De verloren tijd

Misschien was dit wel het beste boek om het jaar mee te eindigen, Swanns kant op van Marcel Proust, niet alleen omdat het een boek is dat me bevalt vanwege de stijl van lange, prikkelende zinnen en vele metaforen en associaties, maar ook omdat het een boek is waarin wordt teruggekeken. Dat is immers wat we doen als het nieuwe jaar voor de deur staat, we kijken terug, proberen dingen te plaatsen die we op het moment dat we ze doormaakten niet in hun verband konden zien.

Swanns kant op gaat bijna geheel over herinneringen, het speelt zich in het verleden af, een verleden dat gebonden is aan plaatsen, herinneringen die door die plaatsen worden opgeroepen, iets wat heel nadrukkelijk wordt uiteengezet in de laatste zinnen van het boek:

De plaatsen die we hebben gekend behoren niet alleen toe aan de ruimtelijke wereld waarin ze gemakshalve situeren. Ze vormden destijds maar een smal partje in het continuüm van indrukken dat ons leven uitmaakte; de herinneringen aan een beeld is niet anders dan het terugverlangen naar een bepaald moment; en huizen, wegen, lanen vliegen heen, helaas, als de jaren.

Ook de twee klokkentorens van Martinville en de toren van Vieuxvicq, bakens in de verte, die van positie veranderen tijdens een tocht met het rijtuig, symboliseren hoe nabijheid (in ruimte of tijd) de zaken uit hun verband trekt.

Voordat het boek uiteindelijk in 1913 werd gepubliceerd was het door verschillende uitgevers afgewezen. Bij uitgeverij Fasquelle vonden ze bijvoorbeeld dat het werk grotendeels bestond uit totaal oninteressante mijmeringen van iemand die wakker op bed lag, ze konden niet bevroeden dat het boek honderd jaar later tot de belangrijkste werken van de wereldliteratuur wordt gerekend. Maar ook als het boek nu was geschreven, in 2016, geloof ik niet dat het gemakkelijk zou zijn een uitgever geïnteresseerd te vinden. Meer nog dan vroeger kunnen weinigen lange, complexe zinnen en associatieve gedachtegangen naar waarde schatten. Wat te denken bijvoorbeeld van deze passage, op bladzijde 149, over de ogen van het meisje Gilberte:

Haar zwarte ogen schitterden en omdat ik toen niet wist, en ook later niet heb geleerd, hoe ik een sterke indruk tot zijn objectieve bestandsdelen moest herleiden, omdat ik niet genoeg ‘opmerkingsgave’ bezat, zoals dat heet, om er de notie van hun kleur uit te extraheren, deed de herinnering aan hun glans, als ik aan haar terugdacht, zich lange tijd meteen aan me voor als een fel hemelsblauw, want ze was immers blond – zodat ik, als ze niet zulke zwarte ogen had gehad (wat erg opviel als je haar voor het eerst zag), misschien niet, zoals nu het geval was, in het bijzonder verliefd zou zijn geworden op haar blauwe ogen.

Waren haar ogen nu zwart of blauw? Hij werd verliefd op haar blauwe ogen hoewel haar ogen niet blauw waren maar zwart. Behalve dat we dingen niet direct kunnen plaatsen, zoals ik eerder in dit stukje schreef, wanneer ze plaatsvinden, is het dus ook nog eens zo dat we niet eens feitelijke waarnemingen kunnen doen, we kunnen een sterke indruk niet tot zijn objectieve bestandsdelen herleiden.

In het eerste deel van het boek, waarin de passage over de blauwe zwarte ogen van Gilberte deel uitmaakt van de herinneringen die bij de hoofdpersoon opkomen als hij de slaap niet kan vatten, spelen zintuigelijke indrukken gekoppeld aan gevoelens een belangrijke rol. Zo zijn er de meidoorn, viooltjes, mooie jurken en purpere kleuren die steeds maar terug blijven komen.

Het tweede deel van het boek gaat over Odette, de liefde van meneer Swann. Zij wordt op hem verliefd, en als hij eindelijk echt voor haar zwicht, betoverd door het andante uit de Sonate voor viool en piano van Vinteuil (een fictieve componist), bedriegt ze hem continue en maakt van zijn liefde een lijdensweg.

Het leven van Swanns liefde en de trouw van zijn jaloezie bestonden uit de dood, de ontrouw van ontelbare verlangens, ontelbare twijfels, die allemaal betrekking hadden op Odette. Als hij haar langere tijd niet had gezien, zouden die afstervende verlangens en twijfels niet door andere worden vervangen. Maar Odettes aanwezigheid bleef beurtelings tedere gevoelens en verdenkingen zaaien in Swanns hart.

