Lichte voeten

Boeken zijn net naaldwouden: je kunt er eindeloos in ronddolen. De Zweedse bioloog Carl Linnaeus neemt me met zijn Iter Lapponicum mee naar het jaar 1732. Het werk bevat notities over allerlei bijzonderheden van zijn expeditie door Lapland. Op 11 juli formuleert hij een tienvoudig antwoord op de vraag waarom Samen (inwoners van Lapland) zo lichtvoetig zijn, oftewel, waarom ze zulke goede hardlopers zijn.

Misschien is het wel voor het eerst in de geschiedenis dat men een dergelijke vraag stelt. Tegenwoordig stoeien wetenschappers over dezelfde kwestie, maar dan met betrekking tot Kenianen. Volgens Linnaeus danken de Samen hun lichtvoetigheid aan training vanaf jonge leeftijd: de Samische jongens moeten als kind al veel rennen om de rendierkuddes bijeen te houden.

Jarkko Järvenpää is geen Sami, maar wel een lichtvoetige Fin. Op een zondagochtend in maart schuiven Eeva en ik bij hem aan voor het ontbijt. In Venlo. De topatleet vertelt dat hij zich  maandenlang in Spanje op de halve marathon heeft voorbereid, om de kou te ontvluchten. Misschien heeft het zachte zuidelijke klimaat ook zijn karakter ontdooit, want hij is een bron van energie en blaakt van het zelfvertrouwen. De meeste Finnen zijn een stuk ingetogener. Zo ook Paavo Nurmi, de man die in de eerste jaren van de Finse onafhankelijkheid, in de jaren twintig van de vorige eeuw, zijn land op de wereldkaart rende. De held stond bekend om zijn introversie, intelligentie en vastberadenheid; karaktertrekken die nog altijd typerend zijn voor veel Finse atleten die ik heb leren kennen.

Paavo Nurmi is in Turku geboren, de stad waar ik nu woon. De wegen en paden waarop ik train zijn ook door hem belopen. Net zoals de atletiekbaan in Amsterdam, waar ik ooit mijn eigen hardloopcarrière begon: in 1928 won Nurmi er zijn zoveelste Olympisch goud. Destijds heersten de Finnen zoals tegenwoordig de Kenianen doen.

Volgens Eeva ben ik inmiddels meer Fin dan zij zelf is: ik kan de extreme kou en de hitte van de sauna goed verdragen. Jarkko beaamt: in de winter benoem ik louter de voordelen voor de langeafstandsatleet. Maar ik weet Linnaeus aan mijn zijde: de bioloog stelt immers dat het noordelijke volk zo sterk en gezond is door de hardheid van het buitenleven en de blootstelling aan de kou.

Met Pasen ligt er nog steeds een halve meter sneeuw, maar de zomer hangt in de lucht. Ik volg Nurmi’s sporen door de sneeuw, en bewonder de naaldbomen in het bos: ooit zullen ze worden omgezaagd en tot papier worden verwerkt. Als boek zullen ze woorden overdragen van mens tot mens: een spoor door een doolhof dat het leven heet.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie juni 2013

Waar houdt het op?

Het is een vraag die ik me regelmatig stel: waar houdt het op? Een vraag die op van alles betrekking heeft, op de reis van overtrekkende vogels in de lente of in de herfst, op de liefde, het leven, op ruimte en tijd. Maar ook op het hardlopen. Wat gebeurt er met mijn lichaam als ik loop tot ik erbij neerval? Zestig, tachtig, misschien wel honderd kilometer…

Er zijn mensen die dat doen. Om zich te onderscheiden van gewone hardlopers noemen ze zich ultraloper, een term die alleen mag worden gebezigd indien de marathonafstand wordt overtroffen. Alsof de afstand er ook maar iets toe doet: er zijn mensen die in vijf uur een marathon lopen, er zijn er die dan tweemaal zoveel afstand hebben afgelegd. In feite is de geleverde prestatie van die twee mensen hetzelfde. Vijf uur dus.

