Angst

Misschien komt het door de wind die sneeuw brengt, misschien door de kou die in de botten is gekropen of het is de beklemmende duisternis die zijn wurggreep nu wel verzwakt maar zelf zijn we inmiddels ook futloos, moegestreden. Eind januari is de week van de angst. Je had het weerbericht van New York, je had de Groningse politie die een verwarde man onder schot nam en in Hilversum werd groot alarm geslagen toen een student met amper dons op zijn kin maar bewapend met een namaakgeweer met geluidsdemper het journaal probeerde te halen.

Op mijn poli had ik er ook een aantal, angstgevallen, beduidend meer dan anders. Er was angst voor kanker, angst voor de dood en angst voor de man die nog niets wist van de zwangerschap die door kunstmatige inseminatie was ontstaan en inmiddels al zo ver gevorderd was (en het hartje klopte, zo snel!).

Het lijkt of de hele wereld bang is en er is vast en zeker rede toe, maar een ding weet ik zeker: hier doe ik niet aan mee. Er mogen hele redacties overhoopgeschoten worden, er mogen vliegtuigen van de radar verdwijnen, er mogen verwoestende epidemieën uitbreken, ze mogen elkaar met raketten bestoken, de kelen doorsnijden of ze verkrachten de vrouw en laten het kind, dat alles moet toezien, het bloed van zijn vader drinken, maar de angst zal mij niet vatten.

Begrijp me niet verkeerd, ik ben namelijk geen held. Kort geleden nog stond ik met bevende knieën bovenaan de heuvel. De loipe strekte zich voor me uit, met een mooie, golvende lijn naar beneden en daar, in de verre diepte, draaide die naar links. Het is een lastige bocht waar je met een duizelingwekkende snelheid doorheen raast en je moet diep naar links hangen om je evenwicht te bewaren.

Daar stond ik. Het dal lag doodstil onder mij, als een linnen lijkwade zo wit. De schemering zweeg achter een grauw wolkendek en mensen waren er niet. Een raaf vloog traag door de lucht en verdween achter de witte kolommen van het besneeuwde naaldbos. Ik kwam uit de loipe en ging dwars op het pad staan. Met een voet deed ik een pas opzij, in de richting van het dal. Even later volgde de andere voet. Stap voor stap daalde ik zijwaarts van de helling. Ik begon vaart te maken met de passen, maar het mocht niet baten, bovenaan de heuvel verscheen Esa. Snel haalde ik mijn camera tevoorschijn om te doen alsof ik bezig was om foto’s te maken van de sneeuwhaas die over het pad was geschoten en ik zwaaide naar hem. Hij zwaaide terug.

Na de steilste fase van de helling liet ik me alsnog in de loipe glijden en een paar tellen later gleed ik soepel door de bocht. De angst had plaatsgemaakt voor schaamte. Al was ik de hele dag niet gevallen en had ik er een training van drie uur opzitten toen ik thuiskwam, voldoening gaf het niet. Ik was geestelijk afgemat. Ik kookte een eitje en probeerde me in een boek te verdiepen, maar niets kon die dag meer goedmaken.

De volgende dag deed ik het rondje over. Bovenaan de heuvel was van de angst van de dag tevoren niets overgebleven, slechts de schaamte restte. Ik deed of ik de helling niet zag en liet me door de knieën zakken. Met een zachte ‘g’ gleden de latten door de loipe. Ik vouwde mijn handen voor mijn borst en drukte de stokken langs mijn zij, zodat ze achter me in de lucht staken. Naarmate ik aan snelheid won deed de koude lucht meer pijn aan mijn wangen. De bocht kwam dichter en dichter op me af. Ik dacht aan de sneeuwscooters die ik eerder had gezien, precies in de bocht kruist hun route die van mij, wist ik. Van de loipe zou daar nog maar weinig zijn overgebleven, maar ik had geen tijd om daarbij stil te staan, de bocht naderde als een komeet. Geforceerd helde ik naar links, zo probeerde ik tegenwicht te bieden aan de snelheid en de bocht die me naar rechts trokken. Met mijn rechterbeen drukte ik hard naar buiten tegen de opstaande rand van de loipe en ik verschoof mijn zwaartepunt nog iets verder naar links.

Opeens maakte ik een driedubbele rol. De latten kwamen daarbij in onmogelijke knoop met mijn benen. Ik had een enorme klap gemaakt maar het deed geen zeer. Een man kwam net door de bocht omhoog, hij had me zien vallen. Ik klopte de sneeuw van me af en mompelde een groet. Een kleine honderd meter verderop hield ik even stil om op adem te komen. Ik keek om en zag hoe de man van daarnet halverwege de helling omkeerde en beheerst door de bocht draaide. Meewarig schudde ik het hoofd.

De pijn van de val kwam pas een dag later. Het was pijn van beurse spieren en het was de pijn van roekeloosheid. Gedurende twee dagen kon ik mijn arm nauwelijks heffen, maar het was een pijn die me tevreden stelde, want het is tien maal beter om keihard te vallen dan aan de angst toe te geven en sierlijk door de bocht te glijden.