In het derde deel ondek je gelijkenissen tussen de liefde van meneer Swann en de kinderliefde van de hoofdpersoon voor Gilberte, de dochter van Swann, de liefde die beantwoord wordt door onverschilligheid. Het roept de vraag op wat toch onze passionele liefde aanblaast, hoe het komt dat juist onverschilligheid ons verlangen wekt, en is het de onbereikbaarheid, de onverschilligheid van de verloren tijd die ons zo vaak naar haar doet verlangen? Met die vraag voor mezelf sluit ik dit jaar af.

***

Swanns kant op maakt deel uit van de romancyclus À la recherche du temps perdu (Op zoek naar de verloren tijd), dat Proust schreef van 1908 tot 1922 en dat gepubliceerd werd in zeven delen van 1913 tot 1927. Ik las de vertaling van Martin de Haan en Rokus Hofstede, die in 2015 bij Atheneum – Polak & Van Gennep verscheen, eerder verscheen het boek in 1979 onder de titel De kant van Swann, vertaald door C.N. Lijsen, M.E. Veenis-Pieters en Thérèse Cornips en in 2015 verzorgde Thérèse Cornips een geheel nieuwe vertaling.

De sluwe vos

Toen ik thuiskwam van mijn zondagochtendloopje stak een vos over het pad tussen het bos en het moeras. Ik had hem eerder op de ochtend ook al gezien, toen zat hij in het moeras, maar ik was er niet helemaal zeker van of het inderdaad een vos was.

Hoewel ik van plan was de hele dag aan schrijven te besteden, ging ik toch mijn camera halen. In het moeras wist ik de vos tot dichtbij te naderen. Ik geloof dat het een vrouwtje was, maar dat denk ik eigenlijk alleen maar omdat ze bijna voortdurend met haar uiterlijk bezig was, haar vacht likte, tot ze opgemaakt en wel ging poseren.

Poserende vos
Poserende vos

Ik was verrast dat ze niet bang was. Aan de andere kant, we hebben ook wel eens bezoek gehad van een vos toen we midden in het centrum van Turku op het terras van café Koulu zaten. Kennelijk zijn vossen helemaal niet zo schuw.

Ik moest denken aan de eerste keer dat ik een vos zag. Dat was in het bosje ‘aan de andere kant van de snelweg’. Toen woonden we in een boerderijtje op de broekstraat in Nijmegen, dat lag ingebed in een boomgaard die in mijn herinneringen altijd bloeide, roze en wit. Het bosje aan de andere kant van de snelweg lag op de hoek van de Bijsterhuizenstraat en de Elsenpas. Mijn broer Daan en ik waren nog klein maar dapper genoeg om daarheen te gaan om in het bos te spelen. Er was daar een hut. Op een dag zagen we een vos door het bos sluipen. Zijn gang had iets geheimzinnigs. Dat geheimzinnige moest dus ‘sluwheid’ zijn, dacht ik, want dat vossen sluw waren wist ik wel, maar wat dat precies betekende wist ik nog niet

Wintertijd

Ik stond vroeger op dan strikt noodzakelijk. Om vijf uur zomertijd was ik wakker geworden, ik overdacht mijn schrijven en dat van anderen en de stroom werd zo sterk dat het me niet meer lukte om weer in slaap te vallen. Zes uur zomertijd stond ik uiteindelijk op. Ik pakte een Knausgård en ging op de bank liggen lezen, met de gedachte dat ik nog zou kunnen indutten en dan zou ik dat laten gebeuren. Om zeven uur zomertijd kookte ik pap en zette ik koffie, en nog een uur later begon het beetje bij beetje licht te worden, hoewel de zon pas om negen uur zomertijd op zal komen.

Er hangt een dikke mist boven het moeras, zie ik vanuit het keukenraam. Buiten heerst grijs en groen en bruin. Het schommelt deze dagen rondom het vriespunt maar er ligt geen sneeuw. Ik verwacht dat de mist opeens zal verdwijnen, dat de zon doorbreekt net zoals ze gisteren deed. Ze trok lange strepen over het moeras, strepen van licht en strepen van donker. Aan het meer projecteerde ze haar warme kleur op de berkenstammen. Ik voelde een geluksgevoel opzetten, onstuitbaar sterk, en ik vroeg me af hoe dat kon. Kennelijk was er een proces in gang gezet dat bepaalde stofjes losliet in mijn brein en in mijn bloed. Ik kon het voelen stromen. Speelde het zonlicht op de berkenstammen dan een rol in de evolutie? Had het invloed op voortplanting, of beschermde het tegen ziekten? Toen moest ik denken aan wat ik op internet las, een man die euthanasie zal worden verleend omdat hij chronisch ongelukkig is. Onvoorstelbaar vond ik dat. Zou hij niet eens langs moeten komen om te wachten tot de zon haar ochtendlicht op de berkenstammen projecteert? Mijn geluksgevoel, dat vertrouwd voelt, maar nooit vanzelfsprekend, is geen talent maar een gift. Iets waarvoor je alleen maar dankbaar kunt zijn.

Maar misschien breekt de zon vandaag wel niet door, misschien blijft de mist de hele dag hangen. Dat roept andere gevoelens op. Geen trieste gevoelens, maar een schijn van verdriet dat gelukkig maakt.

