De pestvogel

Iets na elf komt de zon op om tweeënhalf uur lang over de horizon te balanceren voordat hij weer ondergaat. Puur technische cijfers zijn dat, want zelfs als het niet bewolkt zou zijn, dan zou de zon niet boven de bosrand aan de andere kant van het moeras uitkomen. Maar toch: daglicht. En nog beter: aanhoudende kou, waardoor aan het eind van een week tussen de vijftien en twintig onder nul alle bomen wit zijn van een dikke laag rijp. Vandaag heb ik een vrije dag en ik heb me voorgenomen op zoek te gaan naar de pestvogel. Het getjielp dat ik deze week tijdens het hardlopen hoorde, heeft me hongerig gemaakt.

Naar buiten hoef ik niet eens, zie ik als ik de gordijnen openschuif. Een heel squadron pestvogels is neergestreken in de lijsterbes. Ónze lijsterbes. Tientallen zijn het er, ik kan mijn geluk niet op. Daar zitten ze met hun felle kleuren en hippe kuifjes, ze fladderen van tak naar tak, rukken aan de trossen en bezorgen elkaar zo een sneeuwdouche. Hoe de pestvogel aan zijn Nederlandse naam komt, is me een raadsel. In het Fins heet hij Tilhi, en die naam van hem zingt hij graag. De dikste van hen zit op een goede meter afstand van mij. Ik knip het licht uit, zodat ze zich niet aan me zullen storen en grijp de camera. Een tiental foto’s schiet ik van die prachtige vogel, maar dan vind ik het genoeg. De driedubbele laag glas van het raam tussen ons in is me te veel. Ik moet naar buiten, ik wil het gefladder horen en hun hoge, schriele zang.

Buiten schiet ik vlug nog een foto en dan vertrek ik voor mijn wandeling, om geen vogel meer te zien, geen kleuren ook. Alles is wit, alles is bevroren en stil. De sneeuw is nog vers, witter dan je je kunt voorstellen en de hemel, met flinterdunne bewolking, kleurt langzaam paars en blauw.

De charme van sneeuw

Sneeuwkegels in de lijsterbes

De trossen van de lijsterbes zijn bekroond met sneeuwkegels van wel twee vuisten hoog. Het ziet er feestelijk uit, maar ik ben bang dat de kegeltjes de kerst niet halen. Een moment van dooi of een baldadig windje, en het hele kunstwerk valt uit elkaar.

Bezoekende Zuid-Finnen spreken graag hun bewondering uit over onze Lapse winter. Ihana, kaunis, en door al die sneeuw is het hier veel minder donker. Wel ja, met al ruim vijftig centimeter lopen we inderdaad voor op schema, maar als de bewondering ons genoeg is, is er altijd wel iemand die opmerkt dat het voor bezoekers best wel mooi kan zijn, maar die mogen dan ook wel blij zijn dat ze niet dag in dag uit sneeuwruimwerk hoeven te doen. Dan volgen de verhalen over het gevoel dat ons bekroop op het moment dat de gordijnen werden opengeslagen, en dat er door al dat sneeuwruimen geen tijd was om te ontbijten. En vervolgens, bij thuiskomst…

Dichteres Heli Laaksonen schreef in Zuidwest-Fins dialect een vermakelijk stukje over de betrekkelijke charme van sneeuw: Ihana talvi. In dagboekvorm verandert de prachtige sneeuw van 1 januari in een week tijd gradueel in Saatana, 12 perkelee sentti uutta vitu lunt ja vitu ränttä ja vitu jäät, waarvan ik de vertaling liever achterwege laat.

Toch geloof ik dat de meeste noorderlingen er eigenlijk wel verknocht aan zijn. In de zomer hangt de winter nog als het zwaard van Damocles boven ons hoofd, want zodra de laatste sneeuw gesmolten is, is de zon alweer zo’n beetje op zijn retour. Maar als het dan eindelijk oktober is, de dagen kort en koud, de natuur bruin en uitgeleefd, dan vormt sneeuw de enige denkbare verlichting van de misère. En dus zijn we blij met die eerste vlokken, hebben we oog voor de schoonheid van ons land om vervolgens af en toe te vloeken op alweer twaalf centimeter sneeuw zich haast niet weg laat schuiven en die de wegen onbegaanbaar maakt.

