Running Script

Lopen met Luc Krotwaar (foto: Eric Roeske)

Op zaterdag 17 maart, daags voor de marathon, vond in Sportcentrum Olympos in Utrecht de tweede editie van hardloopverhalenfestival Running Script plaats. Onder begeleiding van veelvoudig marathonkampioen Luc Krotwaar, alias De Witte Keniaan, liepen schrijvers en publiek een rondje door Amelisweerd. Na een korte douche werd aangevat met het literaire programma met Tim van der Veer als presentator. Singer songwriter Sido Martens enkele liedjes, waarvan we er een online beluisterbaar kunnen maken:

Vervolgens waren er bijdragen van Hans Koeleman (De Olympiërs), Thijs Feuth (Achter de rug van God), Bram Bakker (Gerrit, vanwege ziekte voorgedragen door uitgever Peter Nijssen) en Tim van der Veer (Runner’s high). Barbara Kerkhof wist een traan en een lach tevoorschijn te toveren met haar dagboek over een bewogen jaar met borstkanker en hardlopen. Erik van Leeuwen presenteerde zijn mooiste verhalende hardloopfoto’s. Tot slot las Abdelkader Benali voor uit zijn hardloopverzamelaar Asfalt, zand en stenen. Na afloop was er een pastaparty waar artiesten en publiek nog inspiratie uit putten.

De opbrengsten van het hardloopverhalenfestival zijn overgemaakt naar KWF kankerbestrijding.

Lees hier meer over The Runners Literary Society en Running Script.

Forest Shadows

In Lapland, spring is not the absence of winter and summer, like in milder climates, but their coexistence. Days are long and often full of sunshine, but at the same time, the country is still covered in snow and at clear nights there’s a good chance to see the polar lights. Even though needles of the pines and spruces are again green (in stead of nearly colourless in the dark season), Laplands spring forests are optimal for black and white photography due to the playful shapes of shadows on snow covered ground.

Lente

De lente klopt niet netjes op de deur, zoals de herfst dat doet, maar beroert geruisloos de klink, opent hem op een kiertje en glipt naar binnen zonder dat je er erg in hebt. Na verloop van tijd merk je dat het tocht, dat er beroering is in de witheid waarin de eeuwigheid verankerd lag. Van onder de deklaag van ijs komen wegen tevoorschijn, en een smal strookje berm. Het smeltwater wordt afgevoerd via de brede geulen langs de weg, op zonnige dagen smelt het zo hard dat her en der de weg blank staat. Het duurt weken tot alle sneeuw gesmolten is, en zelfs tijdens dat proces zijn er dagen dat alle kleur uit het bos verbannen wordt als er opnieuw sneeuw valt.

Soms klinkt het druppelen van de smeltende sneeuw door de regenpijp gemoedelijk, het gestaag aftellen tot de zomer, maar er zijn ook dagen dat het openbreken van het pak sneeuw geweldda­dig aandoet. De beken, waarin zwart bloed vloeit, vormen diepe sneden in de blanke huid van de winter, de zuidelijke zijden van de heuvels worden met een schaaf aangetast.

Al het bloed is vruchtbaar, ook het zwarte bloed. Daar waar de stroom niet te sterk is, verschijnen zwanen, hun halzen snijden als sikkels door de mist. In een afwachtend stilzwijgen klimmen ze uit het water op de rand van het ijs. Daar waar zij vandaag nog staan, drijven ze morgen.

Tegelijkertijd verdwijnen de nachten, en daarmee de sterren en het noorderlicht. Ze veranderen in getjilp en geschetter van meesjes en spreeuwen. Wij noorderlingen zijn die lichtzinnig­heid niet meer gewend, maar ze doet ons goed.

(uit: Achter de rug van God)

Singer-songwriter Serge Epskamp bewerkte de tekst en maakte er een lied van:

https://bandcamp.com/EmbeddedPlayer/track=13111743/size=large/bgcol=ffffff/linkcol=0687f5/minimal=true/transparent=true/

Naar UNESCO-literatuurstad Utrecht

Via de Connemara, Ierland, waar ik aan mijn volgende roman schrijf, kom ik deze week naar Nederland voor twee korte maar erg leuke optredens in UNESCO-literatuurstad Utrecht.

