Een vermolmde boomstam is zacht en warm, dat zit beter dan een rotsblok ook al is die met mossen bekleed. Je zou ze moeten zien, grijs en groen en zwart en bruin bevlekt, met zilver aangezet en bekleed met bronzen dennennaalden die altijd gepaard zijn, met een zwarte knot aaneen gebonden. Het geruis door de bomen zou je gemakkelijk voor een snelweg kunnen houden, als je uit Nederland kwam, waar geen plek buiten gehoorsafstand van het wegennet ligt. Er klinkt ook gekauw en gekraai en getjilp, maar wel met mate. Je vraagt je af waarom ze die geluiden maken, om de beurt, de een laat de ander zijn deuntje rustig uitzingen. Plegen ze overleg, zijn ze in een soort vogeldiscussie verwikkeld waar wij met ons verstand niet bij kunnen, of is het de afspraak om geen stilte te laten vallen, een verbond tegen de eenzaamheid van het bos? Maar nee, eenzaamheid kun je dit niet noemen, zelfs als je de vogels wegdenkt. Het heeft eigenlijk wel wat gezelligs, als een bruine kroeg, de zachte kleuren van de naderende herfst, het roodverkleurend blad van de bessen, het antieke tapijt van mossen en de zilveren franje van het rendiermos. De boomstronken en keien liggen her en der verspreid, uitnodigend als tafels en stoeltjes. Jugendstil, maar dan echt, levend en dood. Hier kan ik vrij denken en dichten, dit is mijn bolwerk. Alleen de kranten ontbreken, de kranten op de leestafel, en een kopje koffie met een speculaaskoekje.
Category Archives: Landen
De geur van regen
Eerst rolde de donder over het door hitte en droogte uitgeputte land. Dreigende stapelwolken hingen bewegingloos in de lucht. Het duurde nog uren voordat de regen viel, en met een korte plensbui was het ook meteen gedaan. Toch was dat meteen voldoende om de poriën van het bos te openen.
Kruidige dampen dringen zich op als ik in de avond een wandeling maak door het bos. Heeft het dit jaar eigenlijk al eens geregend? Sinds het smelten van de sneeuw in mei wachtte ik op de geur van de moerasrozemarijn, een geur die zo vol is, vloeibaar haast, dat je het gevoel krijgt dat je op de lucht kan drijven, maar die geur, waar vorig jaar iedere dag in te drogen hing, was nergens te bekennen. Tot nu dan, nu ruik ik de moerasplant eindelijk, maar het is niet het enige dat in de lucht hangt. Alle planten zijn op hetzelfde idee gekomen, ze vieren de eerste regen van de zomer met de sterkste luchtjes waarover ze beschikken, en al die geuren mengen zich met petrichor dat opstijgt uit de grond.
Zijn het de geuren die me het gevoel geven dat alles is zoals het wezen moet? Is dit een of ander biochemisch proces dat zijn oorsprong vindt in de oertijd, waarin we direct van de weersomstandigheden afhankelijk waren?
Ook het groen is beduidend feller dan de afgelopen weken, het bos heeft een instagramfilter op zichzelf toegepast. Al het blad is schoongespoeld, de bessenstruiken die de grond bedekken, dragen op ieder blad een druppel, en in de berm schitteren duizenden parapluutjes van de bospaardenstaart die met diamantendruppels zijn besprenkeld.
Zou dit vocht voor de bessen en moerasbramen voldoende zijn om zich vol te zuigen, om op te zwellen met vitaminerijk sap?
De stapelwolken, die nog steeds triomfantelijk in de lucht hangen, als zegevierende oorlogsschepen na een zeeslag, krijgen een roze gloed. Ook dat is een teken dat de zomer over haar hoogtepunt heen is, want dat betekent dat de zon ’s nachts niet meer bovenlangs de noordelijke horizon scheert, maar eventjes onderduikt.
Met deze ene regenbui verdwijnt dat de angst dat deze hittegolf een meteorologisch Apocalyps zou blijken, dat een acute verergering van het broeikaseffect de kou voorgoed van onze planeet zou doen verdwijnen en we langzaam, heel langzaam, gegrild zouden worden op de barbecue van mythologische goden waarvan wij dachten dat we ze die met de rede verslagen hadden.