Behalve dat dubbele gevoel van charme en ongemak, bezorgen sneeuw en kou me vaak een gevoel van opluchting met betrekking tot de klimaatverandering, alsof één koude nacht betekent dat het opwarmingsproces ineens is omgekeerd, alsof het ijs van de noordpool zich dan weer gaat uitbreiden en uitgehongerde ijsberen weer op zeehonden kunnen jagen. Onzin natuurlijk, de wetenschappers zijn het erover eens dat het proces onomkeerbaar is, en telkens weer blijkt het allemaal sneller te gaan dan voorspeld. Sneller zelfs dan gevreesd. Het wordt warmer en de zeespiegel zal flink stijgen, en de wereld zoals die nu is, zal spoedig geschiedenis zijn, net als de sneeuwkegels op de lijsterbestrossen. Het is zaak om al het mooie goed in je op te nemen, want alle schoonheid is vergankelijk.

(deze column verscheen in Noorderlicht, het tijdschrift van de Nederlandse Vereniging in Finland)

Winter light

Berusting

‘Het is kanker,’ zeg ik. Hij zit overeind in het bed en kijkt me aan. Vanwege zijn ademnood en algehele zwakte vindt dit gesprek hier plaats, op een plek die er eigenlijk niet geschikt voor is. Kanker in de mondholte. Een operatie zou zo’n tien uur duren, daarvoor is hij veel te zwak. We kunnen alleen symptomen behandelen, pijn bijvoorbeeld, maar de ziekte niet.

Het zijn verschrikkelijke gesprekken om te voeren. Syöpä, het Finse woord voor kanker, stamt af van syödä, eten. Je wordt van binnenuit opgegeten. Hoop kan ik hem niet bieden, er is niets dat hem kan redden. Ondanks onze technologische vooruitgang en de enorme stappen die de geneeskunde heeft gemaakt, sta ik met lege handen tegenover de ziekte van deze rendierman, die zijn hele leven lang loodzwaar werk heeft verricht. Het afgelopen jaar vielen zijn tanden er een voor een uit, maar tijd om naar de tandarts te gaan had hij niet. Geld trouwens ook niet. De pijn in zijn mond, die steeds heviger werd, had hij doorstaan. Gezien zijn conditie is het niet voor te stellen, maar tot vorige week was hij nog met zijn dieren in de weer geweest, tot hij flauwviel voor het oog van een buurman en met een ambulance op de eerste hulp werd afgeleverd. En nu ontneem ik hem alles in een paar woorden.

Hij zucht eens en knippert met zijn ogen. Minutenlang zeggen we beiden geen woord. Heeft hij wel begrepen hoe ernstig de situatie is? schiet het door me heen. De tien meter naar de wc zijn hem al te zwaar. Spoedig zal alles voorbij zijn.

‘Het spijt me,’ zeg ik, en ik leg een hand op zijn schouder.

Aan zijn gezicht zie ik dat hij breekt. Die hand op zijn schouder zegt hem meer dan de woorden ‘kanker’, en ‘onbehandelbaar’.

Maar dan slikt hij, en kijkt hij op. ‘Kaikki, mitä elämässä tulee vastaan, on otettava vastaan.’ De dingen op ons levenpad, daar kun je niet omheen.

Ruska

In Finland, the colourful phase of autumn is called ruska. In one month time, all nearly all leaves change colour. In Rovaniemi, a town located on the polar circle in Finnish Lapland, the onset is in early September, when birches  rapidly turn yellow. Simultaneously, poplars burst out in burning red flames, and soon also the rowans, already carrying bunches of blood red berries, change into orange and red.

Those who have walked through the forests and watched out over the hills during the vividly coloured phase of full blown ruska, will forever be enchanted by Lapland.

Tapio is the mythic keeper of the forest.

Rosebay willowherb can be found throughout the boreal forests. Because of her abundance, her beauty can easily be overlooked. But then, during ruska, the street girl shows her beauty!

As suddenly as they have come, the colors fade away at the end of the month. Most birches are naked and deprived, other still carry some golden coins. But the sadness of this phase of the autumn has its own beauty. In the next picture, I tried to catch the mood of October.

De bosnimf

Hier zit ik dan, op een boomstam bij door stenen omringde verkoolde takken, de overblijfselen van een kampvuurtje. Hier zit ik, midden in het bos dat me lief is, hier zit ik tussen sparren en okergele berken, met koffie uit de thermoscan en een camera geladen met verse ruskafoto’s en beelden van de zangzwaan. Ik zou voldaan moeten zijn, maar in plaats daarvan word ik overvallen door een tergende weemoed, een pijnlijk verdriet. Hoe kan de eenzaamheid waar ik zo vaak naar verlang zich zo meedogenloos nestelen in mijn borst?