Schemering op de Kirintövaara
Schemering op de Kirintövaara


Een eenzaam protest

Terwijl in Parijs honderdduizenden mensen samenstromen, begeef ik me naar het marktplein van Posio, ons dorp in Fins Lapland. Het is ruim twintig graden onder nul, maar de wind van de afgelopen dagen is gaan liggen. Met drie broeken over elkaar is het vandaag goed te doen. Dwars over het plein, dat bedekt is door een halve meter sneeuw, is een baan sneeuwvrij gemaakt. Ook bij de papier- en vuilniscontainers is de sneeuw geruimd, maar aan de andere kant van het plein liggen er grote bergen van aangeschoven sneeuw. Het houten theater, op de hoek van het plein, is gesloten – zoals altijd.

Het is al donker. Het plein is niet verlicht, maar de weg aan de zijkant ervan wel. En er zijn sterren. Er is de Grote Beer en de Poolster en er zijn nog tal van sterren die zich buiten constellaties lijken te bevinden maar dat komt omdat de avond nog vroeg is. Ik loop op en neer over de sneeuwvrije baan op het plein. Af en toe speur ik de hemel af op een spoor van de poollichten, dan weer dwaalt mijn blik over de berken aan de rand van het plein met de dikke sneeuwklodders op hun takken.

Een vleugje wind snijdt me in het gezicht. Mijn lippen en wangen zijn bevroren. Ik trek de muts dieper over het hoofd en vraagt me af wat ik hier eigenlijk doe. Was ik onderweg naar de supermarkt, aan de andere kant van het plein? Dan mag ik wel haast maken want die sluit op zondag om zes uur. Of ben ik hier uit saamhorigheid, om te demonstreren voor vrede en tegen terrorisme? In dat laatste geval ben ik hier de enige. Zojuist kwam er wel een oud vrouwtje langs, maar zij is dementerend en heeft geen idee in welke tijd we leven, weet ik, want ze is laatst nog op mijn polikliniek geweest.

Had ik me dan naar Helsinki moeten begeven? Dat ligt duizend kilometer zuidelijker en daar hebben zich niet meer dan tweehonderd mensen verzameld. In elk geval valt daar wat te neuken, en daar is het de meeste demonstranten natuurlijk om te doen. Demonstreren in de schaduw van de verschrikkelijke geschiedenis en dan neuken uit saamhorigheid. Dat geldt vast niet voor iedereen, want ik kan me niet voorstellen dat Hollande en Merkel, …, nee, die hebben vast en zeker politieke bijbedoelingen.

Wat zou ik nou bij een demonstratie te zoeken hebben? Ik kom thuis niets tekort en Posio is trouwens de meest vreedzame plek die ik me kan indenken. In de winter blijven de mensen zoveel mogelijk binnen, en in de zomer is men zo blij met de zon die wekenlang niet ondergaat, dat men helemaal geen benul heeft van de geschiedenis die zich voorbij de horizon afspeelt.

Politiek is typisch iets voor het stadsvolk, voor mensen die te dicht op elkaar wonen en daar zo zenuwachtig van worden, dat ze elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Hier in Posio vind je een kerkje maar geen moskee of synagoge. Ik ben atheïst en woon ongetrouwd samen maar daar heb ik nog niets kwaads over gehoord. Posio is een heel tolerant dorp. Cartoonisten, terroristen en schreeuwende politici kennen we hier niet. Wel was er laatst een journalist, maar die kwam vanwege een gift. Op de begrafenis van een overleden patiënt was door familieleden geld ingezameld en daarvan kochten ze een televisiescherm voor op de afdeling van het gezondheidscentrum. Dat was een mooie gelegenheid om het lokale krantje van enige inhoud te voorzien.

De kou dringt langzaam door de kledinglagen heen en ik heb er genoeg van. Stel nu dat je helemaal niet wilt neuken en ook geen politieke bijbedoelingen hebt, waarom zou je dan gaan demonstreren, vraag ik me af. Je kunt toch ook prima tegen terrorisme zijn en voor vrede, zonder aan demonstraties mee te doen? Moest je de kranten nou eens zien! Op internet maakte het NRC een waar feest van de aanslagen in Parijs. ‘Drie dagen angst. Wat weten we nu?’ kopte de krant vanochtend nog op het internet. Al drie dagen lang vulde Parijs de voorpagina van de website, en nog steeds was alles live te volgen, alsof het de Tour de France betrof. Al die sensatiegeilheid en het gebruik van termen als ‘angst’ zijn koren op de molen van de terrorist. Juist door zulke kranten en door aandacht op sociale media bereiken de terroristen precies wat ze willen. Invloed. Maatschappelijke chantage. Het internet is misschien wel het sterkste wapen van het moderne moslimterrorisme.