 

Op zaterdag 10 maart zal ik voordragen uit Achter de rug van God bij het 111e Pindaconcert in het atelier van Kees Wennekendonk aan de Oudegracht aan de werf in Utrecht. Pindaconcert is een multidisciplinair huiskamerconcert met, volgens de organisator, de hoogste laagdrempeligheidsfactor van Utrecht. Check de website voor het complete programma en meld je aan. Voor de entree hoef je het niet te laten: een fles wijn, een kaas, een taart of een zak pinda’s (mensen met borrelnootjes worden geweigerd).

 

Voor sportievelingen is er op 17 maart een hardloopverhalenfestival Running Script. Dan gaan we eerst gezamenlijk een stukje hardlopen onder begeleiding van Luc Krotwaar (de Witte Keniaan), aansluitend is er een bijzonder programma met Tim van der Veer, Bram Bakker, Abdelkader Benali, Barbara Kerkhof, Hans Koeleman, singer-songwriter Sido Martens en fotograaf Erik van Leeuwen en de middag wordt afgesloten met pasta. Opbrengsten gaan naar het goede doel. Aanmelden uiterlijk 11 maart via deze website.

 

 

 

 

Connemara

When I was 18, I worked in a coffee shop in Cork and later in a little restaurant in Salthill, Galway. On the days that I was free from work, I cycled around the country. I loved to see and hear the ocean rocking and rolling against the cliffs. Galway, Mayo, Donegal. It was a magical experience to be there. Stories started coming up, stories of all kinds. Once I saw a mermaid. Months later, when I came home to my family in the Netherlands, I told my little sister about that mermaid. She must have been 5, back then (not the mermaid, but my sister). I showed her pictures of a rock by the shore, with on the background the sun setting in the ocean. There was no mermaid on the picture, but when I closed my eyes, I could see her, and I could hear the songs by which she tried to lure me into her world.

While most memories fade over time, my mermaid has become vivid and real. Still, I can see the shape of her body, half human and half fish, and her whispered words. I am thirty-six now, twice the age of the young man exploring the borders of his world, and I’m finally back in the country of the stories. Connemara is the site of my next novel. The country and landscapes play a certain role in the book, like in my previous works: nature mirrors the inner self. The main character is very different from me, so I have to get to know him by exploring his landscapes.

Last week, Ireland was in a state of emergency due to Storm Emma, the first blizzard in 35 years. However, to me it felt she never really came up. Surely, we had some snow and strong winds, but the blizzard arrived only in the late evening in Clifden, the town where I stayed, and the little bit of snow on the roads melted quickly the next day. Nothing compared to what I am used to in Lapland.

Emma, that’s how they called the storm that never came up. Emma, like my second sister. We rarely meet, due to a thousand miles and more. Emma, like one of my fellow students, a decade ago. She played cello and once she wore a dress that uncovered her shoulders and the ivory skin of her back. She was wonderful, but I never fell in love with her. There are many more of them, Emmas, and they must have something in common with the storm that never came up. 

Clifden Bay

Onschuldig en ter dood veroordeeld

Met mevrouw Tulvaniemi had ik röntgenologisch kennisgemaakt voordat ik haar de hand schudde. Ze was de avond ervoor met spoed opgenomen op onze longafdeling omdat ze niet meer kon lopen. De CT-scan die direct bij aankomst was verricht, toonde hersenmetastasen, en vanwege afwijkingen op de thoraxfoto was longkanker de hoofdverdachte.

Ze keek van me weg toen ik haar kamer binnenliep. Voor de diagnose had ze geen dokter nodig, zei ze. Ze had haar man, haar broer en zus aan longkanker verloren. Ze rookten allemaal als een ketter en zij ook. Ze wist al wat haar te wachten stond lang voor de eerste tekenen merkbaar waren, ze had gewacht tot het haar beurt was. ‘En vraag me niet waarom ik niet ben gestopt,’ zei ze. ‘Ik heb het geprobeerd, maar het is me gewoon niet gelukt.’