Het geloof in de rede, of beter gezegd in onze redelijkheid, ben ik de afgelopen jaren langzaam kwijtgeraakt, maar dat we nu op de gril van die goden belanden, blijkt niet waar.
Nog niet.
Norwegian coast
Image

Pussikalja
Voel je je inmiddels meer Fin dan Nederlander? Ik geloof dat wij ons die vraag allemaal wel eens stellen, en als we dat zelf niet doen, stellen anderen hem wel. Van Nederlanders hoor ik vaak dat ik helemaal verfinst ben, met die wilde bos haar van me. Zo eenvoudig kan de diagnose dus gesteld worden, al heb ik de indruk dat Finse mannen over het algemeen hun kapsel strikter bijhouden dan Nederlanders. Ik vind me er meer als Nederlander dan als Fin uitzien. Als Finnen me verfinst noemen, doelen ze op mijn redelijke taalvermogen, bepaalde karaktertrekken waarvan ze menen dat ze typisch Fins zijn of het feit dat ik de sauna maar ook de vrieskou beter verdraag dan Eeva, mijn vrouw, die Finse is. Ze bedoelen het dan als complimentje, en dat maakt me wantrouwig want van Finse complimentjes weet je nooit of ze wel helemaal oprecht zijn.
Maar wat vinden we er zelf nu van? Ik geloof dat de taal heel belangrijk is om te voelen dat je erbij hoort. Gelukkig spreek ik inmiddels voldoende Fins om me te redden in de spreekkamer en aan de lunch met collega’s. Ik begin steeds meer praatjes te krijgen, maar ik heb nog niet zo’n grote mond als in mijn moedertaal. Toch voel ik me nog altijd behoorlijk beperkt in mijn woordenschat en ook de ingewikkelde grammaticale constructies vloeien er ook niet zomaar uit. Het is dus voortdurend behelpen, en ik geloof dat ik me daarom nog altijd vaak een Nederlander onder Finnen voel, maar ik ben niet meer de buitenstaander die ik eerder was.
De Finse cultuur blijft me nog altijd verrassen. De sauna heeft niet zoveel geheimen meer voor mij, maar vissen bijvoorbeeld, dat is zo’n hobby die iedere Fin beheerst maar die mij vreemd is gebleven. Welke haakjes je moet hebben en wat voor aas, waar je wel en niet zonder vergunning mag vissen, hoe al die vissen heten en hoe je ze op de gril klaarmaakt. Ik zie nog regelmatig nachtmerries van die ene spartelende vis die ik met een plankje doodsloeg zoals ik anderen dat had zien doen. In mijn dromen komt die vis tot leven en slaat me met zijn staart knock-out.
Een andere typische Finse bezigheid is pussikalja. Iedereen die zomerdagen doorbrengt met Finse vrienden kent het wel. In de supermarkt vul je een plastic tas (pussi) met bier (kalja) en daarmee begeef je naar het park. Mijn eerste pussikalja was jaren geleden met vappu. Ik voelde me wel een beetje een sloeber, maar voor die vrienden van mij was het heel normaal. Lang ben ik ervan uitgegaan dat ik gewoon verkeerde vrienden had, ongemanierde sloebers met een neiging tot openbaar dronkenschap, tot ik me onlangs in Hamburg na afloop van de marathon in goed gezelschap bevond. Alexander S., een Finse oud-ministerpresident die daar ook de marathon had gelopen, nodigde ons uit in het park, waar hij een plastic tas vol Franziskaner Weissbier tevoorschijn haalde. Het was zonnig, we hadden allemaal pijn in de benen en het witbier was daar een prima middel tegen. Daar, in dat park voelde ik me Finser dan ooit.
Deze column verscheen in juni 2018 in Noorderlicht.
Summer night




Lapse Lente (video)
Wat beelden uit de Lapse lente bij het lied Drijven ze morgen dat singer-songwriter Serge Epskamp schreef op tekst uit Achter de rug van God:
Lente
De lente klopt niet netjes op de deur, zoals de herfst dat doet, maar beroert geruisloos de klink, opent hem op een kiertje en glipt naar binnen zonder dat je er erg in hebt. Na verloop van tijd merk je dat het tocht, dat er beroering is in de witheid waarin de eeuwigheid verankerd lag. Van onder de deklaag van ijs komen wegen tevoorschijn, en een smal strookje berm. Het smeltwater wordt afgevoerd via de brede geulen langs de weg, op zonnige dagen smelt het zo hard dat her en der de weg blank staat. Het duurt weken tot alle sneeuw gesmolten is, en zelfs tijdens dat proces zijn er dagen dat alle kleur uit het bos verbannen wordt als er opnieuw sneeuw valt.
