Roofbouw?

Afgelopen week las ik ergens op internet het verslag van een jonge ultraloper waarin die beschrijft hoe hij de Nederlandse kampioenschappen 100km wist te winnen. Een oud-ultraloper, die het verhaal schijnbaar met enige afgunst had gelezen, of toch tenminste zijn eigen mening van groot belang achtte voor de nakomende generaties (want: het échte leven speelde enkele decennia geleden, toen er nog geen mobieltjes waren en de postbode fluitend aan de brievenbus verscheen), nam de moeite om de jonge ultraloper te waarschuwen: ‘je pleegt roofbouw op je lichaam’.

Bestaat er een hardloper die dat woord nog nooit naar zich toegeslingerd heeft gekregen? Toen ik de reactie van de oud-loper las, moest ik terugdenken aan twee jaar geleden. Ik bevond me op een onderzoekstafel op de polikliniek orthopedie van het UMC Utrecht. Tegenover mij zaten een beroemde hoogleraar en zijn assistent. Tussen hen en mij bevond zich mijn rechterbeen, inclusief de pijnlijke knie die me hardlopen en zelfs wandelen belette. Op het computerscherm een MRI-beeld van dezelfde knie, met een hoop vocht in het bot.

– Hoeveel kilometer loop je normaal gesproken hard?

150.. (ik loog: 180 was mijn weekgemiddelde)

En nu fiets je, zeg je. Hoe vaak? En hoe hard?

Iedere dag wel een beetje. 35 per uur.

De professor keek zijn assistent aan: Dat is toch niet normaal!

Ik deed mijn best om mijn ergernis te verbergen. Wat is normaal? 60 uur per week werken, zoals die man tegenover mij?

Dat hardlopen, daar hoef je niet meer aan te denken in de toekomst, dat is over. En dat fietsen van je: ook dat kun je maar beter minderen. Je pleegt roofbouw op je lichaam. Fiets eens gewoon als een normaal mens.

Bedoelt u… Is dit einde carrière?

Wat nou carrière?! Je bent toch arts, dát is je carrière!

Zo ging het daar, op de polikliniek. Maar zo gaat het ook in de rest van de wereld: mensen keuren andermans levenstijl af. Zo gaat het tussen christenen en moslims, tussen rokers en sporters, links en rechts, dokter en patiënt, en dus ook tussen ultralopers onderling. Het woord ‘roofbouw’ leent zich uitstekend om met een zekere schijn van goedwillendheid (het is tenslotte een gratis advies) andermans leefstijl af te keuren. Het hilarische was dat de jonge ultraloper waarschijnlijk voor het eerst in zijn leven hoorde dat niet het hardlopen zelf, maar juist de rest van zijn leven (af en toe een sigaretje, eens een avondje flink dronken geworden) als roofbouw werd bestempeld. Of in elk geval: de combinatie van de zaken.

Ruisrääkki 1/2 marathon, op het parcours van mijn geliefde donderdagtraining op het eiland Ruissalo
Ruisrääkki 1/2 marathon, op het parcours van mijn geliefde donderdagtraining op het eiland Ruissalo

Twee jaar na het consult bij de orthopeed pleeg ik met veel plezier die andere vorm van roofbouw: hardlopen. Nadat een andere dokter mijn knie had geopereerd, kon ik na verloop van tijd weer wandelen en op een gegeven moment zelfs hardlopen. Inmiddels train ik weer dagelijks, luister niet naar hartslagmeters maar loop puur op gevoel. Vorige week liep ik een hele marathon en deze week volgde een halve, en dat allemaal in voorbereiding op een andere marathon in oktober: die van Amsterdam.

Alle godsdiensten in de wereld samen bieden me nog niet genoeg goden om voor op de knieën te vallen, ik dank ze allemaal bij iedere kilometer die ik loop. Mijn lichaam is het wapen van mijn leven, en ik beslis zelf wat roofbouw is. Amen.

Marathon & joy

Anno 2013 gaat alles anders: Rusland verleent asiel aan Amerikanen, Nederland levert gas aan een Syrische tiran om zich tegen zijn onderdanen te weren, en mijn eigen marathonvoorbereiding kenmerkt zich door flexibiliteit en plezier. Zeker, plezier heb ik altijd gehad in mijn trainingen, maar het was af en toe wel wat eenzaam. In mijn eentje jakkerde ik over de Twentse wegen, of doorkruisde ik de Utrechtse heuvelrug, blij als ik eens een ree tegenkwam.