Misschien is het de vermoeidheid van de nachtdienst die me kwetsbaar maakt. Misschien is ook wel het karakter van het seizoen, de weemoed die de herfst eigen is. Zeker speelt ook het boek dat ik deze weken lees een rol, Wim Hazeu’s biografie van dichter-scheepsarts Slauerhoff. Veel erin herken ik. De rusteloosheid van de dwalende dichter, zijn eeuwigdurende innerlijke tweestrijd, de afkeer van het (Hollandse) collectivisme en het verlangen weg te zijn, wat Hazeu enigszins eufemistisch Fernweh noemt.

Maar nee, met die term heeft hij het mis. Het is niet alleen een verlangen naar een onbestemd verweg dat Slauerhoff over de zeeën stuurt, maar ook, en misschien wel belangrijker, een sterke afkeer van het vaderland, de onmogelijkheid tot verzoening met zijn geboortegrond. Dat ik dat aantref in zijn biografie vergroot dezelfde gevoelens bij mij, die ik eerder afdeed als sentimenten horend bij het aarden op een nieuwe plek. Nee, die afkeer is niet vaag en onschuldig zoals ik me voorhield. Het is een vorm van haat, half latent maar real. Steeds nadrukkelijker spelen ze op als ik bericht uit Nederland lees, het nieuws of opinies, de social media. Slauerhoff zocht de zee op om het vaderland te ontvluchten, ik zoek het in de Lapse moerassen en bossen.

Op momenten als deze wil ik volstrekt alleen zijn, alleen met mijn afkeer van de mens. Het is trouwens niet zozeer de medemens die ik veracht, nee, het is vooral mezelf. Eerzucht, egoïsme, fatalisme… ik ben een kliko vol verachtelijke karaktertrekken. Al dit vergankelijk vuil bij elkaar noemt zich mens.

Ik slurp de koffie op en pak mijn boeltje bij elkaar. Als ik even later over een bospad wandel, in de richting van huis, wordt de woede heviger en de pijn van verdriet in mijn borst onhoudbaar. Ik ben weerloos en machteloos tegenover mijn zelfhaat. Ik zou zo graag iets anders zijn dan een mens. Zo kan ik niet leven, zeg ik tegen mijzelf, en die woorden blijven rondzingen in mijn hoofd. Zo kan ik niet leven. Hoe? Zo, als mens. Ik wil geen mensen, ik wil zelf geen mens zijn. Mensen zijn verachtelijk. Zo kan ik niet leven.

Ik ben een oktoberkind, de melancholie zit in mijn natuur, maar slechts zelden weet de droefheid me zo te overrompelen. Lijd ik aan acute depressie? Is dit nou een burn-out? Wat moet ik met mezelf aan? Was er maar iemand in de wereld die me helemaal begreep, iemand die me zou vergeven dat ik ben wie ik ben. Een soort mythische prinses, een bosnimf misschien. Een met een bedwelmende schoonheid en luisterend oor. Met zo’n nimf zou ik afdalen naar de hel, als ze me dat vroeg. Als ze me maar verlost van deze tergende wroeging, bijvoorbeeld door me lieve woordjes in te fluisteren. Morgen zal ik me ziekmelden, besluit ik, met de tranen haast in mijn ogen. Ik zal op zoek gaan naar mijn nimf. Ik ga nu alleen nog even naar huis om warme kleren te halen en dan zal ik een week lang van bessen leven in het bos.

Maar als ik thuiskom leg ik de weemoed af alsof het een mantel is die ik alleen voor de wandeling had omgeslagen. De melancholie, die zich af en toe nadrukkelijk manifesteert, is van voorbijgaande aard. Nu barst ik plotseling weer van de energie. Het bos heeft me de kracht gegeven om weer mens te zijn onder de mensen.

Rijkdommen

De geur van het bos

‘Als kind nam Janne een leeg luciferdoosje mee als hij het bos in ging. Die vulde hij dan met mos en als hij ‘s avonds op bed lag, bracht hij het doosje naar zijn neus.’ Met warme, rustige zinnen neemt Jussi Makkonen ons mee naar de jeugd van Jean Sibelius, die toen nog Janne heette, in de omgeving van Hämeenlinna. Hier staat een man die niet alleen de kunst beheerst zijn publiek te betoveren met zijn meeslepend spel op de cello, maar die ook in gewone mensentaal, als je het Fins zo mag bestempelen, de passie voor muziek weet te delen. We zijn in de concertzaal van cultureel centrum Korundi, in Rovaniemi, Lapland, waar cellist Jussi Makkonen en pianiste Nazig Azezian beginnen aan een nieuwe ronde van hun Sibelius Inspiration-tour, die hen door Finland, Europa en door de Verenigde Staten zal voeren. Over twee weken spelen we voor Michelle Obama en Nobelprijswinnaar Martti Ahtisaari, vertelt Makkonen, overigens zonder bijpassende trots in zijn stem te laten doordringen.