Het is trouwens nog maar de vraag of moslimterrorisme een goede term is. Veel moslims vragen uitdrukkelijk om het terrorisme los te zien van hun geloof. Dat wil ik best doen, maar ik vraag me af of het terecht is. Men zou de moslim namelijk ook kunnen antwoorden: jij kiest toch zelf voor dat geloof? Natuurlijk wil ik ‘de moslim om de hoek’ (fictief, hier in Posio), niet de schuld van de terrorist in de schoenen schuiven, want ieder mens is slechts verantwoordelijk voor zijn eigen daden. Als God zou bestaan, zou Hij zeker ter verantwoording moeten worden geroepen, maar in mijn perceptie is het geloof in God een abstractie vermenigvuldigd met een niet-bestaandheid – het behoeft wel enorme kunstgrepen om aan zo iets dergelijks iets op te hangen. Aan de andere kant vormen religies en stromingen binnen religies sinds mensenheugenis al een belangrijke factor in allerlei conflicten en bovendien zijn het juist de terroristen die geweld aan hun religie koppelen. Misschien moeten we dan maar pragmatisch zijn: je zou kunnen veronderstellen dat we met het ontkoppelen van geweld en het geloof, de kwaadwillende moslim moreel ontwapenen.

Als het kwaad niet in de religie zit, waardoor komt het dan dat in de zeer recente geschiedenis juist moslimjongeren ontsporen? Geen lastige vraag, bedenk ik me terwijl ik de huissleutel opdiep uit een zakje in de onderste broek: sinds Pim Fortuyn hebben de moslims van alles de schuld gekregen, net als de joden in de eerste helft van de vorige eeuw. Terrorisme is een van de vele manieren om tegen zulke morele onderdrukking in het verweer te komen – gelukkig laten de meeste moslims zien dat het ook op andere manieren kan.

Binnengekomen neem ik mijn langlaufski’s en stokken in de arm en dan vertrek ik voor een koude en eenzame vredesmars door het bos. Een echte demonstratie wordt het niet, want ik weet niet waarvoor of waartegen ik eigenlijk demonstreer. Via internet zijn we dan wel getuige van de geschiedenis, maar zijn we er ook deelgenoot van? Is de geschiedenis misschien een kwaadaardig monster waarbij je maar beter uit de buurt kunt blijven? De moraal is wat ons mens maakt, maar vrede lijkt soms wel voorbehouden aan de plekken waar de mens zich niet vertoont. Is de moraal dan een brouwsel van giftige ingrediënten? Is vrede niet gewoon dat je de ander laat begaan, ook als hij iets doet wat in strijd is met jouw moraal?

Vrijheid van religie is trouwens een leugen, niet door gebrek aan tolerantie, maar doordat mensen hun religie niet bewust uitgekozen hebben, meen ik, als ik me tegen de zwaartekracht in langs een steile helling naar boven werk. Nu werk ik, maar straks mag ik glijden. Meestal is religie met de paplepel ingegoten, in andere gevallen is het misschien een kwestie van hersenspoeling of psychiatrische ziektebeelden. Verleden jaar had ik op de afdeling een jongeman die ‘tot religie was gekomen’ zoals je dat in het Fins zegt. Ook had hij hoofdpijn. Ik vertrouwde het niet en haalde de neuroloog erbij. Die liet een MRI-onderzoek verrichten en zo werd hersentumor gediagnosticeerd.

Maar dat zegt niets over de moslim die als moslim geboren is, die gelooft omdat hij niet anders kan en misschien wel niet anders kan omdat er mensen zijn die hem het geloof af willen nemen. Het geloof als verdedigingsbolwerk, om niet moreel te worden geëxploiteerd. Zo zijn de cartoonist en de moslim morele bondgenoten, want het enige wat ze verlangen is werkelijk vrij te zijn, denk ik, en ik realiseer me plotseling dat ik het ondanks de kou warm heb gekregen.

Op de latten

Vandaag lag er teveel sneeuw om te lopen en te weinig om te skiën, dus deed ik het beide. In de ochtend, voor werk, hardlopend een ‘rondje kerkhof’ en in de namiddag nog een stukje op de latten. Skiën betekent hier trouwens crosscountryskiën, oftewel langlaufen. Maar langlaufen klinkt zo Duits en traag, dat ik het liever skiën noem.

In het skiën worden Eeva en ik aangemoedigd door de topskiërs Esa Mursu en zijn vrouw Heli Heiskanen, die een paar kilometer verderop wonen. Als vriendendienstje heeft Esa onze ski’s op professionele wijze van wax voorzien en binnenkort krijgen we zelfs trainingen van hem. Hardlopen en skiën zijn goed inwisselbaar, verzekerde hij me. Als in de lente de sneeuw verdwijnt, verruilt hij zelf de ski’s voor hardloopschoenen en andersom onderhouden hier in het Noorden veel atleten ‘s winters met ski-trainingen hun conditie op peil. Voor mij is het bovendien een uitgelezen mogelijkheid om af te rekenen met een hamstringprobleemje dat dit najaar opspeelde.