De vraag is niet eens meer óf, maar wanneer. Dus: waar houdt het op en wanneer ga ik dat onderzoeken? Zoek ik een wedstrijd, zodat de afstand en tijd officieel worden vastgelegd, of trek ik er in mijn eentje op uit? Eigenlijk doet ook dat er weinig toe. Als je vijf uur lang gaat hardlopen heb je niets aan concurrenten. Halverwege zullen ze al uit het zicht verdwenen zijn, en als je langer zij aan zij loopt kun je onmogelijk concurrent blijven, want je gaat van elkander houden. Dat is het verschil met de marathon. Twee, hooguit drie uur kun je met moordlustige gedachten rondlopen. Daarna zijn er nog maar twee mogelijkheden: je gaat over tot de daad en snijdt de concurrent zijn keel door, of je sluit vriendschap. Tenminste, dat stel ik me zo voor. En misschien is het ook wel zo, want de ultraloper heeft in werkelijkheid twee gezichten: hij is even vijandig als vriendelijk. Met name nieuwkomers worden met argwaan bekeken. Er zijn er, die je vóór de start al in het hart steken, om vervolgens bij de finish tevreden te constateren dat je het niet hebt gered. Hadden ze het niet voorspeld? Vriendschap tussen ultralopers is misschien slechts bedoeld om de strikte hiërarchie en de daarbij horende vijandschap te verdoezelen. Ik weet het niet zeker, maar ik vermoed dat je op je hoede moet wezen als je een ultraloper treft.

Ik dagdroom wel eens, over de vraag waar het ophoudt. Ik was eens van plan om de schoenen aan te trekken en lopend naar Damascus te trekken. Ik wilde geen geld meenemen maar uitsluitend vertrouwen op de menselijke gastvrijheid. Een mooie gedachte, maar de werkelijkheid heeft haar ingehaald: Damascus is inmiddels het toneel van een Ilias zonder helden. Mensen die elkaar kapotschieten en met giftige gassen besproeien.

Voor mij zou een ultraloop geen intermenselijke strijd zijn, maar een strijd met het hogere. Het zou een strijd zijn met de aardkloot, met de gehele mensheid en haar goden. Ik zou Jezus’ stoffelijk lichaam voor de voeten van de duivel werpen. Ik zou de strijd aanbinden met ruimte en tijd en alle andere dimensies die ik onderweg tegenkom. Ik zou de filosofen om hun dwaasheden bespotten en de zelfs de zon overschaduwen. Pas als ik de allerlaatste grens ben overgestoken, hou ik het voor gezien. De grens van het  mogelijke. Waar houdt het op, en wanneer?

Kopenhagen

Zelden kwam ik zo trots over de finishlijn.  Met 2:34’55 bleef ik dan wel ver van mijn persoonlijke besttijd (2u23) verwijderd, maar na de langdurige blessureperiode (2011-2012) was het enorm mooi om weer een marathon te volbrengen.

Twee dagen voor de wedstrijd leek het er sterk op dat ik ‘m moest afzeggen. Ik had namelijk al meer dan een week last van mijn rug en SI-gewricht waardoor ik nauwelijks heb kunnen lopen. Hoewel het geen kwaad kan goed uit te rusten voor de marathon, is het toch ook belangrijk om nog een paar flinke trainingen te volbrengen. Zaterdag liep ik echter een half uurtje zonder pijn, en ik besloot het er zondag gewoon op te wagen, met de belofte aan mezelf bij de geringste klachten uit te stappen, om erger te voorkomen.

Zonder hoge verwachtingen stond ik dus aan de start. De eerste kilometers draaide het echter veel beter van verwacht. Ik liep op een schema voor 2u27, een stukje harder dan gepland. Ook de regen, die binnen een half uur al begon te vallen, leek me weinig kwaad te doen, al veranderden de straten in enorme plassen en werden in de loop van de tijd de toeschouwers erdoor verdreven. Ik vond het aanvankelijk wel prettig, want ik had niet de moeite genomen om mijn drankvoorziening te regelen; de bedoeling was immers om vrijuit te lopen. Door de regen werd drinken minder van belang.