Hier, in Finland, word ik niet alleen opgejaagd door beren en wolven, maar heb ik ook nog eens volop mogelijkheden om mijn trainingen met anderen te combineren. Twee tot drie keer per week train ik samen met maatjes van hetzelfde niveau: Matti, Jukka, Johannes of Heikki. En ‘s ochtends vroeg loop ik vaak een rondje samen met Eeva.

Gert-Jan & ik tijdens duurloop in het Finse merengebied (dank aan Freek).

Vorige week hadden we in Turku hoog bezoek. Gert-Jan Wassink, de zilveren medaillewinnaar (driemaal op NK 5000meter), was namelijk voor enkele dagen onze gast. De kans werd met beide benen aangegrepen door mooie duurlopen te doen in het merengebied van midden-Finland en langs de oever van de Aura-rivier in Turku. Tussen de trainingen werd de sauna opgewarmd en konden onze gasten vissen in het meer.

Door alle loopmaatjes en sparringpartners beleef ik nog meer plezier aan de marathonvoorbereiding dan tevoren. De trainingen gaan ook erg goed, maar ik maak minder kilometers dan in het verleden (dit jaar maximaal 170 in een week, in 2010 was dat nog 220km). Op zaterdag 14 september staat mijn eerste najaarsmarathon op het programma: de Finlandia marathon in Jyväskylä, tevens Finse kampioenschappen. Dan zal ik zien of deze manier van trainen goed voor me is.

Sauna

Rond midzomer zijn we weer in de hut aan het meer in midden-Finland. Ik kom er graag, al was het om de droeve roep van de parelduiker die laat in de avond over het slapende meer weerklinkt. Het is een kreet waarvan je hart haast overslaat. De roep wordt door een onheilspellende stilte gevolgd, tot een halve minuut later vanuit de verte een andere parelduiker antwoordt: gedeelde smart is halve smart.

Vanaf de hut is er één hardlooproute, maar na een paar kilometer over pittige heuvels split het weggetje. De weg naar rechts gaat kort maar steil omhoog. Linksaf biedt een geleidelijkere klim, maar die houdt meer dan een kilometer aan. De derde keus, de weg terug, is steil én lang. Kortom, bij de hut is het altijd aanpoten, een ontspannen duurloopje zit er niet in.

Bij terugkomst wacht de sauna. Ieder huis, zelfs ieder publiek gebouw bevat een sauna en de gemiddelde Fin maakt er minstens eenmaal per week gebruik van. De houtgestookte sauna bij de hut is me veel liever dan de elektrische waarover we in de stad beschikken. Traditiegetrouw neem ik een blikje bier mee naar binnen. Heerlijk ter koeling als de hitte in je gezicht slaat. We plukken een paar bladertwijgen van de berk en binden ze samen om ermee op je lichaam te kunnen slaan. ‘Vihta’ heet dat. De prikkelende geur van het bladgroen mengt zich met de hete dampen en dat zou heilzame effecten hebben.

De sauna is meer dan drie maal zo oud als het christendom, en nog veel heiliger ook. Zevenduizend jaar geleden bouwde men hier al ondergrondse rooksauna’s om de winter te overleven. Sindsdien is de sauna niet weg te denken uit dit land. De meeste ouderen zijn erin geboren – niet alleen vanwege de warmte, maar ook vanwege de steriliteit die er heerst: er is haast geen bacterie die zo’n hitte overleeft. In de sauna wordt het de stugge Finse volk week en ontluikt zijn psyche. Zo vertelde Rami, die behalve een vriend ook een gerespecteerd 800m loper is, in de sauna dat hij vader zou worden. Ook bij feesten wordt de sauna opgewarmd. Naakt zitten wildvreemden tegen elkaar aangeklemd, terwijl de berkenbladeren rondgaan. Als je geluk hebt, wilt een ander je even op de rug slaan, daar waar je zelf niet goed bij kunt. De één slaat hard, de ander zacht, maar iedereen ademt dezelfde lucht. En dat is allemaal doodnormaal.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, september 2013

Het bos

Soms is ze vrolijk – de lijsters kwinkeleren, en ze zendt meesjes die me nieuwsgierig komen begroeten als ik bij de esp stop om mijn bovenbeenspieren te rekken. Twee eekhoorntjes roetsjen speels langs de boomstam omhoog, haasten zich tot het uiteinde van een dun twijgje en springen dan, met hun staart als parachute, over op een andere boom.

