Even sta ik stil op het bospad aan de zuidkant van de heuvel. Moe, bezweet, een momentje rust. Ik snuif de lucht op, de zachte, haast zoete geur van het bos. Zo anders dan de kruidige lucht van de moerassen, die me haast bedwelmt als ik ‘s ochtends de deur uitga, de geur afkomstig van de Suopursu, de plant die geen Nederlandse naam heeft, de Rhododendron tomentosum. Geen muggen vandaag, misschien dat de lucht te vochtig is. Ik kijk om me heen en merk op dat het bessenseizoen nog altijd niet begonnen is. Net als de moerassen, die vrolijk aandoen door de witte plukken van wollegras, staat ook het bos in bloei. Dalkruid, dat in het Fins eekhoornbes heet, en zevensterren merk ik op. Ook zijn er kleine witte klokachtige bloempjes die ik niet bij naam ken, bloempjes aan een dunne stengel, bijna ronde blaadjes net boven de grond. Ze doen me denken aan balletdanseressen, zo fijntjes zijn ze, esthetische wonderen van het bos. Eenmaal thuis zoek ik het plantje op. Linnaeusklokje – de enige plant die Carl Linnaeus naar zichzelf heeft vernoemd, naar verluidt zijn lievelingsbloem.
‘Hoe is hij eraan toe?’ vraagt ze terwijl het nog nauwelijks tot me is doorgedrongen dat zíj het is die zomaar de traumakamer is binnengekomen, de kamer waar een stille verslagenheid hangt.
Ze kijkt naar mij, niet naar hém, die daar zo stilletjes ligt, grauw, bewegingloos en vel over been. Vanaf het allereerste begin, zeven maanden geleden, is ze al heel nadrukkelijk betrokken bij de zorg. Niet dat ze er enig verstand van heeft, nee, maar dat heeft ze ook niet nodig gehad. Liefde, dat is háár middel, daarmee hield zij hem al die tijd overeind. Met kerst had ze hem naar de gezondheidspost gebracht, ze had zich boos gemaakt toen de dokter hem niet direct naar het ziekenhuis doorverwezen had, maar pas toen de griep na een week nog niet verdreven was en hij met zijn verzwakte hart door de hoge koorts en ademnood totaal afgepeigerd was. Meer dan een maand bivakkeerde hij op de intensive care, werd vervolgens naar de beddenafdeling overgeplaatst om te sterven, maar tot ieders verbazing knapte dat draadje maar niet, dat dunne draadje waarmee hij in de wereld der levenden bungelde. Vanwege verlittekening was de functie van zijn longen zodanig aangetast dat hij continu extra zuurstof nodig had. Hij ontbeerde de kracht om het slijm uit zijn luchtpijp zelf op de hoesten. Wonder boven wonder kon hij na een halfjaar toch naar huis, maar nog geen week later wordt hij met loeiende sirenes weer naar de eerste hulp gebracht.
Het kost me een seconde of wat om het plotse verschijnen van zijn vrouw, juist op dit moment, te verwerken en woorden te vinden. ‘Hij… hij is zojuist overleden.’
‘Nee!’ kermt ze, ‘nee, nee!’ en ze werpt zich om zijn hals.
Met een schok besef ik dat de dood nog zó vers is, dat hij best nog een teug adem kan halen. Misschien is het overlijden nog niet helemaal achter de rug. Sterker nog, ik heb de dood nog niets eens zorgvuldig vastgesteld. Wat had ik dan moeten zeggen? Hij ís aan het overlijden? Natuurlijk, dat was veel beter geweest! Maar ja, daar kom ik nu pas op. Het overlijden is nu eenmaal geen geregisseerde gebeurtenis, het voltrekt zich de ene keer zus en de andere keer zo. Zijn pols was niet meer voelbaar geweest, de ademhaling was gestokt, en omdat met hem was eerder al afgesproken in geen geval te reanimeren kon ik hem alleen maar de tijd geven, die paar minuten die nodig zijn om het hele lichaam tot rust te laten komen.