Na een doorkomst halverwege in 1u13 begonnen de kilometertijden langzaam op te lopen.  Rond 33 of 34 kilometer was de motor ineens leeg. Nog steeds ging ik volle kracht, maar ik werd door iemand anders ingehaald en hoewel ook zijn loopje niet bepaald snel was, verdween hij in no time uit zicht. Het vereiste geen hogere wiskunde om te beredeneren dat ik niet zo hard meer ging. De laatste kilometers waren een fysieke martelgang. Mijn lichaam was moe en leeg en de benen wilden niet meer bewegen. Maar mentaal voelde ik me prima – ik genoot met volle teugen van die laatste kilometers die me brachten waar ik naar verlangde: ik ben weer marathonloper.

Met deze race heb ik voorgoed afgerekend met de blessure-periode. In de twee jaar waarin ik vaak nog geen 500m pijnloos kon wandelen heb ik veel steun gehad van mijn omgeving, van andere hardlopers en van mensen die vertrouwen in me bleven houden (of deden alsof). Ik ga geen namen noemen, want dat zou een eindeloze lijst opleveren, maar al die kleine gestes en woorden deden me goed, en ik ben jullie daar enorm dankbaar voor. Hardlopen en de marathon zijn ontzettend klein en nietig in vergelijking met wat mensen voor elkaar kunnen betekenen. Nu wilde ik nog iets zeggen over de staat van de Nederlandse politiek, waarin wantrouwen en egoisme lijken te regeren, maar ik doe het niet. Vergeet de politiek, laat je hart spreken!

Trots in Kopenhagen
Trots in Kopenhagen

Betovering

Aan de overkant van de straat probeert een vrouw zich op naaldhakken vooruit te werken over de met ijs bedekte stoep, op weg naar een zaterdagavond in één van de kroegen in het centrum van Turku. Zelf neem ik de voetbrug en vervolg mijn weg langs de kade van de rivier, met benen die nog stijf zijn van de zware tempotraining in de ochtend.

Het is windstil – het waait bijna nooit in wat bekend staat als de meest winderige stad van het land. De dikke ijslaag op de rivier kermt en kraakt, angstig voor opnieuw een koude nacht, en vanuit de scheepswerf aan de overkant van de rivier klinkt een dof gezoem. De kranen van de werf steken als reusachtige marionetten af tegen de diepblauwe avondlucht. Rechts daarvan werpt de schemering een violette gloed over de laatste resten sneeuw op de rotswand. Even verderop ligt het kasteel, wakend over de toegang tot zee.

Suomen Joutsen
Suomen Joutsen

Bij de Suomen Joutsen hou ik stil om het tafereel op me te laten inwerken. Het wordt pas laat donker, dus de winter loopt ten einde. De dagen lengen gewillig als een elastiek, om, naar de wet van Hooke, in juni de rekening van de opgebouwde trekkrachten te presenteren. Nu, begin april, loopt de temperatuur overdag op tot zo’n vijf graden boven het vriespunt, maar de nachten zijn nog koud.

Twee weken geleden liep ik in Venlo mijn eerste halve marathon sinds lange tijd. Gezien de stevige wind was ik tevreden met de 1u11 die ik er liep. Momenteel train ik anders dan in het verleden, met slechts twee echte tempotrainingen per week. Ik neem dus meer rust maar kan met de snelheidstrainingen dieper gaan dan ooit tevoren: kwaliteit boven kwantiteit. Eeva liep er ook, en met 1u18 was het voor haar een geslaagd debuut. Uit ontzag voor de afstand durfde ze pas in de laatste kilometers aan te zetten, dus wie weet zit er binnenkort meer in. Over twee weken loopt ze opnieuw een halve marathon, en zelf zal ik in mei aan de start staan van de marathon van Kopenhagen.

Ik keer weer terug richting de stad, langs de nog altijd kreunende rivier. Aan de kade ligt een oude driemaster aangemeerd, maar voor de rest is de haven verlaten. In de vaargeul in het midden van de rivier drijven levensgrote ijsschotsen met vlijmscherpe randen. De sneeuw op de rest van het ijs is deels gesmolten en weer opgevroren, waardoor de rivier wel van matglas lijkt. Daarboven vliegt een meeuw in de richting van de zee, zonder acht te slaan op mijn groet. Ieder zijn eigen weg…

Als deze avond een schilderij was, zou het kitsch heten, maar de werkelijkheid is betoverend.