Soms is ze verdrietig. Het lukt de zon niet om de mist te verdrijven. Gapende grotten en zwarte poelen openbaren duistere angsten, en de varens presenteren de tranen van de dauw die de ochtend is vergeten weg te poetsen. Haar triestheid is zo groots en intens, dat je er zelf troost in vindt.

Soms is ze statig. Een blanke wacht van berkenstammen staat stilzwijgend langs het pad waarop het naaldentapijt je passen dempt. De rotsen zijn bekleed met fluweel van eeuwenoude mossen, waarin piepkleine bloempjes als parels verzonken liggen. Zelf ben je slechts een vluchtige passant in de zaal waarin de odeur van eeuwigheid heerst.

Soms is ze eenzaam – de rauwe kreet van een kraai echoot in de peilloze diepte van haar ziel. De pijnbomen staan dicht op elkaar, strekken hun armen uit maar durven elkaar niet te strelen. Je hart brandt, je roept, rent de heuvel op, op zoek naar leven. Ze is overal om je heen, maar ook nergens. Je voelt de ogen van de lynx, die – zelf onzichtbaar – je gadeslaat, liever ziet dat je gaat.

Soms is ze verleidelijk. Haar boezem heeft ze met bosanemonen versierd en ze wenkt je met de lokroep van een vink in paringstijd. Een vlinder fladdert omhoog, langs de zonnestraal die de boomtoppen is doorgebroken. Er gonst een onhoorbaar lied van onvervuld verlangen in de zoete harslucht die tussen de bomen hangt. Ze is onbezonnen en wijs, potsierlijk en kaal. Ze is de dood en de eeuwige wederkeer. Het bos is een vrouw, dat weet ik zeker. Haar gemoed is veranderlijk, haar entourage elegant, en ze weet met haar gratie te bekoren. Het bos vormt de ziel en het geweten van de Fin; ze is meesteres en ze wordt bemind. Hardlopend verken ik de zomen van haar jurk, en stel mezelf voor dat ik haar bezit, dat ze slechts mij haar lichaam biedt. Met een zuchtje wind vertrouwt ze me haar geheimen toe; en met een tempoversnelling heuvelop antwoord ik haar: ik ook van jou.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie augustus 2013

Zomernacht

Midden in de nacht wandelen we vanaf de bushalte naar huis, langs het park dat geurt van de bloeiende esdoorns en olmen. Een paar dagen geleden droegen de bomen slechts bloesemknoppen, maar nu dragen ze hun weelderige bladerjurk. De maan, eerste kwartier, hangt scheef, hoog aan de schijnduistere hemel van de Scandinavische schemernacht. In de paar dagen tijd is de zomer ingezet, magistraal georkestreerd als een symfonie van Sibelius.

Hij had zich reeds aangekondigd, de zomer. Tijdens mijn duurloopjes ontdekte ik de afgelopen weken telkens nieuwe vogels, bloemen en af en toe zelfs een vlinder. Zo vond ik in het bos, aan de oever van de archipel, een bed van purperen leverbloempjes en parelmoerwitte bosanemonen, en de bermen kleurden diepblauw van de sterhyacint. De wereld maakte zich op voor haar jaarlijkse metamorfose. Toch overrompelt de plotseling weelderigheid van de natuur me, nu, bij terugkomst in Finland na een weekend in Kopenhagen.

Simultaan met de zomerse toverslag ben ook ik veranderd: ik ben weer marathonloper. Een langdurige knieblessure, waarvoor een operatie noodzakelijk was, heeft me twee jaar van de straat gehouden. In Finland kon ik het lopen weer oppakken. Struinend over de winterse wegen verzamelde ik de kilometers, en ademde ik de koude lucht die nodig was om de moed te voeden. In februari liep ik mijn eerste wedstrijdje weer, maar voor het echte werk, de hele marathon, moest ik van mijn verstand tot het najaar wachten.