Gelukkig gebeurt niet waar ik zo voor vrees. Het is alsof hij zich ervan bewust is dat hij daarmee zijn vrouw de stuipen op het lijf zal jagen.
‘Mijn liefje,’ jammert ze, ‘mijn liefje, kom terug. Kom toch terug!’
De wanhoop in haar woorden dringt door merg en been. Tranen wellen in me op bij de warme innigheid waarmee ze zijn hoofd zachtjes oppakt, op zijn voorhoofd kust en hem tegen haar borst aandrukt. Ik denk aan mijn aanstaande huwelijk en wens dat, wanneer het mijn tijd zal zijn, ik op net zo’n manier aan de borst van mijn geliefde zal mogen overlijden.
Ik probeer altijd een zekere plechtigheid in stand te houden als de dood het stokje overneemt bij een van mijn patiënten – nee, dat probeer ik niet, dat gaat vanzelf. Een arts hoort ruimte te geven voor de gevoelens van de nabestaanden, maar het is niet de bedoeling dat de dokter zijn eigen tranen de vrije loop geeft. Ik probeer als het ware een kussentje te bieden, een kussentje voor de steun, een kussentje ter verzachting, een kussentje ook om het overlijden op te presenteren als een kostbaarheid. Toch komt het vaak genoeg voor dat het verdriet zich nestelt in mijn borst, want zo voelt het, de pijn van een koude steen in mijn hartstreek. Want dat is ook zo: als de rol van de dokter is uitgespeeld, is het de mens die ertoe doet. En nu, nu vecht ik tegen de tranen.
De verpleegkundige wrijft over de rug van de vrouw. Zelf sta ik ellendig te zijn aan zijn voeteneind, de armen langs mijn lichaam, armen die aanvoelen als lood, zwaar en onmachtig. Dan draait ze zich naar me toe en valt mij om de hals. ‘Wat fijn dat je hier bent,’ zegt ze. ‘Gisteren was hij nog in zo goede doen, zo gelukkig…’
De volgende dag bel ik haar om te vragen hoe het gaat. Ik heb met de artsen gesproken die nauw bij zijn behandeling betrokken waren geweest. Het mocht een wonder heten dat hij nog een week thuis had kunnen doorbrengen, was de algemene conclusie. Het hele gesprek wacht ik op een vraag waarvan ik vermoed dat die speelt. Ze stelt hem pas als ik hem eigenlijk allang beantwoord heb, om het laatste restje twijfel weg te nemen.
‘Had hij nog geleefd als ik eerder aan de bel had getrokken? Was er dan nog iets aan te doen geweest?’
Dan vertel ik hoezeer ik getroffen was door wat ik de dag ervoor had gezien, de liefde waarmee ze zich had ontfermd over zijn dode lichaam. ‘Als er één ding is waar ik zeker van ben,’ zeg ik, ‘dan is het dat geen duizend dokters en verpleegkundigen de zorg hadden kunnen leveren die hij kreeg in de laatste week van zijn leven, de week dat hij thuis was.’
Singer-songwriter Serge Epskamp heeft een lied geschreven geïnspireerd op Achter de Rug van God. Hiervoor heeft hij de tekst van het begin van het hoofdstuk Lente bewerkt tot liedtekst. Het prachtige Drijven ze morgen is te beluisteren op bandcamp. Via zijn website is nog veel meer muziek van hem te beluisteren of aan te schaffen.
Rondom de lancering van Achter de rug van God ben ik tweemaal uitgebreid op de radio geweest. Eerst voor het zondagochtendprogramma Start en later voor Kunststof (Radio 1).
Beluister het interview bij ochtendprogramma Start hier.
En hier is het uitgebreide en diepgravende interview voor het programma Kunststof te vinden.