Ze sprak zacht en monotoon, nauwelijks hoorbaar, als om de onmacht tegenover het noodlot in haar stem uitdrukking te geven, en dat maakte nog meer indruk op me dan de medische kant van de zaak. Ik pakte een krukje en nam bij haar plaats. Nog steeds keek ze naar rechts, waar een raam uitzicht gaf op een besneeuwde schoorsteen waar dunne, witte rook uit kwam. De lucht daarboven kleurde rozig van de nog maar net opkomende zon. Ze wist alles wat haar te wachten stond, had ze gezegd. Die woorden dreunden na. Maar was dat wel zo? vroeg ik me af.

‘Je hebt bij je familie gezien wat longkanker kan betekenen,’ zei ik. ‘Mag ik je vragen hoe je tegen de ziekte aankijkt, ben je ergens speciaal bang voor?’

‘Pijn,’ zei ze, ‘De verschrikkelijke pijnen die mijn zus heeft doorstaan voordat ze een jaar geleden stierf.’

‘Dan gaan we ervoor zorgen dat dát je niet overkomt,’ zei ik. ‘Ik kan je niet beloven dat de ziekte geheel pijnloos verloopt, maar we kunnen afspreken dat het voorkomen en behandelen van pijn onze topprioriteit krijgt.’

Ik schrok van de leegte in haar blik toen ze zich naar mij keerde, en de diepe groeven in haar gelaat. We hadden het al over palliatieve behandeling voordat ik haar de exacte diagnose kon vertellen, realiseerde ik me, nog voordat ik wist of er nog mogelijkheden waren om de ziekte zelf te behandelen. Ik was blij dat er die ochtend geen student met me meeliep, want het zou een slecht voorbeeld scheppen van hoe je met een patiënt communiceert. Mijn gevoel zei echter dat het bij haar alleen op deze manier kon.

Twee dagen later zou ik met haar en haar zoon de voorlopige bevindingen bespreken. Alles wees op naar hersenen en botten uitgezaaid kleincellig longcarcinoom, een agressieve vorm van kanker. Telkens als ik die diagnose moet stellen, denk ik kort aan mijn eerste echte coassistentschap, jaren terug, op de interne geneeskundeafdeling van een Nederlands ziekenhuis. In de eerste week werd een vrouw van halverwege de dertig opgenomen vanwege ernstige duizeligheid, en voor het coschap ten einde was, werd haar euthanasie verleend op dezelfde afdeling. Ook zij had een naar de hersenen uitgezaaid kleincellig longcarcinoom.

Verrassend zag ik toe hoe mevrouw Tulvaniemi mijn kamer binnenliep. Niks geen rolstoel meer. De asymmetrie in haar mimiek was verdwenen en ze kwam beter uit haar woorden dan nog maar twee dagen eerder. Haar zoon was van mijn leeftijd of iets jonger, zijn vrouw droeg een baby van misschien een jaar oud op haar arm. Net als mevrouw Tulvaniemi zelf, schoonmaakster van beroep, waren het volkse mensen.

Ik denk dat ik weet hoe een rechter zich moet voelen als die een doodvonnis moet uitspreken, terwijl hij weet dat de vedachte onschuldig is. Toen ik was uitgesproken vormden zich tranen in haar ogen, een intens verdriet, want Finse vrouwen huilen niet gauw. Maar door die tranen heen vormde zich binnen een paar tellen een glimlach. Ik volgde haar blik, die op haar kleindochter rustte, die vrolijk op de tafel sloeg.

Op zo’n moment ben je als mens weerloos, ondanks jaren van de verschrikkingen die je als arts van dichtbij hebt meegemaakt. Drie generaties aan mijn tafel, het geluk van nieuw leven en het verdriet van een ter dood veroordeelde, die haar leven verliest aan haar rookverslaving. Zo overbodig, zo onrechtvaardig ook. Een schoonmaakster, een harde werkster, want zo is het: de lagere klasse is nog altijd kwetsbaarder. Ik zei niks en klemde mijn kaken op elkaar, want zo vecht ik zelf tegen de tranen. Koste wat kost zou ik voorkomen dat mijn patiënte het gevoel zou krijgen dat ze de dokter moest troosten.