Turun Satama


Noorderlicht en maneschijn?

Splat! splat! Splat! splat! Mijn plenzende passen door de ijsplassen op het fietspad echoën tegen de kale rotswand – maar dat is dan ook het enige bekoorlijke aan de duurloop van vandaag. Met een intermezzo van een paar dagen dooi heeft de winter haar spierwitte elegantie ingeruild voor grauwe somberheid en zijn de paden veranderd in ijsplassen. Nee, in de Finse winter is niet alles noorderlicht en maneschijn.

Geef mij dan maar die nijpende vrieskou van verleden week. Eeva en ik verschenen als enigen aan de start van een lokaal wedstrijdje; vanwege de kou was de race afgelast. Met vijfentwintig graden onder nul was het inderdaad wat fris, dus besloten we er een training van te maken en stuurden we de opgedraafde man van de organisatie naar huis: hij hoefde niet te bevriezen om onze tijden te registreren. Na de tempotraining liep ik naar huis, Eeva reed met de auto achter me aan om eventuele afgevroren ledematen op te rapen.

Of die duurloop enkele dagen later: vanaf ons huis kan ik in ruim twintig kilometer een mooie ronde maken over Hirvensalo, het eerste eiland van de archipel bij Turku. Het bevroren lichaam van de Baltische zee lag roerloos onder de gloeiende dageraad – hoewel ik het liefst had ingehouden om dit gracieuze stilleven op mijn netvlies te branden dwong de hardloper in me mij verder te gaan; de eenzame weg die over het glooiende eiland was uitgeslingerd had nog meer moois te bieden. Op de terugweg had ik de zon in mijn rug; ik volgde de tientallen meters lange gedaante van mijn schaduw die als een monster voortkroop over de ijsweg waarop een voetbreed zandspoor net voldoende grip gaf om te lopen. Over de heuvels, langs de glooiende hellingen waar roggevelden onder een dik winterkleed lagen te wachten tot de lente hen zou wekken.

Over de kou gaan afschuwelijke verhalen rond: een hardloper die tijdens zijn training eens in zijn oor kneep en tot zijn afschuw bemerkte dat de oorlel bij de aanraking afbrak en aan zijn handschoen bleef plakken. Of de ijsblaren die als heroïsche tatoeages je gezicht kunnen misvormen.

Toch is het niet de kou die ik vrees, noch de sneeuw die door de weggebruikers tot een vaste massa is samengeperst, maar juist de dooi. Voor het eerst in maanden glijd ik vandaag onderuit, juist onder toeziend oog van twee wandelaars terwijl er kilometers lang geen levend wezen te bekennen was geweest. De bloedende schrammen op mijn handen en enkels deren me minder dan de gêne. Dan ben ik dus toch nog een mens…


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie april 2013

Verleidingen

Het is maandagochtend, ik zit aan het bureau voor het raam dat uitzicht biedt over het park. De gedachte aan een hele dag hardlooprust maakt me duizelig. Ik speur de verse sneeuw af naar mijn vriendje Orava, zoals ik de eekhoorn noem. Ze zijn met zijn tweeën, maar ik kan ze niet uit elkaar houden dus noem ik ze bij dezelfde naam.

Een paar weken geleden waren Eeva en ik naar Nederland overgevlogen voor een wedstrijd. Hoewel het fijn was familie en vrienden weer te zien voelde ik me een week lang opgejaagd door de drukte op straat, in de supermarkt en in de trein. Na de wedstrijd, waar Eeva de beste Finse jaartijd liep en ik definitief afrekende met twee jaar blessureleed, stapten we dan ook opgelucht op het vliegtuig dat ons terug zou voeren naar het vredige noorden.

In de appelboom zitten twee dikke pestvogels. Voor ze er een hap van nemen schudden ze de sneeuw van de verschrompelde vruchten die al maandenlang aan de takken tooien. Verder houden ze zich rustig, kijken bedaard om zich heen alsof er een hoop te bespeuren is. Maar dat is niet zo: vannacht is er veel sneeuw gevallen, de wereld houdt zich plechtig stil in haar maagdelijke japon.