Op zondag 2 juli organiseer ik met een aantal hardlopende schrijvers Running Script, een uniek evenement waarbij hardlopen en verhalen het middelpunt vormen. We gaan eerste een stukje lopen en aansluitend is er tijd voor verhalen. Eigen werk en dat van anderen. Wil je het meemaken? Stuur me dan een berichtje, dan zet ik je op de lijst. Voor de kosten hoef je het niet te laten: in de overtuiging dat hardlopen en verhalen voor iedereen toegankelijk moeten zijn hebben we het inschrijfgeld vastgesteld op 7 euro per persoon (meer of minder mag ook). Deelnemende schrijvers zijn Hans Koeleman, Barbara Kerkhof, Bram Bakker, Peter Nijssen, Tim van der Veer en ik. Daarnaast zal Erik van Leeuwen enkele verhalende foto’s tentoonstellen. Lokatie: theater Vrijburcht, IJburg, Amsterdam.
Nog steeds is de wereld wit, maar lang zal het niet meer duren. De zon komt voor vijven op en gaat pas tegen een uur of tien onder, middernacht is het nog niet echt donker. Afgelopen zaterdag wandelde ik door het bos, toen ik de klanken hoorde waar ik zo lang had gewacht, de trompetachtige muziek van een zangzwanenpaar (Cygnus musicus).
Cygnus musicus
Vandaag schreef de krant Lapin Kansa, het Lapse volk, echter dat het nog altijd winter is, de lente is al twee weken later dan gewoonlijk. Volgens de weermannen is het pas lente als het blijvend boven nul is. Dat is het nog niet, maar er vallen gaten in het wit en de trompet van de zanzwaan klinkt uit de lucht. Voor mij is de lente al aangebroken.
Het nog bevroren meer Sierijärvi, eind april 2017
In mei wandel ik regelmatig naar het nabijgelegen meertje Suonukkalampi, dat tegen het eind van de maand eindelijk ontdooit. In de morgen zit het vrouwtje op haar nest aan de overkant van het meer, het mannetje drijft in de buurt om de wacht te houden. Ze merken me wel op, maar kennelijk is de afstand groot genoeg. Later op de dag dobberen ze allebei. Af en toe slaan met de vleugels in het water, waarmee ze zichzelf een douche bezorgen, en dan heffen ze de borst in de lucht. De dans is zo betoverend, dat ze me telkens teruglokt naar dat meer in het bos.
Zwanendans
In mijn volgende boek, Achter de rug van God, dat eind juni bij De Arbeiderspers verschijnt, schrijf ik over de periode dat ik als arts werkte in Posio, een klein dorpje in Lapland. Het is een boek over de kleine wereld van het dorp en de grote wereld daarbuiten, over de liefde, over ouderdom, ziekte en dood. De mythologie, hardlopen en langlaufen verbinden alles met elkaar. Ook vertel ik in het boek over wat de zangzwaan voor mij betekent.
Onder invloed van de snel lengende dagen – een uur per week-, de berichten uit het Zuiden, waar de eerste bloemen al ontluiken, waar vogels nesten, onder invloed van het getwetter en de wind die sterker wordt, maar ook warmer, gaat bij mij in maart het knopje om. De Lapse winter kon me maandenlang niet streng genoeg kon zijn, het werd me nooit te koud of te wit, zelfs de duisternis deerde me niet, maar nu heeft diezelfde winter opeens lang genoeg geduurd. De wegen liggen echter nog onder een laag sneeuw, die op zonnige dagen drabbig wordt, drekkig haast, en die er dan uitziet als het braaksel van onze vroegzwangere moeder natuur, onverteerde brokjes ijs bijeengebonden door een substantie van modderig water, zand dat gestrooid is op dagen dat de wegen nog spiegelglad waren. De loipe, de langlaufroute, wordt traag, maar toch is de winter nog niet voorbij: de meren zijn bedekt door een dikke laag ijs en een even dikke laag sneeuw daarbovenop. Er zitten mensen te ijsvissen, er glijden langlaufers over die witte vlakten en sneeuwscooters, en dat is allemaal al zo lang zo dat het onvoorstelbaar is dat daar ooit nog verandering in komt.