Morgen is een grote dag, want dan valt het besluit of de tabaksindustrie in Nederland wordt vervolgd voor het verslaafd maken van jonge mensen. Het is belangrijk dat we kritisch worden tegenover de rol van de industrie, want de tabaksindustrie is net als de wapenindustrie hoogst immoreel. Toch ben ik er ook wat huiverig voor, want wat als de tabaksindustrie niet strafbaar wordt bevonden? Uiteindelijk gaat het mij minder om de strafrechtelijke kant ervan dan om awareness en the way forward, en daar ligt misschien ook wel de grootste kracht van deze aanklacht. Het feit dat beïnvloedbare jongeren extra bescherming verdienen tegen een dreigende rookverslaving, krijgt nu flink aandacht, en ook dat roken meestal een verslavingsprobleem is: een sigaret wordt zelden in vrijheid opgestoken. Het belangrijkste is dat we op alle vlakken de rookverslaving proberen in te dammen, zodat in de toekomst mensen als mevrouw Tulvaniemi en hun kleinkinderen ook van elkaar kunnen genieten.

Mevrouw Tulvaniemi, wat uiteraard haar echte naam niet is, is echter reeds overleden.

Eens stad der steden (3)

‘Je mag me ook zoenen,’ zegt de verkoper als mijn betaalpas dienst weigert.

Ik kijk van de dichtbundel van Pessoa naar hem, zijn zwarte stoppelbaard en brede wenkbrauwen, en ik kies, zonder er verder nog bij na te denken, eieren voor mijn geld. Een paar tellen, ogen dicht, zijn tong die om de mijne kronkelt. De klant achter me kucht en dan duw ik de verkoper zachtjes terug. Hij vraagt of ik een tasje wil en wenst me een goede dag. Benieuwd naar hoe het de volgende klant vergaat, blijf ik even treuzelen bij de afdeling poëzie.

Buiten regent het. Niet zoals het in Nederland doet, maar met kleine druppels, waar je niet koud of nat van wordt. Een vrouw met lange, grijze lokken zit met een cello tussen haar benen voor een witte kerk. Ik hou er niet van om demonstratief te staan luisteren, dus zoek ik een plekje in de schaduw van de kerk, meter of twintig verderop, waar ze me niet opmerkt. De muziek, die ik niet kan thuisbrengen, voelt als een flinterdunne zijde sjaal op mijn blote huid, die zachtjes meebeweegt op het zachtst denkbare briesje. De cello is een streelinstrument, bedenk ik me, geen strijkinstrument. Op haar armen na, die het werk doen, zit ze bewegingloos. Ik moet aan mijn oude pianoleraar denken, de een muntje op mijn handen legde. De muziek moest louter uit mijn vingers komen.

Een man komt op me af. ‘Je doet me denken aan die en die filmster in die en die film,’ zegt hij.

‘Dank je,’ zeg ik, wetend dat hij geld los probeert te peuteren.

‘Weet je wat schizofrenie is?’ vraagt hij dan, en ik knik. ‘Nou, dat heb ik dus. En weet je, die regering van ons…’ Hij spreekt Engels met een Brits accent. Slechte tanden heeft hij, maar een sociaal, zelfs uiterst vriendelijk voorkomen. En ja, of ik hem geld wil geven. Aan schizofrenie lijdt hij vast en zeker niet, het zal hem misschien om drugs te doen zijn. Maar wie ben ik om te oordelen of geld goed of slecht voor hem is? Al jaren hanteer ik het principe dat je iemand geeft waar hij om vraagt. Als het in je macht ligt, tenminste. Nu draag ik echter geen contant geld bij me.

‘Mag ik je ook zoenen in plaats van geld geven?’ vraag ik hem.