Tot voor kort geloofde ik niet dat er een andere sport bestond die net zoveel voldoening kon geven als hardlopen. Maar dat had ik mis. De eerste ski-training, eind oktober, was qua trainingsplezier een daverend succes. Uit alle macht duwde ik mezelf vooruit over het glooiende pad door het bos. Telkens als ik bovenaan een heuvel kwam, zakte ik door mijn knieën, hield de stokken precies zoals Eeva me voordeed en probeerde ik zo stoer en meedogenloos mogelijk te kijken. Ik geloof werkelijk dat het er behoorlijk professioneel uitzag, als je die trillende benen van mij tenminste niet opmerkte. En waarlijk, daar ging ik, heel voortvarend (of voortglijdend, zoals dat wellicht in vaktermen heet) de heuvel af. De latten sneden een smalle reep in het witte kleed, eerst traag, maar dan kwam de versnelling en, patsboem, daar lag ik alweer. In de berm of midden op het pad, met het hoofd in de sneeuw en de benen in de lucht. Zodra ik het zelf niet meer was, die de snelheid bepaalde, maar de helling van de heuvel, verloor ik de controle volledig, dan draaiden mijn ski’s de verkeerde kant op en helde mijn lichaam teveel naar voren, naar achteren of opzij. Eeva keek toe maar lachte niet (lang leve de Finse gewoonte de ander altijd in zijn waarde te laten). Vandaag lukte het zonder te vallen. Bijna, bedoel ik. Slechts eenmaal, vanaf de steilste heuvel  omlaag, verloor ik de controle. Maar met nog een aantal wintermaanden te gaan moet het lukken om me de techniek helemaal eigen te maken en misschien zelfs eens aan een wedstrijdje deel te nemen.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie januari 2015

Kerstgedachte

Wonend in Lapland, dichtbij de poolcirkel, is het me wel duidelijk wat er met kerst te vieren valt. Even voor kerst is de kortste dag van het jaar, de zon ontstijgt de horizon nog geen halve graad. Vanaf de kerst lengen de dagen in rap tempo, tot over een half jaar de langste dag drie weken duurt.

In Nederland hield ik niet zoveel van de kerst. In mijn kindertijd hadden we een kerstboom en een doos vol kerstspullen. Van al die blinkende sieraden in de doos vond ik de piek het mooiste, maar om onbegrijpelijke redenen moest de piek in de doos blijven, de kerstboom bleef piekloos. Voor de rest associeer ik de kerst met verdrietige kerstverhalen zoals De Kerststal van Knötelö, door Aart Staartjes ingesproken op LP, en met onbenullige onenigheden bij het kerstdiner. Voor de gelovigen is er tenminste nog het heilige schijnsel van de geboorte van Jezus, maar ik ben schoon van geloof opgevoed en kan me aan die Goddelijkheid niet warmen.

Maar stel nu, dat ik op een dag zou besluiten in God te geloven. Tot welke God moet ik me dan wenden? Ik moet alle Heilige boeken lezen om de juiste keuze te maken. Voor zover religie los staat van tradities, gaat het over geloof, dus zal ik het meest geloofwaardige Boek uitkiezen.

Na het lezen van de Boeken is het me al gauw duidelijk dat er één God is, want daar zijn de Koran, de Bijbel en de Thora het over eens. De Boeken laten verrassend weinig los over de aard van God, en op de achterflap ontbreekt een afbeelding waardoor we zouden kunnen zeggen: kijk, Allah heeft flaporen, Jaweh kijkt een beetje scheel en de christelijke God heeft een kromme neus. God laat zich slechts definiëren naar zijn werk, als een kunstenaar die geen interviews geeft; God is de schepper van de wereld, zeggen de Boeken, er is één wereld, en dus is Jaweh God, God is Allah en Allah is Jaweh.

Met deze drieëenheid lijkt de Godskwestie opgelost. Joden, Christenen en Islamieten aanbidden dezelfde God, namelijk de God van Abraham. Toch brengen de Boeken me enigszins in verwarring, want waarom laat één en dezelfde God drie verschillende Boeken na die verdeling (vergeef me dit eufemisme) zaaien?

Het is moeilijk om een keuze te maken voor een van de Boeken. Voor elk van de Boeken valt wel iets te zeggen, maar er valt evenveel tegenin te brengen, want ze handelen niet alleen over liefde, maar ook over geweld en onderdrukking met een neiging naar verbanning van andersdenkenden. De keuze zou misschien niet zorgvuldiger maar wel gemakkelijker zijn, als een religie me met de paplepel was ingegoten, of als Hij op een Heilig Moment zou verschijnen om me te wijzen welk Boek het juiste is.

Maar zo een Heilig Moment is slechts uitverkorenen gegund, en tot hen behoor ik blijkbaar niet. Ik lees alleen verhalen waar mijn verstand niet bij kan en wetten die in strijd zijn met die van mijn hart. Na het lezen van de Boeken schud ik slechts in verwarring mijn hoofd. Maar wat nu, denk ik opeens, als juist die verwarring mijn Heilige Moment is? Liet Hij ons de Heilige Boeken na om ons iets duidelijk te maken? Het verstand en het hart kregen we immers ook van Hem. Het verstand zegt me, dat het bestaan van drie verschillende Heilige Boeken slechts de bedoeling kan hebben om de mens te duiden dat we in Boeken geen wijsheid moeten zoeken, het geschreven woord is een leugen. Zonder de Boeken kan men een zuiver leven leiden, zonder hart en verstand niet.

Waak voor Russofobie

In de Nederlandse schaatsploeg heerst twijfel: moet men naar Rusland afreizen voor de EK Allround, of is het beter van niet? Coach Jan van Veen heeft alvast een keuze gemaakt, hij laat de EK aan zich voorbij gaan vanwege de rol die Rusland speelt op het internationale toneel.