Jussi Makkonen en Nazig Azezian.  Foto: Marko Haapalehto

Bij de eerste tonen van de Romance in F-majeur Opus 78/2 voel ik tranen opwellen. Waarom raakt het me zo, oneindig veel meer dan wanneer ik de muziek thuis van een cd’tje beluister? Is het de geur van de dennentakken op het podium, die de sfeer van het bos oproept? Is het het bewegend beeld, opnames uit het huis van Sibelius, dat boven het duo op een doek wordt afgespeeld? Of is het het geheel, de muziek, de geuren, het beeld, de sprookjesachtige kleding van de muzikanten, die ontworpen zijn door Mert Otsamo?

Met vloeiende bewegingen zweven de handen van Nazig Azezian boven de toetsen van de piano, ze lijken ze nauwelijks te raken, het gaat allemaal vanzelf. Op eenzelfde manier bespeelt Jussi Makkonen zijn cello. De vier rijen voor me zijn leeg, het publiek zit verspreid in de zaal achter me. Af en toe dwaalt de linkerhand van Azezian bijna ongezien af naar een apparaatje naast haar op de grond. Ze draait aan een knop en de beelden boven hun gaan langzaam over naar een volgende scene, een vlinder die opvliegt in het bos, het beeld dat langzaam opstijgt en tenslotte uitkijkt over de Finse meren, het land waar Sibelius zich door liet inspireren, net als door de Finse mythologie.

Tussen de stukken door blijft het publiek stil, als betoverd. Met een geruisloze, balletachtige beweging haalt de pianiste haar bladmuziek van de piano, alsof juist tijdens de stilte tussen de stukken de muziek het meest tot uitdrukking moet komen.

Bij de Valse Triste Opus 44/1 houd ik het niet meer. Deze muziek, die mij zo dierbaar is, roept beelden op, momenten van liefde, momenten van verdriet. Ik voel mijn schouders even licht schokken, maar dan is daar de troost, het stukje waar het tempo wordt opgevoerd en waar het stuk een lichtere klank krijgt. Eens kijkt Jussi Makkonen me recht aan; er gaat een rilling door me heen.

Na Valse Triste vertelt Jussi over de huwelijksreis van Sibelius en Aino door Karelië, een reis die tegelijkertijd bedoeld was om de mythologische liederen op te tekenen, en waarvoor Sibelius een subsidie kreeg uit Helsinki. Omdat hij ook voor piano wilde componeren moest er een piano mee tijdens de tocht. In Karelië, het wilde achterland, zou immers geen piano te vinden zijn. De piano ging mee op een boot, maar toen het pasgetrouwde stel aankwam, meldde hun gastheer dat die piano nergens voor nodig was: hij had immers zelfs een prachtige vleugel.

Enkele jaren geleden werd opnieuw een piano op een boot vervoerd. Deze keer was dat vanwege een video-opname van Jussi Makkonen en Nazig Azezian.

Zelden heb ik zo’n indrukwekkend concert meegemaakt. Het overweldigende succes van dit muzikaal duo is volledig terecht. De sublimiteit waarmee wordt gespeeld, en daarbij het gebruik van multimedia, tot het duo op het podium zelfs samenspeelt met hetzelfde duo op een zwart-wit video, de reis door de tijd en door Finland, aan de hand genomen door Jussi Makkonen, eindigend op een bevoren meer, waar het duo urenlang met bevroren handen maar met brandende passie een video-opname maakten. Maar ook de nabijheid van deze warme mensen, die in de pauze en na het concert met mensen blijven praten en al die complementen en bedankjes incasseren. Dit stel heeft niet alleen voor het gangbare Sibeliuspubliek gespeeld, maar ook al voor honderdduizenden scholieren, en de muziek is niet daar gebleven, op dat moment, maar die kinderen hebben de muziek mee naar huis genomen, en ‘s nachts opgesnoven als de geuren van een stukje mos.