Ik werp een blik op de klok en realiseer me dat ik hem nog niet heb omgezet. De gedachte om dat alsnog te doen, lijkt me zo banaal en onnozel, dat ik het maar even uitstel. Als er iets bestaat dat heilig is, dan moet dat de tijd wel zijn.

Dienst

Zaterdagochtend stond ik iets voor negenen onder de douche in het ziekenhuis. Net als op doordeweekse ochtenden was ik hardlopend naar mijn werk gekomen. Maar eenmaal binnen, is het op zaterdag anders. Je bent de enige in de kleedkamer. Ik droogde mij af en keek in de spiegel. Hoewel het nergens voor nodig was, had ik mijn handdoek om mijn middel gebonden. In de spiegel zag ik geen dokter die zich klaar maakte voor zijn dienst op de eerste hulp, maar een bokser in de catacomben. En zo voelde het ook. Je weet nooit wat je tijdens de dienst te wachten staat. Het kan de hele dag rustig blijven, maar je kunt ook direct in een reanimatiesetting terechtkomen. Dan gaat het om leven en dood.

Zaterdag was redelijk te doen, het was druk genoeg om de dag voorbij te laten vliegen, maar het werd geen gekkenhuis. Op het einde moest ik een alcoholist vertellen dat hij kanker had. Verschrikkelijk vind ik dat. Ziektes hebben de laffe neiging zich aan de zwakkeren te vergrijpen. Gelukkig kon ik niet veel later hardlopend naar huis. Na twaalf uur leed doen die paar kilometers in de buitenlucht me goed.

Zondag stond in het teken van rust. Ik had de dag vrij, maar moest in de nacht werken. Zo’n dag leg ik mezelf niets op. ik fietste naar het centrum, zeven kilometer langs bossen, meren, moerassen en de rivier, en ik dacht erover na hoe ik de ideale wereld zag. Als een dag als deze, dacht ik. Ik wens iedereen zo’n fietstochtje toe, de kalmte die ik op dat moment voelde, een gezond lichaam. Had iedereen dat maar. Even later dacht ik dat dat juist het probleem was, we gebruiken teveel ons eigen leven als maatstaf. Er zijn natuurlijk een hele hoop verschillende manieren om het leven invulling te geven. Maar toch, dacht ik toen, er schuilt toch niets verkeerds in dat ik andere mensen toewens om zich net zo gelukkig en in evenwicht te voelen als ik me voel? Het is een soort van dankbaarheid, maar het heeft verder niets te betekenen.

De nacht was pittig. Lastige gevallen, de hele tijd door. Om zeven uur ‘s ochtends was ik zo moe dat ik haast niet meer kon. Een half uurtje gedut, en toen de boel afgerond. Ik kon naar huis en sliep twee uurtjes. Verbijsterend hoezeer je daarvan opknapt. Daarna weer zo’n dag dat niets hoefde. Ik fietste naar de stad, kocht lijstjes voor wat foto’s en ben niet naar de kapper geweest, al was het beter geweest van wel. Er rust een vloek op mijn kappers. Ze gaan failliet, sluiten hun zaak of er breekt een luizenplaag uit. Mijn laatste kapper was met zijn hele gebouw verdwenen. Er werd gebouwd, waarschijnlijk komt een begrafenisondernemer op zijn plek. Geen zin om op zoek te gaan naar een nieuwe, hoewel mijn haar al voor mijn ogen valt. Zo’n dag dus. En toch, volmaakt gelukkig.

Strijd

De voetstappen achter me klonken steeds zachter, ik had een gat van een paar seconden. Dat was niet veel, maar genoeg om te beseffen dat ik vroeg in de wedstrijd al voor een keuze stond. Zou ik dit tempo handhaven en voor de rest van het veld uit lopen, of zou ik me laten terugzakken om in het kielzog van de favorieten het spel van de langste adem te spelen?

Ik had het gevoel dat ik over de weg rolde. De glooiingen in de route voelde ik amper en ik kon vrijelijk ademhalen. In het groepje, dat langzaam maar zeker terugzakte, bevonden zich Jussi Utriainen en Aki Nummela. Dat waren de jongens van wie ik het meeste te vrezen had. Jussi liep ooit 2:13 op de hele marathon en hoewel hij naar eigen zeggen zijn hardlopen heeft gedegradeerd tot hobby, sleept hij nog steeds de ene na de andere gouden medaille mee naar huis. Hij is achtentwintigvoudig Fins kampioen. Ook Aki is een tegenstander die je niet mag onderschatten en dit seizoen heeft hij bewezen in topvorm te verkeren. Zijn beste tijd op de vijfduizend meter is bijna een minuut sneller dan die van mij.

