij niet in het bos, verscholen tussen de varens? Misschien dat de kerstlampjes ook voor hem de kou verzachtten. Hoe dan ook, het was een bijzondere vos: een stadsvos. Of een havenvos misschien.
Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie februari 2017