Meer informatie met o.a. concertdata en nog veel mooie videofragmenten:

Sibelius Inspiration

Jussi Makkonen

Nazig Azezian

Een mooie dood

Twee weken geleden waren de kruipbramen op hun best, vorige week de zwarte bosbessen, en nu is het nog een paar dagen wachten op de rode bosbes. Wonderlijk, hoe georkestreerd alles tot bloei en wasdom komt. Ook de herfst, ja, want hoewel we nog net in augustus leven zijn de voortekens er al: de lijsterbes met zijn glansloze rode trossen, de berk met zijn okergele blad. En als ik door de moerassen dwaal, met laarzen die slurpend de bodem zoenen, lijkt de Lapse zomer al wel voorbij. De mossen zijn oranje en rood, er is geen vogel meer te horen. Toch hebben de kleuren nu nog wat feestelijks, nog niet dat melancholische van september of oktober. Het is of ik door een kunsthal loop, een ontzaglijke hal waar alle kunstwerken tot in de kleinste details zijn uitgewerkt en samen een reusachtig geheel vormen, dat ongemerkt maar onmiskenbaar een metamorfose doormaakt, van de kiem naar de dood.

Plots vallen er druppels uit de wolken die zojuist nog van zilver leken, en met de regen wordt alles om me heen net een tint donkerder. Aan de andere kant van het moeras beland ik op een pad, en als de bui steviger wordt, schuil ik onder een katwilg. De euforie van daarstraks, ingegeven door de kleuren van het moeras, verandert in een soort droefheid, maar dan een lichte variant ervan, een droefheid die aan gelukzaligheid grenst. Ik denk aan Paavo Ahrola in het boek Miehen tie (De weg van een man) van Frans Emil Sillanpää, uit de jaren dertig. Paavo Ahrola, voor wie de liefde zwaarder was dan de dood van vrouw en kind. En waarom zou hij niet gelijk hebben, denk ik als de regen is opgehouden. Wegen wij de dood niet veel te zwaar? Natuurlijk is het verdrietig om iemand te verliezen, maar als het nu om jezelf gaat: waarom vrezen we het einde? Niet-leven is toch geen lijden, we hebben toch ook geen slechte herinneringen aan de tijd voordat we leefden?

Kan het overlijden ook mooi zijn? Die vraag houdt me bezig als ik terugwandel naar huis. Want dat is hoe de Skolt-Sami (een Laps volk) dachten over de dood, althans, dat schreef Robert Crottet meer dan zestig jaar geleden in de inleiding van zijn bundel van Lapse volksvertellingen Betoverde bossen (oorspronkelijke titel: Forêts de la lune). Voor de Skolt-Lappen bestonden toen geen vaste grenzen tussen dit leven en dat aan gene zijde. Na het overlijden zou je alleen maar dieper doordringen in de geheimen van een betoverd bos. Het noorderlicht was de dans van de overledenen, die daarmee de poolnacht van de levenden verlichtten.

Dat het leven heilig is en de dood zo’n beetje het ergste wat er bestaat, is een westers idee. Jaren geleden werkte ik in een tropenziekenhuisje in Malawi. Dagelijks overleden jonge kinderen overleden aan ondervoeding of malaria. De moeders waren sterk en lieten zich door de dood van hun kind niet uit het lood slaan. Ik vroeg vrouwen die rondom de bevalling waren opgenomen naar hun sociaaleconomische omstandigheden. De meeste theeplukkersgezinnen moesten rondkomen van zo’n tien euro per maand en vragen naar aantallen van doorgemaakte zwangerschappen, bevallingen en levende kinderen vaak verschillende antwoorden op. Eens legde ik de vragenlijst naast me neer en vroeg ik een patiënte beduusd wat het ergste was dat haar kon overkomen. ‘Dat ons huis door brand wordt verwoest,’ antwoordde ze nadat ze zich even op de vraag had bezonnen. Toen ik haar vroeg of dat erger was dan haar kind verliezen, antwoordde ze dat ze in dat geval opnieuw zwanger kon worden, dus zo erg was dat niet.

Voor artsen is het overlijden zo een beetje de hardste eindmaat die er is. Ons handelen is er vaak op gericht om het overlijden een stukje vooruit te schuiven. De enorme vooruitgang van de medische wetenschap en daarmee onze levensverwachting zette in tegen het einde van de negentiende eeuw, toen Nietzsche’s Zarathustra verkondigde dat God dood was. Dat heeft ongetwijfeld met elkaar te maken, want God’s dood luidde ons individualistische tijdsperk in, de mens moest een levenskunstenaar worden. Het leven werd ons heiligste goed.

Toch geloof ik niet dat het leven eren inhoudt dat we de dood moeten verafschuwen. Nee, de grootste levenskunstenaar maakt van zijn dood een feestje. Tot dat besef kom ik als ik, bijna thuisgekomen, een bloem aantref die in haar bloei gestorven lijkt. Ook de dood kan mooi zijn.

Bloeiende dood, Rovaniemi 2017.

(c) Thijs Feuth