Met die jongens achter me moest ik ervoor zorgen dat het tempo vanaf het begin hoog lag, zodat het verschil niet hoefde te worden gemaakt in de laatste kilometers. Bovendien bevonden zich in het groepje nog Jukka Kero en Henri Ansio, jongens die ik in eerdere wedstrijden wel had verslagen, maar met minieme verschillen. Zo haalde ik vorig jaar bij de marathonkampioenschappen Jukka pas in de laatste drie kilometer in.

Als ik in het groepje zou blijven lopen, zou het tempo hoogstwaarschijnlijk een stuk lager liggen. Of ik moest veel kopwerk gaan doen en daar zouden de anderen weer van profiteren. Nee, dan maar in mijn eentje als verkenner vooruit, dacht ik, maar ik hoefde al niet meer te denken want het gat was inmiddels een seconde of tien. Mijn benen hadden de keuze reeds gemaakt.

Is het eigenlijk te beschrijven hoe dat voelt, het gevoel over de weg te zweven, de straat nauwelijks aan te raken? Je lichaam lacht en je mond doet mee. Het enige wat je denkt is ‘niet te hard, niet te hard’. Je sluipt de heuveltjes op, roeit zachtjes tegen de wind in en voor de rest laat je je meewaaien met de wind. De drankjes slurp je naar binnen. Met je tanden scheur je de pakjes energiegel open en dan knijp je ze leeg. Je handen plakken van al dat suiker en dat is het enige dat je van de marathon voelt. Nee, dat gevoel is niet te beschrijven, laat ik het maar voor me houden.

The art of drinking

De ronde voerde van het atletiekstadion in Lahti door het park, langs het meer en terug naar het stadion. Tien-en-een-halve kilometer per rondje, en volgens het hoogteprofiel van de organisatie ongeveer veertig hoogtemeters. Dat rondje dus viermaal. Bij de eerste passage door het stadion, op een kwart van de wedstrijd, liep ik 36:05, en dankzij de ronde over de baan kon ik mijn voorsprong nauwkeurig bepalen: honderdvijftig meter, dus ongeveer een halve minuut. Het groepje achter me bestond uit een man of vijf, zes. Het was dus veel te vroeg om te juichen en ik mocht geen risico’s nemen, besefte ik.

De tweede ronde ging met evenveel gemak. Het publiek, dat ik in de eerste ronde al een beetje had bewerkt, was me welgezind. Ik lachte en stak ter dank voor de aanmoedigingen af en toe mijn hand in de lucht. Nog twee ronden had ik ze nodig. Bij de volgende passage in het stadion, dus halverwege de wedstrijd, was mijn doorkomst 1:12:20, wat betekende dat ik op constant tempo liep. Mijn voorsprong was gestaag gegroeid, tot ongeveer driehonderd meter, een hele minuut. Henri Ansio liep een paar meter voor het groepje uit, meende ik. Dat stelde mij gerust, want voor Henri was ik niet zo bang als voor Jussi en Aki.

De derde ronde liep ik voorzichtig, want ik hoefde de wedstrijd alleen maar zonder brokken uit te lopen. Slechts zelden, zeer zelden, lopen atleten de tweede helft sneller dan de eerste. En als een van die jongens dat in zich had, waarom was hij dan niet met me meegekomen? De heuvels waren trouwens iets gegroeid, merkte ik, en de wind was wat aangewakkerd. Toch liep ik op mijn gemak en ik voelde de geur van het kampioenschap al prikkelen in mijn neus.

Toen ik op een gegeven moment even voetstappen meende te horen, twijfelde ik. Dat moest ik mis hebben, realiseerde ik me toen ik op mijn klokje keek. Mijn tempo was vrijwel constant en gezien de gestaag groeiende voorsprong in het eerste deel van de wedstrijd, moest ik wat verder zijn uitgelopen. Er stond een behoorlijke wind aan de kant van het meer. Even later kwam er een fietser achter me aan die voortdurend met zijn fietsbel rinkelde. Wat moet die gast, dacht ik geïrriteerd. Was het een enthousiasteling of was er iets anders aan de hand? Probeerde hij me duidelijk te maken dat er toch andere lopers achter me aanzaten?

Plotseling hoorde ik ze. Hoeveel het er waren wist ik niet, maar een blik over mijn schouder leerde me dat in elk geval Jussi en Aki aanhaakten. Die laatste zat me werkelijk op de hielen. Hij had zwarte kleding en armstukken over zijn onderarmen. In de fractie van een seconde dat ik hem in me opnam, wekte hij de indruk van een ridder. Een ouderwetse ridder in zijn harnas.

Achternagezeten door Aki (midden) en Jussi (rechts). Foto: http://www.uusilahtijuoksu.fi

Verdorie, dacht ik. Nu heb ik dus toch wat te voorzichtig gedaan. Wat moest ik nu? Ik kon me gewonnen geven of ik kon mijn spierballen tonen. Instinctief koos ik voor dat laatste, want in sport geldt toch vooral onze dierlijke drang. Ik zette aan om de indruk te wekken dat ik alleen maar had lopen joggen en nu maar weer eens als wedstrijdloper uit de kast kwam.