Maar toch: er is licht, er is kleur; de pijnbomen, die tot voor kort nog als zwarte, levenloze lettertekens van een vreemde, onbegrijpelijke taal in het witte landschap stonden, zijn nu heldergroen opgedost en de bast glanst als opgepoetst koper. Met het licht is ook het leven teruggekeerd. De stilte is het zwijgen opgelegd door meesjes en vinken die in opperbeste stemming verkeren, kinderen glijden in sledes gillend van de heuvels en hun ouders zitten hand in hand bij het raam met een kop koffie, opnieuw verliefd.
De sneeuwvelden schitteren in de zon alsof er helemaal geen tegenstelling bestaat tussen die elementen, het zonnevuur en de ijskristallen, maar verborgen onder die witte schijn verzamelen druppels zich in minuscule stroompjes die zich een weg banen door de verder nog bevroren grond, samenvloeien in een donkere, ondergrondse stroom die zich op zijn beurt weer een weg naar boven baant, de sneeuwlaag her en der doet verzakken, openbreken. Ook al vriest het vannacht weer en de hele komende week, ook al valt er straks weer sneeuw – de overgang van winter naar zomer heeft veel weg van een epische bokspartij die de lente reduceert tot een haast onverstaanbaar woord – , het is onvermijdelijk dat die zwarte stromen al het wit op den duur verzwelgen, inslikken en verorberen.
Nog een maand en dan breekt de rivier open, dan zal het lichaam van de man die in zijn wanhoop midden in de winter van de brug in dat enige wak van de rivier sprong komen bovendrijven. Ja, dat is het voorjaar dat ons wacht, hij zal op de wekenlang aanhoudende stroom van ijsschotsen meedrijven naar de zee, met steeds hogere snelheid, onder druk van al het smeltende sneeuw op het land. Zijn dood, die zo stil was, zal aanzwellen tot een gewelddadig, razend geweld dat alles meesleurt wat hij in zijn vingers krijgt, steigers, bootjes die niet op tijd op het droge waren getrokken.
Zo manifesteert de Lapse lente zich, zo zal zij zich doen gelden, hoewel de winter nog haar sporen nalaat, hardnekkige sneeuwresten op schaduwrijke plekken in het bos, tot de zomer al is aangebroken, de zomer die zich dan vergrijpt aan de zuidelijke heuvelhellingen waar witte en gele bloemknoppen ontluiken, oh, de zomer die de berken met een frisgroene penseel toucheert en in het moeras katoenachtige pluizen aanbrengt.
Maar ach, dat alles laat nog even op zich wachten.
Dat het lopen van korte tempo’s een essentieel onderdeel was voor de wedstrijdatleet leek voor mij altijd als een paal boven water te staan. Twee, drie keer per week rende ik op de baan of door de heuvels, de duurloopjes tussendoor waren deels bedoeld om van die tempotrainingen te herstellen. Alle trainers waren het er immers over eens, er was geen atleet die ervan afweek. Het was ook tof, natuurlijk, in een groepje over de baan snellen, een beetje bikkelen, daarna een kopje thee in de kantine en als je buiten het zicht van de trainer was zuipen in de kroeg.
Een probleem was dat het op de baantrainingen nooit te hard mocht. Je moest je altijd inhouden om jezelf niet over de kop te lopen. Maakte je er met je maatjes af en toe toch een wedstrijdje van, dan trapte de trainer je in je ballen.
De enige trainers die me echt af lieten zien waren Gerard van Lent en Johan Smet. In de trainingsschema’s van Gerard, die hij je in een excel-sheet toestuurde (altijd te laat, zodat het eens in de vier weken een verassing was wat je te wachten stond als je op de atletiekbaan verscheen) ging het om trainingsomvang (kilometers) en -intensiteit. Met een of andere formule leverde dat een score op die aangaf hoe lui je eigenlijk wel niet was. Met de warming-up liet hij je een uur lang uitsloven met sprintjes en sprongen over het grasveld van de atletiekbaan, zodat je al halfdood was als het loopprogramma begon. Vanwege zijn trainingsprogramma’s overwoog het bestuur van de atletiekvereniging om defibrillators te bestellen, iets wat door Gerard persoonlijk prompt werd afgewezen: als er iemand doodging tijdens de training, dan hoorde hij niet in de groep thuis. Hardlopen was een kwestie van op het randje balanceren.