Dat is een verademing. In de sport is het namelijk lange tijd de mode geweest om de moraal opzij te schuiven. Dat kun je de sporter moeilijk kwalijk nemen, want topsport is individualisme pur sang en bovendien is topsport nauw verweven met nationalisme: topsporters kunnen daardoor internationaal bruggen bouwen als politici niet meer met elkaar kunnen praten.

Maar als een leider kampioenschappen naar zich toetrekt om het nationalisme verder te voeden, dient men voorzichtig te worden, want dan dreigt de sporter een politiek wapen te worden. Dat is het statement van schaatscoach Van Veen: sport is politiek. Het is dus goed dat er sporters zijn die bereid zijn om hun eigen sportieve belang opzij te zetten in dienst van het maatschappelijk belang.

Aan de oprechtheid van de schaatsers twijfel ik niet. Coach Van Veen noemde de buitenlandse politiek van Rusland als reden om van het reisje Rusland af te zien. Marijn de Vries noemde in haar column een andere reden: het geïnstitutionaliseerde gebruik van doping om Russische sporters op het wereldtoneel te laten presteren.

Er zijn genoeg redenen voor een kritische houding jegens Rusland en zijn leider Poetin, maar de Finse premier Alexander Stubb waarschuwde onlangs voor overdreven Russofobie. En daar zit wat in: de ‘foute zaken’ in Rusland krijgen in de Westerse kranten onevenredig veel aandacht, terwijl de positieve zaken, zoals bijvoorbeeld het politiek asiel van Edward Snowden, met louter scepsis worden ontvangen.

Er is het een en ander af te dingen op de kritiek jegens Rusland. In het Westen was bijvoorbeeld recent veel aandacht voor de invoering van een wet die homo- ‘propaganda’ verbiedt, omdat die wet kan worden misbruikt om homoseksualiteit zelf te bestraffen. Dit is vooralsnog echter nog niet gebeurd – slechts een handvol mensen is tot een geldboete veroordeeld na pro-homoseksuele uitingen in de media. Homoseksualiteit is in Rusland niet verboden, maar wel in tal van andere landen, waaronder Qatar, waar in 2022 het WK voetbal zal plaatsvinden.

De Russische betrekkingen met Oekraïne zijn uiteraard zorgelijk, maar ik begrijp niet goed waarom Europa niet instemt met verkiezingen in Oost-Oekraïne over eventuele onafhankelijkheid. Met een beetje moeite moeten zelfs daar toch wel eerlijke verkiezingen zijn te organiseren? Als het land werkelijk zo gespleten is, waarom moeten we de boel dan met geweld bij elkaar houden? Of gaat het ons helemaal niet om de Oekraïners, maar om de Europese invloedssfeer? Is het dan een banale krachtsmeting tussen Rusland en Europa over de ruggen van de bewoners, met schuld aan beide kanten?

Persoonlijk maak ik me net zoveel zorgen om Rusland, als om de anti-Russische eensgezindheid van de Westerse media. De Russische kranten schrijven wat Poetin wilt lezen, de Europese kranten schrijven wat wij willen lezen. Kritiek op Rusland scoort, een zelfkritische houding in het Russisch-Europees conflict kan op weinig sympathie rekenen. Zo hebben wij in Europa geen censuur nodig – die leggen we onszelf wel op. Zo was er bijvoorbeeld nauwelijks kritiek op de sancties tegen Rusland, die toch weinig democratisch zijn te noemen. Waarom ontbreekt bijvoorbeeld de naam van Roman Abramovitsj op de zwarte lijst Russen? Hij is een van de welvarendste en invloedrijkste Russen en een vertrouweling van Poetin. Het is een interessante, maar geen moeilijke vraag, want Abramovitsj is tevens eigenaar van de Engelse voetbalclub Chelsea. Tel maar na wat een boycot voor maatschappelijke impact zou hebben – ook het brave Europa gebruikt de sport dus als politiek wapen.

Europa zondigt bovendien nog meer: de grenzen zijn voor vreemdelingen hermetisch afgesloten, zodat jaarlijks duizenden mensen sterven in een poging Europa over zee te bereiken- we menen dat het onze verantwoordelijkheid niet is, maar wiens schuld is het dan wel? In de Verenigde Staten is de doodstraf, die in Rusland al lang is afgeschaft, nog steeds dagelijkse praktijk. Onlangs werd duidelijk dat de Verenigde Staten gebruik maakt van verschrikkelijke martelmethoden. Toch verwacht ik niet dat de Europese leiders hun Amerikaanse collega gaan opbellen om hun zorgen te uiten, laat staan dat we gaan overwegen om de Verenigde Staten te boycotten.

Waar ligt dan de grens? Wat accepteren we en wanneer moeten we een land boycotten? In hoeverre staat sport los van politiek? Twijfel is het beste antwoord op dergelijke vragen, schreef Wilfried de Jong. Ik ben het met hem eens, want in veel gevallen dient de sport prima om culturen te overbruggen en om mensenrechten te verspreiden.