Het was een riskant psychologisch spel. De inzet was als volgt: door plots te versnellen, zou de moed hen in de schoenen zakken. Úit de schoenen, bedoel ik eigenlijk, dwars door de zolen heen. Hun moed zou in de volgende ronde voor het oprapen liggen, maar dan was het voor hen te laat. De risico’s van deze tactiek waren overigens niet mild: zelfmoord. Ontploffende kuiten, een stervend hart. De kans daarop was trouwens enorm, dat wist ik best. Als ik mezelf zou opblazen, zouden ze me allemaal voorbijrennen. Mijn lijk zou al in staat van verrotting verkeren als ze me daags na de wedstrijd eindelijk zouden opvegen.

Na twee kamikazekilometers kwamen we in het stadion aan. Daar, op driekwart van de wedstrijd, nam Aki de koppositie over, maar tegelijkertijd stelde ik vast dat we zowaar Jussi van ons hadden afgeschud. Toen Aki eenmaal op kop liep, moest ik hem laten gaan. In een kilometer had hij al een gat van vijf, tien seconden. Zijn lichaam straalde kracht uit, zijn gang was monsterlijk snel. Deze ridder had zich in zijn beste harnas gestoken, zijn zwaard was geslepen.

Bij de eerstvolgende heuvel voelde ik maagkrampen. Ik moest het tempo laten vieren, liep even te joggen en moest zelfs een moment stoppen. Gelukkig was mijn voorsprong op Jussi zo groot, dat ik hem niet kon zien. In de kilometers daarop moest ik weer af en toe pauzeren om de maagkrampen te bedwingen, maar die momenten koos ik wel uit: net voorbij een bocht, zodat Jussi me niet kon zien.

Gelukkig was het niet ver meer. Acht kilometer naar de finish, nog zeven, zes. Het waren er nog vijf en als ik omkeek was er geen Jussi te bespeuren. Met een paar trage kilometers waren de buikkrampen voorbij.  Ik liep voorzichtig. Het goud was me ontglipt, met het zilver zou ik in de laatste vier kilometer zuiniger omgaan. Met nog zo’n drie kilometer te gaan was de wind nog wat aangewakkerd, en ook de lichte heuveltjes in de laatste twee kilometer waren weer wat gestegen. In de allerlaatste kilometer vroeg ik me af of dit de enige plek ter wereld was waar de tektoniek zo levendig was, maar voor ik tot een conclusie kon komen liep ik het stadion binnen.

Op het podium met Aki (1e) en Jukka (3e)

Na de finish (2:27:02) rende ik nog twintig meter door om Aki te feliciteren, en toen realiseerde ik me dat ik op geen enkel moment tijdens de wedstrijd teleurgesteld was geweest dat ik het uiteindelijk niet was geworden. Het moest natuurlijk geweldig zijn om kampioen te worden, maar ik ben blijkbaar te weinig topsporter om me druk te maken over verlies. De strijd, dat is wat ik het mooie vind aan de Finse kampioenschappen. De strijd met je kameraden. In die strijd kun je winnen of verliezen, dat is me om het even. Ook het gevoel van dat lichaam dat hard aan het lopen is terwijl je er niets van voelt, ja, dat is óók gaaf. En het lopen zelf, want je zult het geloven of niet, ik genoot met volle teugen van de omgeving, van de ruska, de bomen in hun herfstkleuren, en van de uitzichten over het meer. Tijdens mijn eerste doorkomst in het stadion kwam een de skischansspringer die naar beneden. Hij, de springer, was gewoon aan het trainen, op een skischans zonder sneeuw, en ik liep mijn wedstrijd. Dat schiep een bijzondere verbondenheid met iemand van wie ik nooit zal weten wie hij was.

Inmiddels zijn we twee dagen verder. De zilveren medaille siert de schouw, naast de bronzen van afgelopen jaar, en mijn benen voelen weer goed. Ik geloof dat ik, ondanks het tijdverlies in de laatste kilometers, de juiste keuzes heb gemaakt. Het is nog maar de vraag of ik met een minder offensieve wedstrijd überhaupt een medaille in de wacht had gesleept, en een kampioenschap is nu eenmaal geen wedstrijd om voor een snelle eindtijd te gaan. Over drie weken sluit ik dit najaar af op de Amsterdam marathon en daarna wacht het langlaufseizoen.

https://www.strava.com/activities/724799152/embed/5ba4984da20821ede4f9a8bc8e8e1a4c4e16ead2

Turku by night

Turun tuomiokirkko
Turun tuomiokirkko, the Turku Cathedral, built in the end of the 13th century.
Kirjastosilta (library bridge)
Suomen joutsen, built in 1902 in in St. Nazaire, France. Previously named Laënnec (after the doctor René Laennec who invented the stethoscope) up to 1922, then Oldenburg and since 1930 named Suomen Joutsen (Finnish Swan).
Aura river
Tehtaankatu – Factory street