Johan Smet had de eenvoudige taak er iedere maandagavond op toe te zien dat de atleten braaf het programma afwerkten terwijl Gerard oefende met zijn rockband. Maar Johan met het onverbiddelijke fluitje zou Johan Smet niet zijn als hij dat voorrecht niet benutte om zijn sadistische verlangens ruim baan te geven. De ‘pauzes’ tussen de tempo´s werden opgevuld met opdrukken en andere uitputtende krachtoefeningen. Als ik eindelijk in bed lag schrok ik tot twee uur ‘s nachts regelmatig wakker van krampende spierpijnen.
Dat waren werkelijk prachtige tijden, het hardlopen was geen hobby meer maar een continu afzien en ik zag eigenlijk maar een doel: overleven. Iedere week dat ik nog in leven was, ondanks de trainingen van Gerard en Johan, was een geschenk. Hoewel er momenten waren dat ik zelfs daarover twijfelde: was het niet beter om dood te zijn? Leven was lopen, en lopen was lijden.
Toen Gerard van Lent last kreeg van zijn geweten en besloot de levens van zijn atleten te sparen (hij nam afscheid, we moesten maar een andere trainer kiezen), kwam ik bij Bram Wassenaar, die er een heel andere filosofie op nahield. Hardlopen was voor de meeste wedstrijdatleten een hobby, het moest passen in het bestaan naast werk en gezin. Honderd kilometer per week was de max (bij Gerard kon je daar niet mee komen aanzetten), en het mocht nooit te hard. Het leverde vele persoonlijke records op, maar als ik voor mezelf spreek, moet ik bekennen dat ik nooit deed wat me werd opgedragen: ik liep doorgaans minstens anderhalf keer zo veel kilometers als op het schema stond, een tikkeltje harder dan was toegestaan.
Toen ik naar het Oosten verhuisde, besloot ik heft in eigen handen te nemen. Ik maakte mijn eigen schema’s, naar voorbeeld van Gerard en Bram, maar dan met nadruk op het aantal te lopen kilometers. Zo liep ik in een week eens 240 kilometer, en je raadt het al: het leverde me persoonlijke records op die me voorheen onwaarschijnlijk hadden geleken. Toch was ik een tikkeltje onzeker, en dus zocht ik weer een trainer op: Martin Breedijk. We gingen het doen op zijn Gerard van Lent’s, en we pakten het professioneel aan. Toen raakte ik geblesseerd, iets wat ik niet aan de trainingsschema’s wijt maar aan het totaalplaatje. Op mijn werkplek was ik niet echt gelukkig, mijn leventje niet in balans, ik leefde in continue stress en het feit dat ik een klein beetje een bekende hardloper was geworden en een gulle sponsor had, gaf me het gevoel dat ik voortdurend moest presteren.
De blessure duurde alles bij elkaar anderhalf jaar. Anderhalf jaar waarin ik geen vijfhonderd meter kon wandelen (wel tweehonderd kilometer aan een stuk fietsen!), ik was invalide. Toen ik een half jaar na de operatie eindelijk weer pijnvrij kon wandelen, begon ik ook weer te rennen, maar vanaf dat moment deed ik dat zonder schema’s.
Het hardlopen is nog nooit zo leuk geweest. Toen ik in Turku woonde, de hardloopstad van Finland, trainde ik op de atletiekbaan met maatjes die als gouden regel hadden dat het altijd harder moest. Je begon rustig en eindigde op je max. Tong op de grond. Maar in de tijden dat ik op plekken vertoef waar ik geen trainingsmaatjes heb, doe ik alles op mijn eigen manier. Wat inhoudt dat ik eigenlijk geen echte tempotrainingen meer doe.
Lijdt mijn vorm eronder? Dunkt me van niet. Ik loop ’s ochtends een stukje met mijn vriendin, 4:30 per kilometer, waarbij ik mag vermelden dat dit winterse tijden zijn, temperaturen variërend van +5 tot -35 Celsius, de wegen bedekt met een laag ijs en sneeuw, op schoenen met stalen puntjes in de zolen. In de middag en op vrije dagen loop ik in mijn eentje bijna altijd onder de vier minuten per kilometer. In de zomer gaan de kilometers op de weg zo’n tien seconden sneller, maar dan loop ik het gros van mijn trainingen op de flanken van de heuvel Ounasvaara, met zijn steile klimmen en dalen, de paden onverhard.