Pestvogel. door Juha Sajanti.
Pestvogel. door Juha Sajanti.

Gisteren liep ik een ronde van vijfentwintig kilometer. Het was een heerlijke training, nog vol van de heftige tempotraining een dag eerder deed ik het rustig aan. Halverwege kwam ik een man tegen die een zwijntje aan het uitlaten was. Het dier liep gedwee aan de lijn met zijn baasje mee over het wit besneeuwde pad. Volgens Eeva is dit ook in Finland geen gebruikelijk tafereel.

Op twintig meter van ons raam loopt het pad door het park dat al vroeg in de morgen beloopbaar wordt gemaakt, waar vele joggers en hardlopers dankbaar gebruik van maken. Iedere paar minuten komt er weer iemand langs, de één zwoegend, de ander met vederlichte pas. Het is een prettig gezicht en het maakt me gretig naar morgen, als ik weer twee trainingen mag afwerken.

Daar zijn ze dan, de eekhoorntjes. Vliegensvlug klimmen ze achter elkaar aan de hoge den in. Met zachte ploffen vallen handenvol sneeuw van de bewegende takken op de grond. Brutaal kijken mijn vriendjes me van hoog in de boom aan. Ook de pestvogels bewegen zich nu, springen van de ene naar de andere tak, alsof ook zij me proberen uit te dagen mijn hardloopschoenen aan te trekken. Maar neen, daar trap ik niet in. Een atleet moet soms verleidingen weerstaan, morgen mag ik weer!

Kristallen

Dat sneeuw wit zou zijn is een leugen. De opkomende zon projecteert haar eclatante kleurenspel op het besneeuwde meer bij Jyväskylä. We lopen met zijn vieren, tweelingzussen met aanhang, een rondje om het meer. Verschillende lagen kleding en vaseline op het gezicht – ieder probeert zich op zijn eigen manier tegen de kou te weren. Het kwik is blijven steken op vijfentwintig graden beneden het vriespunt, de adem bevriest in je gezicht. Een witte baard van sneeuwkristallen plant zich in de stoppels van mijn ongeschoren kin.

De zon, die halverwege de ochtend aarzelend over de kim komt kijken, zal een paar uur later weer onderduiken. Het is haar te koud, ze heeft hier niets te zoeken.

De aanblik van het besneeuwde meer en de spectaculaire zonsopgang is niet voldoende, ik  versnel uit het groepje om me te warmen aan mijn eigen cadans. Gelukkig is het windstil; honderden berken staan als maagden getooid in hun ijskoude bruidsjurk roerloos langs het parcours. Als ik eenmaal in mijn eigen ritme loop en het hardlopersbloed door de aderen bruist is de kou zo uit mijn vingers verdrongen. Om te voorkomen dat bevroren zweet mijn vingers zal doen verklampen gaan zelfs de handschoenen uit.

Ondanks de soms spekgladde weg verhoog ik mijn tempo, de kilometertijden dalen tot onder de vier minuten. Hardlopen over ijs is te leren, ook voor mensen uit Lintukoto, het mythische warme oord waar de trekvogels overwinteren: deze winter ben ik pas één keer echt uitgegleden.

Als ik omkijk zijn mijn loopmaatjes uit het zicht verdwenen. In mijn eentje loop ik door de wereld van bevroren tranen; onder de koude grond wacht de lente als een vlinder in zijn cocon. Boven de ijslaag lijkt alles levenloos, behalve de rode rimpels van het zonlicht op de wolken.

En ik? Is het niet wonderlijk dat mijn benen blijven bewegen, dat mijn bloed blijft stromen terwijl rivieren bevriezen? Zou het niet veel logischer zijn als dat bloed zou veranderen in rode ijspegels, verpakt in een wand van bevroren vlees en botten die bij het aanbreken van de lente als een sneeuwpop in elkaar zou zakken? Misschien is de hardlopende mens wel één van de grootste wonderen van het leven. Na thuiskomst gaan we naar de sauna. De kristallen ontdooien, verdampen en condenseren op het glazen raampje dat de hitte scheidt van de besneeuwde buitenwereld. Dit is het leven: water in al haar verschijningsvormen. Stoom, zweet, tranen, sneeuw en ijs.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie maart 2013

Lunatisme

Ik ben niet alleen. Er is de maan, en er zijn de gestalten van de bomen die de houthakker hebben weten te ontlopen. De weg spekglad van het ijs, behalve op een voetbrede strook aan de rand van de berm. De uil in het bos en de wielrenner naast me zijn slechts verbeelding, ik heb ze in het leven geroepen om me te vergezellen zolang de weg geen straatlichten kent.

