Verdwaald

Het moet op een vroege lenteochtend zijn geweest dat ik langs de Amstel liep; vier roeiers van Nereus waren in horizontale strijd met het water, hun peddels scheerden over het water. Links van me, zo ver het oog reikte, de polder: felgroen van nieuw leven en bezaaid met ontluikende bloemen. De zon plakte aan een opgepoetste lentehemel. Net als alle elementen van het tafereel bruiste ik van energie, doordrongen van het gevoel dat alle geluk besloten lag in dat ene moment.

Hoe anders is het landschap hier! Het is eind februari, ik ben verdwaald in de taiga ten noorden van Jyväskylä. De weg kronkelt als maar voort door het dichte bos en het zicht reikt niet verder dan de volgende heuvel of een bocht in weg. In de sneeuw de verse sporen van eekhoorntjes en een haas, maar ze laten zich niet zien. Ook de mens niet trouwens. Alleen de gure wind jaagt in mijn gezicht. Maar hoezeer deze wereld ook uiterlijk verschilt met die ene lentedag aan de Amstel, opnieuw krijg ik het gevoel dat het hier en nu alles omvat.

In de buitenlucht wint het innerlijk leven aan intensiteit. We bouwen huizen om de wereld buiten de deur te houden: kou, wind of regen, maar ook het leven zelf. Je laat de wereld pas binnen door zelf naar buiten te gaan. De duurloop: een korte ontsnapping, een omhelzing van onze oude moeder, de aarde. Je bent het haar verplicht vanwege alle zorgen die ze om je heeft gehad.

Ik overdrijf natuurlijk, maar dat mag: er is immers niemand die me hoort of ziet. Als ik zou willen zou ik mijn middelvinger kunnen opsteken en het op een schelden kunnen zetten. Niet omdat ik boos ben, maar gewoon omdat het zo tegenstrijdig is met de vreedzaamheid van het bos. Misschien dat de pestvogel opfladdert, of dat de eekhoorn zijn beeld bevestigd ziet: de mens is een gruwelijk beest. Maar het wijze woud zelf zou het zwijgend bezien. Als het bos zich druk zou maken om alle fratsen van zijn bewoners, was het nooit zo oud geworden.

Misschien moet ik hetzelfde doen: gewoon vergeten hoe de mensen elkaar het leven zuur maken. Oorlogen hier en crisis daar – als je niet beter wist, zou de zin van het leven je compleet ontgaan. Ik sla de krant niet meer open maar trek iedere dag het bos in, om aan de wind te voelen hoe het er met de wereld voorstaat. De dwaze streken van de mens sla ik met een glimlach gade.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie mei 2013

Wedergeboorte

In Afrika kwam ik op plekken waar ze nog nooit een blanke hadden gezien. Hier, in Finland, kom ik op plekken waar nog nooit een mens is geweest. De enige sporen in de verse sneeuw leiden van de ene naar de andere boom. Ze zijn van de eekhoorn die ik gisteren betrapte toen hij snoepte van het vogelvoer.

Natuurlijk zijn de wegen door mensen aangelegd, maar dat was in een ander tijdperk. Vannacht is de wereld verpakt in een verse laag sneeuw. Ik ben de eerste die deze nieuwe wereld betreedt. De ochtend brengt een lichtshow speciaal voor mij; de zonsopkomst is spectaculair en houdt uren aan. Eenzaamheid is doping.

Ik verblijf een tijdje in een hut aan een meer. Er is een houtkachel, een sauna en een bootje. Het Finse roggebrood blijft lang goed zodat ik niet iedere week naar de winkel hoef te gaan. Ook kan ik gaan vissen op het meer. Zelfs in het midden van de winter worden er gaten in het ijs geboord om de snoeken en baarzen te vangen. De mensenwereld begint vijftien kilometer van hier. Daar is Virrat, een klein stadje met een supermarkt en een bibliotheek met internet.

Hier, bij het meer, heb ik rust gevonden na een paar laatste hectische maanden in Nederland. Ik kwam ben naar Finland gekomen om samen te zijn met mijn vriendin. Eeva is ook hardloopster, we hebben elkaar op trainingsstage in Kenia leren kennen. Maar toen ik in Finland aankwam namen we gelijk al voor korte tijd afscheid: op zoek naar rust en inspiratie belandde ik eerst in Lapland en later hier, bij het meer. Na anderhalf jaar knieblessure wil ik me weer op het lopen richten, daarnaast schrijf ik een verhaal.

Maar nu er zoveel sneeuw is gevallen zal aan het verblijf bij het meer een eind moet komen. De heuvels zijn te stijl om op te trainen als de sneeuw in ijs verandert. Ik trek weer terug naar de stad.  Daar wordt zand over de wegen gestrooid. De bospaden zijn er verlicht en er zijn grote indoor-sporthallen. Behalve luxe biedt de stad natuurlijk ook leven.

Rust vind ik er in de bibliotheek, tussen de intellectuelen en de zwervers. Waar de winters streng zijn worden mensen mild. Daklozen worden hier toegelaten in de verwarmde publieke gebouwen. Ze brengen sterke geuren met zich mee, waardoor de zaal met poëzie niet naar boeken maar naar mensen ruikt. En zo hoort het misschien ook.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie januari 2013

De koolmees en de eekhoorn

Het is nu vrijdag. Maandag ben ik tijdens het hardlopen nog een mens tegen gekomen. Gisterochtend hoorde ik in de verte een motorzaag, dat telt ook als een teken van leven. Ik bevind me in een houten hut ergens in midden-Finland, aan de rand van een meer en vijftien kilometer vanaf het dichtstbijzijnde dorp. Ik mis ze niet, die mensen. Als ik wil kletsen loop ik naar buiten. Daar houden de koolmeesjes zich op rondom het vogelhuisje.  Ze zijn bedrijvig, vliegen af en aan en tjilpen je de oren van de kop.  Maar ze doen niets wezenlijks, net als mensen eigenlijk. De eekhoorn is van een ander slag. Die komt alleen even polshoogte nemen, vlucht weer de boom in zodra ik te dichtbij kom. Zonder iets te zeggen. De eekhoorn is vast een filosoof.

(dit alles wordt ondersteund door feiten: het is algemeen bekend dat koolmezen nog nooit iets zinnigs en eekhoorns nog nooit een onzinnig woord hebben gezegd)

Vanmiddag liep ik naar het meer en bekeek mijn spiegelbeeld in het wateroppervlak. Ik vroeg mezelf af of ik meer op een koolmees of op een eekhoorn lijk. Die gedachte heeft me de rest van de middag bezig gehouden. Wat doe ik eigenlijk? ’s Ochtend ga ik eerst hardlopen. Dan steek ik de kachel aan, ga wat schrijven, lezen en nog doe nog wat andere dingen. Maar ik ben opgeleid als arts. Ik zou best mensen willen genezen, maar er is hier niemand. Alleen die ene man op maandagmorgen. Hij had een hond bij zich, dat was ik vergeten de vermelden. Een man met een hond en een geweer. Een jager dus. Jagers hebben geen dokters nodig, die redden zich wel.