Er was een tijd dat ik me had aangesloten bij een groep die volgens de souplessemethode van Herman Verheul. Kerngedachte: de duurloop is slecht.
Onzin, weet ik nu: de duurloop is helemaal niet slecht. Wat slecht is, is dat veel mensen menen dat duurlopen langzaam moeten. Daar hebben ze allerlei theorieën voor, maar wat ik vroeger altijd al zo vreemd vond, toen ik nog braaf twee tot drie keer per week korte tempo´s trainde: dat een langzame duurloop beter is dan een harde duurloop, is volstrekt onlogisch. Het druist in tegen het gezonde verstand. Maar goed, iedereen deed het zo, er was eigenlijk geen discussie over, en dus deed ik het ook maar zo.
Vandaag liep ik bij een temperatuur van -10 een duurloop van 42,2 kilometer binnen de twee uur veertig op een route met zo’n driehonderd hoogtemeters. Aangezien ik gisteren al veertig kilometer had geskied (‘gelanglauft’), besloot ik het rustig aan te doen, waarbij ik een tempo van vier minuten per kilometer in mijn hoofd had, of iets in die buurt. Het draaide echter van het begin al lekker, het tempo zakte tot onder de 3:45 per kilometer en zelfs op de pittige heuvels van de oostkant van de Kemirivier boette ik niets aan tempo in. Na 21,1 kilometer klokte ik (bovenaan een pittige heuvel) 1 uur 19, dus was het doel duidelijk: ik zou er een 42,195 loopje van maken (leve de symboliek) en wilde uitkomen onder de twee uur veertig. En zo geschiedde.
Of dit wil zeggen dat ik in topvorm ben? Nee, maar het zegt me wel dat ik me geen zorgen hoef te maken. Hoewel ik al sinds eind oktober geen tempotrainingen heb gelopen, alleen duurlopen die af en toe ontsporen, doet mijn lichaam gewoon wat ik ervan verlang, al is het om de antiduurlopers de mond te snoeren.
Omdat alles een naam wil hebben, heb ik mijn loopfilosofie inmiddels al gedoopt. De no-nonsense methode. De no-nonsense methode is geen dogmatische leer en kent dan ook geen regels, alleen een paar uitgangspunten.
loop op je gevoel maar loop harder dan lekker is
loop meer dan je maatjes
raak niet geblesseerd
Dat is het looponderdeel. Qua loopscholing is er ook een uitgangspunt:
lopen leer je door te lopen (alle andere oefeningen zijn nonsens)
En omdat een moderne trainingsleer niet zonder adviezen met betrekking tot voeding en rust kan, kent de no-nonsense methode ook wat dat betreft enkele uitgangspunten:
eet naarmate je honger hebt (en niets is verboden en zeker niet als het vet is of suikers bevat)
drink naarmate je dorst hebt (niets is verboden op bietensap na)
een kater is geen excuus om een training uit te stellen of over te slaan
slaap een keer per etmaal, maar overdrijf niet
En qua doping:
doping is voor watjes
alle pogingen om de vorm te verbeteren op een andere manier dan door te bikkelen, is doping (dus ook bietensap, steunkousen, hoogtetenten)
Ten slotte voor het gewone leven:
lopen mag nooit een excuus zijn om de slapjanus uit te hangen thuis (op de afwas doen na) noch in de kroeg of elders
Dat was het wel zo’n beetje. De uitgangspunten van de no-nonsense methode zijn gratis en voor iedereen toegankelijk, ze zijn ook geheel vrijblijvend. Je zult zien dat het loopplezier alleen maar toeneemt naarmate de nonsens afneemt. Mensen die liever volgens hun oude en welbeproefde nonsensmethode blijven lopen, moeten het zelf maar weten.