Soms klinkt het druppelen van de smeltende sneeuw door de regenpijp gemoedelijk, het gestaag aftellen tot de zomer, maar er zijn ook dagen dat het openbreken van het pak sneeuw gewelddadig aandoet. De beken, waarin zwart bloed vloeit, vormen diepe sneden in de blanke huid van de winter, de zuidelijke zijden van de heuvels worden met een schaaf aangetast.
Al het bloed is vruchtbaar, ook het zwarte bloed. Daar waar de stroom niet te sterk is, verschijnen zwanen, hun halzen snijden als sikkels door de mist. In een afwachtend stilzwijgen klimmen ze uit het water op de rand van het ijs. Daar waar zij vandaag nog staan, drijven ze morgen.
Tegelijkertijd verdwijnen de nachten, en daarmee de sterren en het noorderlicht. Ze veranderen in getjilp en geschetter van meesjes en spreeuwen. Wij noorderlingen zijn die lichtzinnigheid niet meer gewend, maar ze doet ons goed.
Singer-songwriter Serge Epskamp bewerkte de tekst en maakte er een lied van:
Connemara







Connemara
When I was 18, I worked in a coffee shop in Cork and later in a little restaurant in Salthill, Galway. On the days that I was free from work, I cycled around the country. I loved to see and hear the ocean rocking and rolling against the cliffs. Galway, Mayo, Donegal. It was a magical experience to be there. Stories started coming up, stories of all kinds. Once I saw a mermaid. Months later, when I came home to my family in the Netherlands, I told my little sister about that mermaid. She must have been 5, back then (not the mermaid, but my sister). I showed her pictures of a rock by the shore, with on the background the sun setting in the ocean. There was no mermaid on the picture, but when I closed my eyes, I could see her, and I could hear the songs by which she tried to lure me into her world.
While most memories fade over time, my mermaid has become vivid and real. Still, I can see the shape of her body, half human and half fish, and her whispered words. I am thirty-six now, twice the age of the young man exploring the borders of his world, and I’m finally back in the country of the stories. Connemara is the site of my next novel. The country and landscapes play a certain role in the book, like in my previous works: nature mirrors the inner self. The main character is very different from me, so I have to get to know him by exploring his landscapes.
Last week, Ireland was in a state of emergency due to Storm Emma, the first blizzard in 35 years. However, to me it felt she never really came up. Surely, we had some snow and strong winds, but the blizzard arrived only in the late evening in Clifden, the town where I stayed, and the little bit of snow on the roads melted quickly the next day. Nothing compared to what I am used to in Lapland.
Emma, that’s how they called the storm that never came up. Emma, like my second sister. We rarely meet, due to a thousand miles and more. Emma, like one of my fellow students, a decade ago. She played cello and once she wore a dress that uncovered her shoulders and the ivory skin of her back. She was wonderful, but I never fell in love with her. There are many more of them, Emmas, and they must have something in common with the storm that never came up.

Eens stad der steden (3)
‘Je mag me ook zoenen,’ zegt de verkoper als mijn betaalpas dienst weigert.
Ik kijk van de dichtbundel van Pessoa naar hem, zijn zwarte stoppelbaard en brede wenkbrauwen, en ik kies, zonder er verder nog bij na te denken, eieren voor mijn geld. Een paar tellen, ogen dicht, zijn tong die om de mijne kronkelt. De klant achter me kucht en dan duw ik de verkoper zachtjes terug. Hij vraagt of ik een tasje wil en wenst me een goede dag. Benieuwd naar hoe het de volgende klant vergaat, blijf ik even treuzelen bij de afdeling poëzie.