Dus dit is Lisboa. Er doemen overal mensen op die me willen zoenen, mannen en vrouwen, of aan de knopen van mijn overhemd frutselen, en ze zijn weg als ik met mijn ogen knipper.

‘Hasjiesj, cocaïne?’ fluisteren ongure types op de hoek van iedere straat. Mijn gang door de stad is een aaneenschakeling van indrukken en droombeelden en als ik ’s avonds op bed leg kan ik moeilijk onderscheiden wat nu ingebeeld, en wat werkelijk was. Er is de muziek van de stedelijke geluiden, de saudade die doorklinkt in het geraas van de metro. In de ondergrondse stations heerst een gedempt licht, donkere kleuren, en de metro zelf is vanbinnen blauw. De handvaten aan het plafond zien eruit stalen knopen, die bedoeld lijken om je aan op te hangen. Twintig lijken bungelen netjes in een rijtje. En er zijn de onmiskenbare geuren van de stad, zonder dat het ergens stinkt. De Lisboêtas beschikken over fijne smaak, waarmee het gelukt is van hun stad een zintuiglijk paradijs te maken.

Bij vertrek uit Rovaniemi was het zestien graden onder nul en lag er bijna een meter sneeuw. In Helsinki woedde de hevigste sneeuwstorm die ik ooit heb meegemaakt. Het vliegveld was het terrein van hele formaties machteloze sneeuwschuivers. Toch kregen ze een strook startbaan min of meer sneeuwvrij, en stegen we met ruim een uur vertraging op. De zee bij Lisboa leek wel een enorm duinlandschap met vlekken zand, die als je goed bleef keken bleken te krimpen en uit te dijen en op te lossen in het donkere geheel. Zo ziet de oceaanbranding er vanboven dus uit, op kilometers van de kust. De stad zelf was een keurig geheel van lichte gebouwen met oranjerode daken en er bloeiden, op de eerste februari, bloemen in het gras. De stad betoverde me al voordat ik er een eerste stap gezet had.

Midden in de nacht word ik wakker. Als ik het zolderraampje open, draagt de frisse lucht een neuriemelodie met zich mee. Aan de overkant brand licht achter een wit gordijn. Een schaduw beweegt heen en weer door de kamer. Het gebouw, waarvan ik alleen de bovenste verdieping kan zien, heeft zijn beste tijd gehad. De mozaïekbetegeling is her en der onderbroken door kaal cement, de kozijnen zijn scheef en kunnen het elk moment begeven. Ik trek de dekens weer over me heen en val in slaap, om de volgende morgen door de stadse drukte te worden gewekt nog voor de zon opkomt. Een droom ontglipt me, hoe dat kan is altijd een raadsel. Je zit er zo diep in met je gedachten, bijt je vast in details en plots gaat het verband verloren. En dan ontglipt je ook dat laatste detail.

Eens stad der steden (2)

Een dame komt aan mijn tafel zitten. Ze heeft een wat ovalen gezicht, donkere ogen, en een neus die een aparte eenheid vormt. Ze lacht, en zegt dat ik mooi haar heb. Ja, het was me opgevallen dat ik er anders uitzie. Iedereen hier heeft donker haar. De mannen kortgeknipt, de vrouwen meestal lang. Het haar van de mannen lijkt zwarter dan dat van de vrouwen, misschien het effect van een kastanjebruine spoeling. Bij vrouwen weet je nu eenmaal nooit helemaal zeker wat nou echt is. Op straat had ik met een snelle blik op de spiegeling in een winkelraam mezelf ervan vergewist dat ik nog steeds blond was, en in de spiegel in het hotel had ik even later de haartjes op mijn kin nader bestudeerd. Op sommige plekken neigden ze naar lichtbruin, terwijl de haartjes direct onder mijn lippen haast spierwit waren. Als ik een hond was geweest, dan had ik er vast uitgezien als de hond van mijn moeder die afgelopen zomer overleden was. Langharig, lichtbruin en symmetrische witte vlekken. Een lieve hond was dat geweest.