Mijn gevoel zei echter iets anders. Dus meldde ik me in maart aan voor de voorjaarsmarathon van Kopenhagen, in gedachte houdend dat ik me altijd nog terug kon trekken. Twee dagen voor de wedstrijd leek het daar inderdaad op uit te draaien; ik had al dagenlang last van mijn rug waardoor ik nauwelijks kon lopen. Daags voor de wedstrijd verdwenen de rugklachten echter, alsof de goden op de Olympus ineens tot inkeer waren gekomen. Ik besloot mijn kans dan maar te grijpen.

Het pakte goed uit. Met hevige regen waren de condities loodzwaar en de laatste kilometers waren een fysieke martelgang, maar mentaal betekende het een verlossing. Hoewel ik met 2u34 ik ver van mijn persoonlijk record verwijderd bleef, brachten de laatste meters me waar ik thuishoorde: tussen de marathonlopers.

Een paar uur later vliegen we terug en middernacht komen we weer in Turku aan. De zomerparfums van de bloesems doen de blaren en spierpijn op slag vergeten: de zomer neemt bezit van mij.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie juli 2013

Fucking traffick

Als we na een uur dolen over de onverharde wegen in het meren-gebied van Midden Finland een auto tegenkomen, mompelt Eeva twee engelsklinkende woorden die niet door de spellingscontrole komen. En ze meent het. Ik ben het roerend met haar eens: waarom kunnen we niet lekker onze training afmaken zonder andere mensen tegen te komen? En wie haalt het in zijn hoofd om op deze mooie zomerdag in een stuk blik door het bos te razen?

Twee weken geleden werd hier een bruine beer gespot – stiekem hoopte ik ‘m zelf nog tegen het lijf te lopen, liefst zonder nare complicaties. Het leek me een geweldige belevenis om zo’n levensgrote knuffel te omarmen. In de geraadpleegde boekjes stond dat de meeste (navertelde) mens-beer ontmoetingen vreedzaam verlopen. In plaats van hard weg te rennen is het beter om de rust te bewaren. Lopend zou zelfs Usain Bolt geen schijn van kans maken, en bovendien wek je door te vluchten het jagersinstinct – ja, er bestaat zoiets als dierenpsychologie.

In plaats van de beer verschijnt er dus een auto, op een weg die zeer waarschijnlijk voor auto’s is aangelegd. Maar dat geeft ze nog niet het recht onze rust te verstoren, verdomme! Als de rust is weergekeerd, en onze hijgende adem zich met die van Tapio, de bosgod, mengt, realiseer ik me hoe mijn belevingswereld veranderd is. ‘Eén enkele auto tijdens een duurloop van een uur,’ laat ik me lachend ontvallen. Eeva kan er de lol niet van inzien: dit is ons bos, onze weg, onze training. Bovendien zijn we nog lang niet bovenaan de heuvel. Maar de berm staat vol bruidsboeketten en een eenzame gaai vliegt voor ons uit. Vrede is daar waar geen mensen zijn.

(twee dagen later scheuren we over dezelfde weg met de auto naar het dorp, om per bus verder terug te reizen naar de bewoonde wereld van Zuid-Finland)

Lichte voeten

Boeken zijn net naaldwouden: je kunt er eindeloos in ronddolen. De Zweedse bioloog Carl Linnaeus neemt me met zijn Iter Lapponicum mee naar het jaar 1732. Het werk bevat notities over allerlei bijzonderheden van zijn expeditie door Lapland. Op 11 juli formuleert hij een tienvoudig antwoord op de vraag waarom Samen (inwoners van Lapland) zo lichtvoetig zijn, oftewel, waarom ze zulke goede hardlopers zijn.

Misschien is het wel voor het eerst in de geschiedenis dat men een dergelijke vraag stelt. Tegenwoordig stoeien wetenschappers over dezelfde kwestie, maar dan met betrekking tot Kenianen. Volgens Linnaeus danken de Samen hun lichtvoetigheid aan training vanaf jonge leeftijd: de Samische jongens moeten als kind al veel rennen om de rendierkuddes bijeen te houden.