Vijftig

Ik strooide een extra lepel havermoutvlokken in de pan, goot er nog een scheutje melk bij en na de pap dronk ik een tweede kop koffie voor ik mijn schoenen strikte, waarbij ik de veters net iets harder aantrok dan anders en eens diep ademhaalde, dieper dan normaal, want ik zou de lange weg nemen, de weg langs de rivier, door de stad, de weg over de brug naar het eiland Hirvensalo, met een tweede brug door naar het volgende eiland, Satava, en dan nog een brug, waar de rondweg over het eiland Kakskerta me terug zou brengen naar de laatste brug, terug naar het eiland Satava, en via de middelste brug terug naar Hirvensalo en terug over de eerste brug, terug door de stad en langs de rivier, terug naar huis en de weg deed wat ik hem vroeg, hij droeg me en reeg de kilometers soepel aaneen, alsof het ivoren kralen waren, glimmend en glanzend, en ook de heuvels droegen me gewillig, ze waren veel vriendelijker dan dat ik me had voorgesteld, ze heetten me welkom, dekten de tafel en als slot wezen ze me het bed in de suite, vanwaar ik mocht toezien hoe de zee klotste, hoe de rotsen standhielden, en hoe de kilometers droog en schematisch in elkaar haakten, en terwijl ik daar lag viel ik in de slaap, hardloperstrance, en werd pas wakker toen ik thuiskwam, waarop ik mijn klok in de computer schakelde en de indrukken van de ochtend konden worden geanalyseerd: vijftig kilometer, zes bruggen, een schaduw, twee levens.

Het eiland Satava
Het eiland Satava

Vanaf nu mag u rustig in- en uitademen.

Vijftig kilometer achter elkaar, dat was nieuw voor me. Na de marathon, tweeënveertig kilometer, houdt het hardlopen op en begint het ultralopen, zeggen ze. Toch voelde het niet zo. Zeker, er was de twijfel of mijn lichaam het wel goed zou keuren, of de energievoorraad toereikend zou zijn, en of ik onderweg niet van de dorst zou vergaan of door een langsrijdende psychiater zou worden tegengehouden. Niets van dat alles. OK, er kwam een flesje cola aan te pas, dat ik na vijfendertig kilometer in een voorbijkomend winkeltje kocht, in twee minuten opslokte en zonder mijn statiegeld terug te vorderen achter liet op het houten bankje op het terrasje voor de winkel. In dezelfde twee minuten was ik verbolgen over het feit dat politici van plan zijn extra belasting te heffen op frisdrankjes, alleen maar omdat er een dikke meerderheid bestaat die marathonlopers graag te grazen neemt – in feite komt een dergelijke frisdrankcalorieheffing neer op het belasten van gelopen kilometers. Enfin, de loopervaring, want daar had ik het over, de loopervaring was er nauwelijks anders op dan tijdens een kortere duurloop. Ik liep mijn rondje en ik was naderhand een beetje moe, maar het was allemaal best wel normaal. ‘Natuurlijk,’ zult u zeggen, ‘vijftig is een marathon plus een beetje. Je moet minstens honderd lopen om over ultralopen te praten!’

Ik ben bereid het te geloven. Het rondje van vijftig gaf me de voldoening die iedere loper zal voelen als hij net wat kilometers aan zijn langste duurloop heeft vastgeplakt, maar het was niets anders dan hardlopen. Als ultralopen écht bestaat, als het daadwerkelijk iets is van een andere categorie, dan moet het minstens honderd, tweehonderd kilometer zijn: de zon gaat onder en komt op, de poorten van de hel openen zich en sluiten zich achter je. Pas als je op blote voeten door het hellevuur rent, weet je wat ultralopen is.


Route:

https://www.strava.com/activities/691882422/embed/f9e7e961a127bf78f6cd5bbce0b5457573946b31

Zwarte stemmen

Een onderzoek gepubliceerd door Fireside Fiction en besproken in The Guardian bevestigt wat we eigenlijk al lang weten: de zwarte stem is in de literatuur ernstig ondervertegenwoordigd. Onderzoeker Ethan Robinson telde hoeveel verhalen in (voornamelijk Amerikaanse) literaire tijdschriften geschreven zijn door donkere auteurs. Dat waren 38 van de 2039 verhalen (1,9%) gepubliceerd in 63 tijdschriften – omwille van de leesbaarheid van dit stuk ga ik die verder de ‘zwarte verhalen’ noemen. Statistici berekenden dat de kans nagenoeg nul is dat dit lage percentage op toeval berust indien het percentage aangeboden zwarte manuscripten evenredig zou zijn aan donkere proportie van de bevolking (13,2%). Zelfs indien het percentage gepubliceerde zwarte verhalen gelijk zou zijn aan het percentage aangeboden zwarte manuscripten, zijn de verschillen tussen tijdschriften alsnog opvallend groot. Dat zou erop wijzen dat bepaalde tijdschriften meer of minder geneigd zijn donkere schijvers te publiceren.