Ik leg mijn handen op tafel zodat ze de ring aan mijn vinger kan zien.

‘Getrouwd?’ vraagt ze en ik knik. Ze pakt mijn wijnglas en brengt het naar haar lippen. Ze kijkt me aan terwijl ze langzaam een paar slokken neemt.

‘Wat schrijf je?’ vraagt ze, terwijl ze door mijn schriftje bladert. ‘Zelfs als ik je taal zou beheersen, zou ik hier volgens mij hier niets van kunnen maken.’

‘Maar het maakt niet uit,’ voegt ze eraan toe. ‘Taal is veel meer dan woorden. Een goede schrijver heeft geen woorden nodig.’

Het door twee monden beroerde glas staat tussen ons in op het tafeltje, smekend om een bekentenis die ik weersta.

‘Lisboa is een erotische stad,’ stamel ik, en dan knipper ik met mijn ogen. De dame is weg en ik laat mijn glas bijschenken. Ik blader een bladzijde terug in mijn schriftje en dan is ze weer, de vrouw zojuist die me poogde te verleiden tot een fictief overspel.

‘Lisboa is een erotische stad,’ fluister ik in haar oor en ik snuif de parfum op in haar hals.

’s Nachts word ik wakker uit een droom waarin ik een jonge blonde vrouw het hof maakte. ‘Een pure schoonheid,’ zo sprak ik over haar waar ze bij zat. Ik roemde de trekken in haar gezicht, haar contouren en de tint en dikheid van haar haar. Dat alles zei ik zonder haar aan te kijken en zonder het woord tot haar te richten, want dat zou zijn als drinken aan het glas dat door de lippen van de Portugese dame beroerd was.

Om negen uur ’s ochtends weergalmt het luide geraas van de metro door de wit betegelde hal van metrostation van Chiado. Het geluid klinkt diep en warm, welt aan en tot er niets anders lijkt te bestaan. Het is geen lawaai maar een muziek waar de saudade in doorklinkt. Hier, onder de grond heersen de sentimenten van de stad. Het is meer dan erotiek, besef ik, wat ik voor Lisboa voel, het is een vorm van agape, de allesomvattende, harmonische liefde. Waar elders de metrolijnen het terrein vormen van haastige mensen, gaat hier alles gestaag als de stroom van de Taag. Een golf mensen stroomt bedaard omhoog tegen de trap op, en ik roei me in het midden tegen die stroom in naar beneden.

Tien minuten wacht ik op de volgende metro en op het tegenoverliggende perron verschijnen mensen waarvan de meeste als een lantaarnpaal met het gezicht naar beneden op hun mobieltjes staren. Handig vegen ze met hun linkerduim terug in hun tijdlijn. Er zijn ook mensen met een boek of een tijdschrift, maar die zijn in de minderheid. Een jonge man met een opengeslagen lange, zwarte jas staart wijdbeens voor zich uit, type maarschalk uitkijkend over een slagveld. Uit zijn oren lopen zwarte snoertjes naar zijn jaszak. U2 bedenk ik, wetend dat ik er hoogstwaarschijnlijk ver naast zit. Wachten is een kunst, die ik pas geleerd heb toen ik Nederland vaarwel zei.

Alle metrostations groeten Saída, en ik moet telkens aan een Amsterdamse moeder denken. Lisboa heeft in een oogwenk mijn hart gestolen, en dat had ik van tevoren kunnen weten: stad van Odysseus, stad van Pessoa, Slauerhoff, de fado en natuurlijk de ontdekkingsreizigers.

In de metro bestudeer ik de neuzen van de mensen, die onderling allemaal verschillen maar toch gelijken. Die van mij past daarbij, bedenk ik me. Ik weet dat ik Moors bloed heb, misschien reiken mijn wortels wel tot de ziel van deze stad, misschien ben ik haar verloren zoon. Die blonde kop die me anders maakt, is slechts een kleurenspoeling van de tijd, aangebracht door tussenliggende generaties.