Jarkko Järvenpää is geen Sami, maar wel een lichtvoetige Fin. Op een zondagochtend in maart schuiven Eeva en ik bij hem aan voor het ontbijt. In Venlo. De topatleet vertelt dat hij zich  maandenlang in Spanje op de halve marathon heeft voorbereid, om de kou te ontvluchten. Misschien heeft het zachte zuidelijke klimaat ook zijn karakter ontdooit, want hij is een bron van energie en blaakt van het zelfvertrouwen. De meeste Finnen zijn een stuk ingetogener. Zo ook Paavo Nurmi, de man die in de eerste jaren van de Finse onafhankelijkheid, in de jaren twintig van de vorige eeuw, zijn land op de wereldkaart rende. De held stond bekend om zijn introversie, intelligentie en vastberadenheid; karaktertrekken die nog altijd typerend zijn voor veel Finse atleten die ik heb leren kennen.

Paavo Nurmi is in Turku geboren, de stad waar ik nu woon. De wegen en paden waarop ik train zijn ook door hem belopen. Net zoals de atletiekbaan in Amsterdam, waar ik ooit mijn eigen hardloopcarrière begon: in 1928 won Nurmi er zijn zoveelste Olympisch goud. Destijds heersten de Finnen zoals tegenwoordig de Kenianen doen.

Volgens Eeva ben ik inmiddels meer Fin dan zij zelf is: ik kan de extreme kou en de hitte van de sauna goed verdragen. Jarkko beaamt: in de winter benoem ik louter de voordelen voor de langeafstandsatleet. Maar ik weet Linnaeus aan mijn zijde: de bioloog stelt immers dat het noordelijke volk zo sterk en gezond is door de hardheid van het buitenleven en de blootstelling aan de kou.

Met Pasen ligt er nog steeds een halve meter sneeuw, maar de zomer hangt in de lucht. Ik volg Nurmi’s sporen door de sneeuw, en bewonder de naaldbomen in het bos: ooit zullen ze worden omgezaagd en tot papier worden verwerkt. Als boek zullen ze woorden overdragen van mens tot mens: een spoor door een doolhof dat het leven heet.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie juni 2013

Waar houdt het op?

Het is een vraag die ik me regelmatig stel: waar houdt het op? Een vraag die op van alles betrekking heeft, op de reis van overtrekkende vogels in de lente of in de herfst, op de liefde, het leven, op ruimte en tijd. Maar ook op het hardlopen. Wat gebeurt er met mijn lichaam als ik loop tot ik erbij neerval? Zestig, tachtig, misschien wel honderd kilometer…

Er zijn mensen die dat doen. Om zich te onderscheiden van gewone hardlopers noemen ze zich ultraloper, een term die alleen mag worden gebezigd indien de marathonafstand wordt overtroffen. Alsof de afstand er ook maar iets toe doet: er zijn mensen die in vijf uur een marathon lopen, er zijn er die dan tweemaal zoveel afstand hebben afgelegd. In feite is de geleverde prestatie van die twee mensen hetzelfde. Vijf uur dus.

De vraag is niet eens meer óf, maar wanneer. Dus: waar houdt het op en wanneer ga ik dat onderzoeken? Zoek ik een wedstrijd, zodat de afstand en tijd officieel worden vastgelegd, of trek ik er in mijn eentje op uit? Eigenlijk doet ook dat er weinig toe. Als je vijf uur lang gaat hardlopen heb je niets aan concurrenten. Halverwege zullen ze al uit het zicht verdwenen zijn, en als je langer zij aan zij loopt kun je onmogelijk concurrent blijven, want je gaat van elkander houden. Dat is het verschil met de marathon. Twee, hooguit drie uur kun je met moordlustige gedachten rondlopen. Daarna zijn er nog maar twee mogelijkheden: je gaat over tot de daad en snijdt de concurrent zijn keel door, of je sluit vriendschap. Tenminste, dat stel ik me zo voor. En misschien is het ook wel zo, want de ultraloper heeft in werkelijkheid twee gezichten: hij is even vijandig als vriendelijk. Met name nieuwkomers worden met argwaan bekeken. Er zijn er, die je vóór de start al in het hart steken, om vervolgens bij de finish tevreden te constateren dat je het niet hebt gered. Hadden ze het niet voorspeld? Vriendschap tussen ultralopers is misschien slechts bedoeld om de strikte hiërarchie en de daarbij horende vijandschap te verdoezelen. Ik weet het niet zeker, maar ik vermoed dat je op je hoede moet wezen als je een ultraloper treft.