Een van de problemen is, dat in bijna iedere sport kampioenschappen min of meer te koop zijn. Doordat er geen plafond is vastgesteld in wat een kampioenschap mag kosten, is de kandidaat met het grootste budget meestal degene die het kampioenschap mag organiseren. Qatar en Rusland zijn momenteel de landen die bereid zijn flink in de buidel te tasten om kampioenschappen te organiseren. Zouden er redelijke plafonds worden ingesteld, dan zouden sportieve en maatschappelijke belangen een grotere rol gaan spelen in de toewijzing van kampioenschappen en worden sporters niet zo gemakkelijk betrokken in het politieke spel.

Terugkomend bij de schaatsers, omarm ik, net als Wilfried de Jong, hun twijfel. Een kritische houding is altijd goed, er zijn geen gemakkelijke antwoorden in moeilijke kwesties. Twijfel is misschien geen antwoord op een vraag, maar wel de bevestiging ervan.

De eenzame weg

In juli, bij de afscheidsbarbeque in Turku, voor Eeva en ik naar Lapland vertrokken, verzekerde  Matti mij ervan dat ik me in Posio zou vermaken. Er zijn nauwelijks mensen, vertelde hij, en de heuvels zijn pittiger dan in het zuiden, maar de natuur is zo overweldigend dat ik de mensen niet zal missen.

Zijn woorden schieten me te binnen als de duisternis over de weg valt. Zojuist ben ik een grote kudde rendieren gepasseerd, en deze keer vluchtten ze niet van me weg. Een van dieren maakte een slobberend geluid, alsof hij maar wilde aangeven dat hij bezwaren had. Waartegen, verstond ik niet.

Nee, mensen kom ik nauwelijks tegen. Afgelopen weekend liep ik het dertig kilometer lange rondje om het meer. Halverwege vlogen een paar moerashoenderen op toen ik passeerde, en een eindje verderop maakte ik kennis met een taigagaai. Ik stopte, de vogel vloog van boom tot boom om me heen en koos uiteindelijk voor een pijnboom op enkele meters afstand. Hij zat op ooghoogte, draaide zijn kopje naar me toe en keek me nieuwsgierig aan. Het was duidelijk wie de gastheer, en wie slechts de voorbijganger was. Op dat moment wist ik trouwens nog niet wat voor vogel het was, maar zijn kopje had iets gaaiigs, en met zijn fijngestreken roodbruine vleugels was het een kleine moeite om hem in de vogelgids terug te vinden.

Na die duurloop vroeg Eeva mij of ik niet bang was om een beer tegen te komen. Nee, bang voor de beren ben ik niet. Ze kunnen er best zijn, want het is nog niet zo lang geleden dat er hier eentje werd gespot, maar het landschap is zo sprookjesachtig en verlaten, dat het onvoorstelbaar is dat de vreedzaamheid zomaar verstoord wordt. Mijn ontmoetingen met beren zijn trouwens op één vinger te tellen en in dat geval ging het hoogstwaarschijnlijk om een imaginaire beer; een schaduw, een ooghoek, in een halfduister bos.

Ik heb de kudde rendieren inmiddels achter me gelaten (ik kon ze horen denken: kijk, een renmens!) en ik bevind me onderaan de heuvel, daar waar het bos overgaat in het moeras. Het oostelijke deel van de hemel wordt zichtbaar, de maan komt net boven de bosrand tevoorschijn. Ze is vol en naakt, en op haar wenk vertel ik over mijn dromen. Ik zou mijn dokterslicentie best wel willen inruilen voor een kudde rendieren, fluisterde ik haar toe, en dan bedenk ik me ineens hoe trouw ze is, die maan. De minnares die me overal volgt, en altijd naar me luistert.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie december 2014

Sarvisaari – laatste rustplaats op een eiland

Kort na zonsopkomst zijn we vertrokken voor een lange skitocht om de uitlopers van het bevroren meer te verkennen. De lucht is egaalgrijs, als een doffe schaduw van de blanke vlakte van het meer dat gehuld gaat in dunne, zwijgende nevels en omringd is door een zwarte rouwrand van naaldbossen. Op het meer ligt een vuistdik laagje sneeuw, dat onder de ski’s tot een paar milimeter wordt samengeperst. Een tweelijnig spoor achtervolgt me, soms onderbroken door een onrustige patroon van krachtige halen, als ik aanzet tot een sprintje. We kruisen het spoor van een haas, en even later dat van een eenzame eland. Zijn sporen zijn hard opgevroren en met een dun laagje poeder bestrooid, hij was ons een paar dagen voor.

We zijn al twee uur onderweg. Eeva skiet een eindje voor me uit, en wijkt ineens uit naar een eiland dat we op de heenweg van de andere kant passeerden. Ze wijst naar boven, naar de heuvel op het eilandje, en roept iets wat ik niet versta. Ik heb pijn aan mijn voet, een drukplek van de skischoen, en volg haar, het heuveltje op. Tussen de bomen door loopt een houten hek, en achter dat hek verrijzen donkere kruizen uit de grond.