Is dat wel zo?

Als wetenschapper dien ik eerst de studie kritisch door te lezen. Helaas wordt er niet serieus naar een andere verklaring dan racisme gezocht. Daarnaast wordt in het artikel veel nadruk gelegd op het aantal nullen achter de komma wat betreft de kans dat de gevonden verschillen op toeval berusten. Die nullen mogen voor de leek misschien indrukwekkend zijn, maar in feite betekenen ze slechts dat het verschil tussen 1,9% zwarte verhalen en 13,2% zwarte bevolking niet op toeval berust. Veel belangrijker zou het zijn om te benadrukken dat een zwarte inwoner in de Verenigde Staten een zeven maal kleinere kans heeft een verhaal te publiceren in een literair tijdschrift dan een niet-zwarte inwoner. Dat is een enorm verschil.

De verschillen tussen tijdschriften onderling zijn  lastig te interpreteren, door het lage percentage zwarte verhalen en relatief weinig verhalen per tijdschrift die de statistiek bemoeilijken. De rethoriek doet het onderzoek ook al geen recht, zo wordt een aangepaste vraagstelling voor de statistiek bijvoorbeeld toegelicht met ‘which is the most charitable to whiteness as possible‘, waarmee impliciet inhoudelijke kritiek wordt afgedaan als een vorm van whiteness. Het grootste gebrek van de studie is echter de tunnelvisie met betrekking tot de interpretatie van de getallen. De conclusie dat de literatuur racistisch is, wordt onvoldoende ondersteund.

Hebben we een probleem?

De beperkingen van deze studie leiden zo helaas af van het belang van de eenduidige bevinding dat zwarte of donkere schrijvers sterk ondervertegenwoordigd zijn. Dat toont de studie namelijk wel overtuigend aan. Hoe komt het, is het kwalijk en valt er iets aan te doen? – dat zijn  de vragen waar ik me met de beperkingen van een blanke mannelijke middenklasse schrijver wil wagen.

Natuurlijk zou hardcore racisme door een blanke elite die koste wat het kost de literaire macht aan zichzelf wil houden een verklaring kunnen zijn, maar zo iets is moeilijk om aan te tonen en zou daarom een uitsluitingsdiagnose moeten zijn: eerst moeten we zoeken naar andere verklaringen en die bevestigen of ontkrachten, voordat we stellen dat het ‘dus’ om racisme gaat. Zware beschuldigingen lokken immers defensieve reacties uit, nuancering draagt bij aan de welwillendheid om problemen te herkennen en aan te pakken.

Sex appeal en conservatisme

Als onlangs gedebuteerd schrijver ken ik de weg van de schrijftafel naar de lezer . De schrijver biedt manuscript aan bij de uitgever, en als die het boek maar sexy genoeg vindt geeft hij het uit. Als een boek wordt uitgegeven, is het echter nog niet bij de lezer. De boekenwinkelier kijkt misschien nog wel meer dan de uitgever met een marktoog naar het product, waar welliswaar geen houdbaarheidsdatum op staat maar dat vooral niet te lang op de schappen mag staan te wachten op zijn klant. Ook moet het boek zo sexy zijn dat het de recensenten zich laten verleiden en op hun beurt kunnen de sex appeal van het boek kunnen vermeerderen. Als het boek maar sexy genoeg is en zowel bij uitgever, winkelier, recensent als klant in de smaak valt, breidt de roem van het boek zich uit en bestaat er de kans dat het boek gekocht en gelezen wordt. Er zijn dus nogal wat schakels waar het, door racisme of door andere factoren, mis kan gaan.

In een tijd van moordende literaire concurrentie over de gehele keten is voor de sex appeal van een boek het commerciële aspect steeds belangrijker geworden. De uitgever en winkelier zullen niet alleen literaire of maatschappelijke waarde van het boek laten wegen, maar ook de vraag hoeveel drukken het boek gaat opleveren.

Aangezien recensenten ook maar mensen zijn, kan het zo zijn dat zij moeite hebben boeken buiten hun eigen referentiekader op waarde te schatten. Helaas is het recensenvak al even blank, mannelijk, hoogopgeleid en hoofdstads als het schrijversvak en uitgeversvak, wat de diversiteit van literatuurland vanzelfsprekend niet ten goede komt. Kortom, benauwde percepties over wat een goed boek is en commerciële overwegingen kunnen bijdragen aan een enigszins conservatief speelveld. Dat een groot aandeel van de huidige Nederlandse literatuur zich afspeelt in Amsterdam, en dat daarin vaak hoogopgeleide middenklasse blanke karakters een hoofdrol spelen, is daar een symptoom van.