Buiten regent het. Niet zoals het in Nederland doet, maar met kleine druppels, waar je niet koud of nat van wordt. Een vrouw met lange, grijze lokken zit met een cello tussen haar benen voor een witte kerk. Ik hou er niet van om demonstratief te staan luisteren, dus zoek ik een plekje in de schaduw van de kerk, meter of twintig verderop, waar ze me niet opmerkt. De muziek, die ik niet kan thuisbrengen, voelt als een flinterdunne zijde sjaal op mijn blote huid, die zachtjes meebeweegt op het zachtst denkbare briesje. De cello is een streelinstrument, bedenk ik me, geen strijkinstrument. Op haar armen na, die het werk doen, zit ze bewegingloos. Ik moet aan mijn oude pianoleraar denken, de een muntje op mijn handen legde. De muziek moest louter uit mijn vingers komen.
Een man komt op me af. ‘Je doet me denken aan die en die filmster in die en die film,’ zegt hij.
‘Dank je,’ zeg ik, wetend dat hij geld los probeert te peuteren.
‘Weet je wat schizofrenie is?’ vraagt hij dan, en ik knik. ‘Nou, dat heb ik dus. En weet je, die regering van ons…’ Hij spreekt Engels met een Brits accent. Slechte tanden heeft hij, maar een sociaal, zelfs uiterst vriendelijk voorkomen. En ja, of ik hem geld wil geven. Aan schizofrenie lijdt hij vast en zeker niet, het zal hem misschien om drugs te doen zijn. Maar wie ben ik om te oordelen of geld goed of slecht voor hem is? Al jaren hanteer ik het principe dat je iemand geeft waar hij om vraagt. Als het in je macht ligt, tenminste. Nu draag ik echter geen contant geld bij me.
‘Mag ik je ook zoenen in plaats van geld geven?’ vraag ik hem.
Dus dit is Lisboa. Er doemen overal mensen op die me willen zoenen, mannen en vrouwen, of aan de knopen van mijn overhemd frutselen, en ze zijn weg als ik met mijn ogen knipper.
‘Hasjiesj, cocaïne?’ fluisteren ongure types op de hoek van iedere straat. Mijn gang door de stad is een aaneenschakeling van indrukken en droombeelden en als ik ’s avonds op bed leg kan ik moeilijk onderscheiden wat nu ingebeeld, en wat werkelijk was. Er is de muziek van de stedelijke geluiden, de saudade die doorklinkt in het geraas van de metro. In de ondergrondse stations heerst een gedempt licht, donkere kleuren, en de metro zelf is vanbinnen blauw. De handvaten aan het plafond zien eruit stalen knopen, die bedoeld lijken om je aan op te hangen. Twintig lijken bungelen netjes in een rijtje. En er zijn de onmiskenbare geuren van de stad, zonder dat het ergens stinkt. De Lisboêtas beschikken over fijne smaak, waarmee het gelukt is van hun stad een zintuiglijk paradijs te maken.
Bij vertrek uit Rovaniemi was het zestien graden onder nul en lag er bijna een meter sneeuw. In Helsinki woedde de hevigste sneeuwstorm die ik ooit heb meegemaakt. Het vliegveld was het terrein van hele formaties machteloze sneeuwschuivers. Toch kregen ze een strook startbaan min of meer sneeuwvrij, en stegen we met ruim een uur vertraging op. De zee bij Lisboa leek wel een enorm duinlandschap met vlekken zand, die als je goed bleef keken bleken te krimpen en uit te dijen en op te lossen in het donkere geheel. Zo ziet de oceaanbranding er vanboven dus uit, op kilometers van de kust. De stad zelf was een keurig geheel van lichte gebouwen met oranjerode daken en er bloeiden, op de eerste februari, bloemen in het gras. De stad betoverde me al voordat ik er een eerste stap gezet had.
Midden in de nacht word ik wakker. Als ik het zolderraampje open, draagt de frisse lucht een neuriemelodie met zich mee. Aan de overkant brand licht achter een wit gordijn. Een schaduw beweegt heen en weer door de kamer. Het gebouw, waarvan ik alleen de bovenste verdieping kan zien, heeft zijn beste tijd gehad. De mozaïekbetegeling is her en der onderbroken door kaal cement, de kozijnen zijn scheef en kunnen het elk moment begeven. Ik trek de dekens weer over me heen en val in slaap, om de volgende morgen door de stadse drukte te worden gewekt nog voor de zon opkomt. Een droom ontglipt me, hoe dat kan is altijd een raadsel. Je zit er zo diep in met je gedachten, bijt je vast in details en plots gaat het verband verloren. En dan ontglipt je ook dat laatste detail.