De begraafplaats op het eilandje Sarvisaari

Een gammel poortje verleent toegang tot een bescheiden begraafplaatsje. Verrast loop ik tussen de gedenktekens door. Ze zijn van ijzer, verroest en haast onleesbaar, slechts een enkele is van hout of van steen. De meeste zijn zo’n honderd jaar oud, maar ik tref er ook een met het jaartal 1994 aan. De graven zijn begroeid met wilde bessenstruiken en er kronkelt een onduidelijk pad tussendoor. Ik volg het pad, in stilte, en denk terug aan de tijd dat ik in Zuidwest-Engeland woonde, toen ik achttien jaar oud was. Boven op de heuvel bij Buckfastleigh ontdekte ik een prachtige oude kerkhof. Indrukwekkende grafstenen stonden er, ze waren bemost en koud, zoals de dood ook moest aanvoelen. Ik ging tussen de ruïnes van het kerkje zitten en noteerde in een schriftje de gedachten die bij me opkwamen – poezië moest het opleveren, maar die woorden zijn nooit tot leven gekomen.

Het houten gedenkteken van Milda Rantanen en haar kinderen

Hier, op het eiland in het bevroren meer bij Posio, is de begraafplaats nog mysterieuzer dan die in Buckfastleigh. Waarom worden mensen zo ver weg begraven? De lichamen moeten over het ijs, of ‘s zomers in een bootje naar deze plek zijn overgebracht. Ik tref een eenvoudig houten kruis, dat de rustplaats van vier mensen aanduidt. Ze delen hun achternaam, Rantanen, en zijn op een en dezelfde dag overleden: 23 september 1937. Milda, een jonge vrouw van eenendertig jaar en haar drie kinderen, Kari, Raija en Pentti, die op dat moment vier tot zeven jaar oud waren.

Hier ligt een verhaal, een mysterieus en triest verhaal, dat bijna een eeuw later nog het hart doet verkrampen. Toen ze stierf was Milda twee jaar jonger dan ik nu, en haar kinderen stierven ook, en dat op één dag. Tranen bevroren en rolden als knikkers over de grond, en een paar dagen later werden de lichamen op het stille eilandje begraven, op zo’n vijf kilometer van het dorp en de kerk. Geld voor een ijzeren gedenkkruis was er niet – dus kwam er een houten kruis met een laagje verf dat honderd jaar moest houden en de namen werden erin gekerfd. De achternaam en de sterfdatum hoefden alleen op de eerste regel, in de regels daaronder volstond het aanhalingsteken.

Een rustplek tussen de bomen, onder de struiken.
Een rustplek tussen de bomen, onder de struiken.

Open brief aan de voorzitter van de Atletiekunie

Beste Theo Hoex,

met groot ongenoegen heb ik zojuist vernomen dat de internationale atletiekfederatie IAAF heeft besloten dat de WK atletiek in 2019 zullen plaatsvinden in Doha, de hoofdstad van Qatar.

Het kan u niet ontgaan zijn dat Qatar op dit moment openlijk verdacht wordt van het WK voetbal van 2022 op oneigenlijke wijze te hebben bemachtigd. Vandaag verscheen in het nieuws, kort na de bekendmaking van de keuze van de IAAF, bovendien het bericht dat José María Odriozola, voorzitter van de Spaanse atletiekbond RFEA, scherpe kritiek heeft geuit op de toewijzing van de WK atletiek aan Doha, waarbij de WK met zo’n 28 miljoen euro zouden zijn gekocht.

Bovendien werd deze week bekendgemaakt dat Qatar op de vierde plaats van de slaveryindex staat. Er zijn internationaal grote zorgen over de werkomstandigheden van de bouw van de voetbalstadions voor het WK voetbal, er vallen duizenden doden en er zou sprake zijn van onderbetaalde en gedwongen arbeid.

Gezien deze bijzonderheden vind ik het uiterst kwalijk en bovendien verdacht dat de IAAF heeft gekozen voor Doha.

Ik wil u hierbij vragen om namens mij, en waarschijnlijk vele andere Nederlandse atleten

  • er bij de IAAF op aan te dringen dit besluit terug te draaien vanwege de bijzondere omstandigheden hierboven benoemd.
  • onderzoek te laten doen naar de vraag op welke manier dit besluit van IAAF tot stand is gekomen, aangezien er op het eerste gezicht een sterke verdenking op omkoping is.
  • indien ondanks bovenstaande bezwaren de keuze voor Doha gehandhaafd blijft, erop toe te zien dat de werkomstandigheden van arbeiders die bij de voorbereidingen van de wereldkampioenschappen betrokken zijn, zodanig zijn, dat er geen onnodige slachtoffers zullen vallen en er geen gebruik wordt gemaakt van onderbetaalde of gedwongen arbeid, zodat onze atleten met een zuiver geweten kunnen deelnemen aan de kampioenschappen.

Poromies

Schemering, sneeuw, en ik sta stil op de karhuperäntie, een eenzaam weggetje aan de andere kant van het meer. In de sneeuw verse hoefsporen en een dubbele lijn. De paardenkar die zo-even voorbij kwam is al een herinnering, want door de dikke sneeuwvlokken, die in stilte naar beneden dwarrelen, reikt het zicht niet verder dan honderd meter. Daar houdt de wereld op.