Cultuur

Ook kunnen culturele verschillen bijdragen aan het feit dat het aandeel donkere schrijvers klein is. In de muziekindustrie is de relatieve oververtegenwoordiging van zwarte muzikanten in o.a. rap-, blues- en jazzscene overduidelijk gerelateerd aan culturele verschillen. Zou het zo kunnen zijn dat donkere bevolkingsgroepen zich meer toeleggen op expressievere vormen van kunst?

Opvallend is dat zowel binnen Nederland als internationaal schrijvers met een Arabische achtergrond een steeds belangrijkere literaire rol vervullen, terwijl de ‘zwarte’ inbreng achterblijft. Of het aandeel van de Arabische inbreng gelijke tred houdt met de migratie (met te verwachten vertraging van enige decennia vanwege de taalbarrière) weet ik niet, maar ik denk dat we ons geen ernstige zorgen hoeven te maken om Arabische participatie in de Nederlandse literatuur.

Uit het korset

Of de ondervertegenwoordiging van zwarte schrijvers nu met hardcore racisme te maken heeft of niet, het lijkt me van evident belang dat de literatuur baat zouden hebben bij participatie van alle bevolkingsgroepen, inclusief vrouwen en etnische minderheden. Iedere bevolkingsgroep heeft zijn eigen verhalen met eigen context. Fictie is er omwille van de literaire transcedentie, om via het woord uit de eigen belevingswereld te treden. In verhalen vereenzelvigen we ons met fictieve karakters, bewegen we ons in een wereld waarin andere wetten heersen. Zo oefenen we ons in het inleven en in het aanpassen aan een veranderende wereld. Vandaag de dag weet men zich ontzettend goed in te leven in zichzelf en in de eigen bevlokingsgroep. Het inleven in de ander zou best wel eens het medicijn voor onze tijdgeest kunnen zijn.

Als het commerciële argument doorslaggevend blijft in publicatie en beoordeling van boeken, zal de scoop van onze boekenplank zich steeds meer vernauwen, want de markt heeft nu eenmaal de neiging de goede wil te onderdrukken. Daar moeten we dus van af. We hebben voortrekkers nodig, donkere schrijvers die hun manuscripten insturen, uitgevers die hun nek durven uit te steken en maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen, of nee: uitbreiden, we hebben recensenten nodig die hun grenzen kunnen en durven te verkennen, winkeliers die nieuwe klantengroepen willen werven in plaats van hun oude klantengroep vasthouden, tijdschriften en literaire happenings die meer gaan inzetten op de maatschappelijke rol die de literatuur zou kunnen spelen. Ook welverkopende auteurs zouden solitair moeten zijn en geen percentages van de opbrengst eisen die leiden tot commerciële druk die de literatuur in zijn nauwe korset dwingt.

Wat u, als lezer kunt doen, is duidelijk. Lees Toni Morrison, lees Astrid Roemer, lees boeken die uw blikveld verwijden.

Lichtgevende nachtwolken

Vergeet het noorderlicht. In de zomer hebben we ‘s nachts een ander fenomeen dat vanuit de hoogste lagen van de atmosfeer licht over ons uitstrooit: de lichtgevende nachtwolken (noctilucent clouds). De wolken, die zich op zo’n 80 kilometer hoogte bevinden, in de mesosfeer, bestaan uit ijskristallen. Ze zijn vooral in het Noorden te zien, soms ook in Nederland. Lichtgevende nachtwolkden komen vooral in de poolstreek voor. Overdag zie je ze niet, omdat ze erg dun zijn. Maar in de nacht vangen ze nog zonlicht terwijl het beneden donker is. Dat is mogelijk als de zon zich tussen 6 en 16 graden onder de horizon bevindt.

Het fenomeen van de lichtgevend nachtwolken is zeldzaam en onvoorspelbaar, maar deze zomer, twintig zestien, zijn ze redelijk vaak waargenomen. De afgelopen dagen was het zo helder dat ze goed te zien waren en ook echt licht gaven. Vannacht heb ik ze vastgelegd op de gevoelige plaat, maar vanwege de plek (stad) en het feit dat het in juli ‘s nachts nog niet bijster donker wordt in Finland, heeft het nog geen wonderplaten opgeleverd. Wie weet volgen later deze zomer nog mooiere beelden, maar hierbij een impressie van de afgelopen nacht.

Noctilucent cloud above Turku
Noctilucent cloud above Turku

Op de volgende foto is een ribbelstructuur te zien. Dit is de meest typische vorm van de lichtgevende nachtwolken. Tevens te zien zijn dunne normale wolken, die zich donker tegen de hemel aftekenen, zich veel lager bevinden en ‘s nachts dus geen zonlicht vangen. Die lagere wolken kunnen wel oplichten in de schemering, als de zon net onder is.

Lichtgevende nachtwolken.
Lichtgevende nachtwolken.

Behalve de lichtgevende nachtwolken was het vannacht ook volle maan. Hier staat ze boven de oude Katarinakerk van Turku.

Volle maan boven Katarinakerk, Turku
Volle maan boven Katarinakerk, Turku