Eens stad der steden (1)

Het is moeilijk voor te stellen dat Slauerhoff hier eens is geweest. Het is ook niet zo, niet in deze stad, met haar drukke weg over de oevers van de Taag, waar geen fado meer te horen is. Er valt nauwelijks te flaneren en de saudade heeft plaats gemaakt voor security guards. Was het wiel maar honderd jaar later uitgevonden, denk ik vaak – wat maakt dat nou uit, die honderd jaar in de menselijke geschiedenis? Als alle technologische ontwikkeling honderd jaar later was geweest, hadden we nu de eerste wereldoorlog zowat achter de rug. Mijn astma zou, ook in die tijd, geen schaduw van die van Slauerhoff zijn geweest, misschien had ik de tuberculose ontlopen. Als ik in zijn tijd had geleefd, zou ik hem hebben liefgehad als een broer, wat ik nu trouwens ook doe, ondanks die ene eeuw tussen ons in.

Tussen twee haakjes, het grootste probleem van deze tijd is misschien niet de onverdraagzaamheid, maar die vervloekte overbevolking. Als een flink virus de wetenschappers de baas is en de wereldbevolking tot een tiende uitdunt, komt er misschien ooit nog zoiets als een biologisch evenwicht. Dat schoot door me heen toen ik vanmorgen over Frankrijk vloog, de dorpjes in een groen landschap zak liggen maar wist dat het volk niet at van het landschap eromheen, maar grotendeels voedsel tot zich nam dat van ver kwam. Overbevolking en grootschaligheid, dat is het probleem.

Lisboa – nee, de stad is niet wat ze geweest moet zijn. De heuvels liggen er nog wel, met hun huizen en kerken ertegenaan, de straten als touwtjes van een rollade. Langs die touwtjes klimmen minitrams omhoog en omlaag, ze hebben iets plechtstatigs, iets van vroeger, maar de fado? Her en der klinkt ze wel, maar dan stel ik me voor dat de muziek tot vervelens toe wordt gedraaid, in leven gehouden door het toerisme.

Het reizen is iets waar het individu de vruchten van plukt, maar het put de samenleving uit. Als gevolg van de globalisering, willen we overal ter wereld dezelfde muziek horen, hetzelfde eten, dezelfde architectuur. Remco Koolhaas past in iedere stad. Mooi voor Remco Koolhaas, maar het levert ons eenheidsworst op.

Vandaag wandelde ik om een geschikte plek te zoeken om te eten en te schrijven. Ik doorkruiste Chiado en Alfama, kocht Engelstalige bundel van Pessoa bij een winkel die zich de oudste boekenwinkel ter wereld noemde en uiteindelijk kwam ik bij een onvermijdelijk eigentijds tentje in het centrum van het toeristengebied. Ik at wat vegetarisch en toen ik hongerig bleef toch wat vlees, daarna wandelde ik door om nog een tweede wijn te plukken bij Frutaria Saldanha na even aan het eind van het straatje te hebben uitgekeken over de zwartheid van de nachtelijke Taag, en de enorme brug en het verlichte Jezusbeeld aan de overkant van het water. Er reden nog steeds auto’s over de oevers, maar het geluid drong niet door tot de plek waar ik stond. Stil was het nou ook weer niet, maar op de een of andere manier… gemoedelijk, zwoel…

Hoe zijn onze steden over vijftig, honderd jaar?

De nacht was helder. Misschien onbewust speurend naar het noorderlicht, wat hier natuurlijk niet te zien was, zag ik Orion, veel hoger en kleiner dan ik gewend was. Dat, en de overgang van -16 graden ‘s ochtends in Rovaniemi en +15 overdag in Lissabon, maakt de overbrugde afstand aanzienlijk. De wereld was veel kleiner of Europa veel groter dan ik altijd dacht. En de glazen werden voller geschonken voor veel minder geld, en even later zwalkte ik aangeschoten door de steegjes terug naar mijn hotel. Na negenen waren de boekwinkels nog steeds open, en ik vroeg me af of dat een gevolg of een voorwaarde was van een waarlijk literaire stad.