Op de weg terug rent een groepje rendieren me tegemoet. Ze merken me pas op als ik vlakbij ze ben. Dan vluchten ze de weg af en zoeken ze beschutting in het moeras. De rendieren zijn eigendom van poromiehet, de rendiermannen. Twee van hen had ik vandaag op mijn poli. De ene kreeg een medicijnenkuur mee naar huis, maar de ander had zo een ernstige longontsteking, dat ik hem voor een paar dagen op de beddenafdeling moest houden, de antibiotica krijgt hij per infuus toegediend.

Rendieren in winters Posio
Rendieren in winters Posio

In de pauze vroeg ik Marit, één van de verpleegkundigen, wat voor werkzaamheden de rendiermannen in deze tijd van het jaar eigenlijk uitvoeren. Het was me opgevallen dat de rendieren nu, bij het ingaan van de winter, in grotere kuddes door de bossen trekken, en enkele kuddes houden zich nu in de buurt van boerderijen op. De rendieren komen nu dagelijks terug bij de rendierhouders, vertelt Marit, want daar krijgen ze voedsel. In ruil voor het voer pikken de rendiermannen enkele dieren uit voor de slacht. Of dat een eerlijke deal is weet ik niet, maar het klinkt me redelijk.

Als ik in mijn eentje over de stille wegen door de sprookjesachtige omgeving loop, komen de dromen vanzelf. Ik zie mezelf als poromies, rendierman. In plaats van me om zieke mensen te bekommeren, onferm ik me over een kudde rendieren. Ik meen wel eens dat het hardlopen voor mij slechts dient als substituut voor het buitenleven. Ik ben opgegroeid in een klein boerderijtje aan de rand van de stad. We hadden geiten, kippen, konijnen en ganzen en later verhuisden we naar een dorp. Daar breidde de veestapel zich uit, we kregen schapen en zelfs een paard. Een winter lang verbleven de koeien van een bevriende boerin bij ons op stal. Dagelijks, voor we naar school gingen, mestten we de stal uit. De mest brachten we met kruiwagens naar een grote hoop achter in de wei. Hoewel we daarna douchten en ontbeten, was ik wel eens bang dat de kinderen op school konden ruiken dat ik de stal had uitgemest, maar nu vraag ik me af of, áls ze ervan wisten, ze niet jaloers waren geweest.

In plaats van het buitenleven koos ik voor de geneeskunde. Het is een keus waar ik nooit spijt van heb gehad, maar toch wordt de droom van het buitenleven steeds sterker, bijna tastbaar. Als ik flink doorwerk, heb ik volgend jaar mijn studieschuld afbetaald, en dan ben ik vrij. Wie weet dokter ik nog een paar jaar door, zodat ik met een veilige buffer poromies word, of misschien blijft dat voor altijd een droom.

Ruska

Als de zon zich schoorvoetend terugtrekt, volg ik haar, de wildernis in. In het bos, waar de stugge naaldbomen door kopergele berken worden gestut, heerst de duisternis al, maar in het moeras doet de avondzon de rode moerasgrassen en bronzende struiken glanzen als de lippen van een oosterse prinses. Oh Ruska, het ravissante kleurenspel van de herfst, en de hardloper die in zijn vermoeidheid zo’n makkelijk prooi is, hij proeft van de bosbessen en vervolgt dan zijn pad in de richting van de Rijsberg (een vermolmd bord met haast onleesbare letters, nog 30km).

De herfst is zoveel zachter dan ik had verwacht. Vroeg op een morgen eind augustus echoden de rauwe kreten van kraanvogels over het meer dat nog gevangen lag in een dichte mist. Ze begonnen aan hun trektocht naar Afrika. De dag erna begon het te regenen en het duurde niet lang of het bladgroen trok zich terug uit de gewassen. Op een gegeven moment hield de regen het voor gezien – misschien had hij zich vergoten. Hij liet de wildernis over aan Ruska, die eerst de berken, dan de lariksen en lijsterbessen wenkte, een magistrale kleurensymfonie dirigeerde.

Ruska is haar naam, en ik ben haar minnaar. De zwarte beekjes fluisteren zinspelende verzen, de wulpse paddenstoelen zijn nieuwsgierig uit de grond geschoten en de moerasgrassen blozen. Ruska, haar schoonheid is de hoogste kunst. Schilderijen zijn kinderspel, gedichten schieten woorden tekort en de muziek, tenslotte, is slechts gemaakt om bij de open haard de stilte te vullen als de kou het land in zijn greep heeft en de vogels zijn weggetrokken. Neem nou die kale boomstronk, van een dode dwergberk misschien, de takken ervan kronkelen lustiger dan de levendigste Jugendstil. Maar voor een museum laat Ruska zich niet vangen. Haar steelse blik is er een in het voorbijgaan. Ze ontkleed zich, maar als je denkt haar naaktheid te mogen zien, verdwijnt ze in het niets. Tussen al het groen en geel van de naaldbomen en de berken ligt een kleine open plek en in het midden ervan staat een boompje met bladeren als vlammen zo rood. Het is een esp van slechts een paar meter hoog, een paar bosbessenstruiken hebben zich aan haar voeten geworpen. Op de weg terug speur ik om me heen, zie duizenden bomen maar niet één andere esp. Het was de enige esp in het hele bos, de enige vuurrode boom in een geelgroen bos, en dat is poëzie, zou Remco Campert zeggen.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie november 2014