Ik dagdroom wel eens, over de vraag waar het ophoudt. Ik was eens van plan om de schoenen aan te trekken en lopend naar Damascus te trekken. Ik wilde geen geld meenemen maar uitsluitend vertrouwen op de menselijke gastvrijheid. Een mooie gedachte, maar de werkelijkheid heeft haar ingehaald: Damascus is inmiddels het toneel van een Ilias zonder helden. Mensen die elkaar kapotschieten en met giftige gassen besproeien.

Voor mij zou een ultraloop geen intermenselijke strijd zijn, maar een strijd met het hogere. Het zou een strijd zijn met de aardkloot, met de gehele mensheid en haar goden. Ik zou Jezus’ stoffelijk lichaam voor de voeten van de duivel werpen. Ik zou de strijd aanbinden met ruimte en tijd en alle andere dimensies die ik onderweg tegenkom. Ik zou de filosofen om hun dwaasheden bespotten en de zelfs de zon overschaduwen. Pas als ik de allerlaatste grens ben overgestoken, hou ik het voor gezien. De grens van het  mogelijke. Waar houdt het op, en wanneer?

Kopenhagen

Zelden kwam ik zo trots over de finishlijn.  Met 2:34’55 bleef ik dan wel ver van mijn persoonlijke besttijd (2u23) verwijderd, maar na de langdurige blessureperiode (2011-2012) was het enorm mooi om weer een marathon te volbrengen.

Twee dagen voor de wedstrijd leek het er sterk op dat ik ‘m moest afzeggen. Ik had namelijk al meer dan een week last van mijn rug en SI-gewricht waardoor ik nauwelijks heb kunnen lopen. Hoewel het geen kwaad kan goed uit te rusten voor de marathon, is het toch ook belangrijk om nog een paar flinke trainingen te volbrengen. Zaterdag liep ik echter een half uurtje zonder pijn, en ik besloot het er zondag gewoon op te wagen, met de belofte aan mezelf bij de geringste klachten uit te stappen, om erger te voorkomen.

Zonder hoge verwachtingen stond ik dus aan de start. De eerste kilometers draaide het echter veel beter van verwacht. Ik liep op een schema voor 2u27, een stukje harder dan gepland. Ook de regen, die binnen een half uur al begon te vallen, leek me weinig kwaad te doen, al veranderden de straten in enorme plassen en werden in de loop van de tijd de toeschouwers erdoor verdreven. Ik vond het aanvankelijk wel prettig, want ik had niet de moeite genomen om mijn drankvoorziening te regelen; de bedoeling was immers om vrijuit te lopen. Door de regen werd drinken minder van belang.

Na een doorkomst halverwege in 1u13 begonnen de kilometertijden langzaam op te lopen.  Rond 33 of 34 kilometer was de motor ineens leeg. Nog steeds ging ik volle kracht, maar ik werd door iemand anders ingehaald en hoewel ook zijn loopje niet bepaald snel was, verdween hij in no time uit zicht. Het vereiste geen hogere wiskunde om te beredeneren dat ik niet zo hard meer ging. De laatste kilometers waren een fysieke martelgang. Mijn lichaam was moe en leeg en de benen wilden niet meer bewegen. Maar mentaal voelde ik me prima – ik genoot met volle teugen van die laatste kilometers die me brachten waar ik naar verlangde: ik ben weer marathonloper.

Met deze race heb ik voorgoed afgerekend met de blessure-periode. In de twee jaar waarin ik vaak nog geen 500m pijnloos kon wandelen heb ik veel steun gehad van mijn omgeving, van andere hardlopers en van mensen die vertrouwen in me bleven houden (of deden alsof). Ik ga geen namen noemen, want dat zou een eindeloze lijst opleveren, maar al die kleine gestes en woorden deden me goed, en ik ben jullie daar enorm dankbaar voor. Hardlopen en de marathon zijn ontzettend klein en nietig in vergelijking met wat mensen voor elkaar kunnen betekenen. Nu wilde ik nog iets zeggen over de staat van de Nederlandse politiek, waarin wantrouwen en egoisme lijken te regeren, maar ik doe het niet. Vergeet de politiek, laat je hart spreken!

Trots in Kopenhagen
Trots in Kopenhagen