Iedere hardloper die ‘s winters de buitenwegen kiest kent de vier gedaanten van de maan. In het eerste kwartier geeft ze nauwelijks licht maar wint in de loop der dagen haar kracht. Het tweede kwartier is ze oppermachtig. De loper heeft geen kunstmatige lichten nodig om door het bos te rennen – de zilveren schijf aan de hemel volstaat. Maar kort nadat Luna zich in haar volle naaktheid heeft getoond, laat ze in het derde kwartier ’s avonds steeds langer op zich wachten, om in het vierde kwartier alleen ’s ochtends nog aan de hemel te verschijnen, haar krachten sparend voor de wedergeboorte.

Twee weken geleden liep ik door het volstrekt donkere bos. Het was één van die avonden dat de maan liet afweten. Het bospad voerde langs een verlaten huisje waarin zomaar een moordenaar kon wonen, mijn verbeelding liet me ook toen niet in de steek. Juist op het moment dat ik mezelf moed insprak, vloog een schaduw over het pad. Een schaduw die nog veel donkerder was dan de nacht. Geschrokken draaide ik me om en schakelde wel drie versnellingen hoger, terug naar het laatste straatlicht bij de akker, op de voet gevolgd door een bloeddorstige moordenaar in het bos. Aan de rand van het bos hield ik in – buiten adem was ik. En de haas, want die was het, waarschijnlijk ook. Op gepaste afstand lachte hij mij uit. Dat was toen, maar nu, in de verte, de dreigende zoeklichten van een naderende auto, die naar links en rechts draaien al naar gelang de bochten in de weg. Plots word ik erdoor verblind. Als ik even later weer alleen ben met de maan en de uil en de wielrenner die in een hert is veranderd begrijp ik ineens waarom zij zonder eigenliefde zich binden aan pooiers en mishandelaars, want liefde is als licht en als je aan de duisternis gewend raakt kan helder licht weleens teveel zijn en hetzelfde geld vast ook voor de liefde.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie maart 2014

De vos en de sneeuwstorm

Gisteren zag ik een vos. Het was al donker; ik liep over een weg bij de haven, waar de ijzige oostenwind vrij spel had om de poedersuikersneeuw door de straten te jagen. Een fietser kwam me tegemoet. Plotseling wendde hij het gezicht af; iets moet zijn aandacht hebben getrokken. Ik volgde zijn blik en zag ‘m, de vos. In dribbelpas stak hij stak de straat over, niet zo schuchter als je van een vos zou verwachten. Zijn pels was ook niet zo mooi roodbruin en wit als op prenten; de grauwe wintervacht glansde in het flauwe licht van de straatlantaarn. Aan de overkant van de weg verdween hij achter de struiken in het park. Hij liet zwarte sporen na in het flinterdunne laagje sneeuw op straat.

De eerste sneeuw was binnen een week gesmolten, de winter had een waarschuwing gegeven. Nu, een maand later, is de wereld er klaar voor: auto’s en fietsen zijn van winterbanden voorzien, er hangen kerstlichtjes in de winkelstraten en in het oosten van het land zijn de beren aan hun winterslaap begonnen. Ook de pestvogel is nu uit de boom voor ons huis verdwenen; alleen de goudvink en koolmees doen alsof er niets aan de hand is.

Vannacht is de wind tot storm aangezwollen en is er een dik pak sneeuw gevallen. Met een echte lumimyrsky (sneeuwstorm) is de winter nu werkelijk begonnen. De temperatuur daalt de komende dagen tot ruim tien graden onder nul. Zolang het nog geen min twintig is mag ik niet klagen, zeggen de Finnen.

Dankzij de kleine steentjes die overal worden gestrooid zijn de wegen en paden nog goed begaanbaar. Ook voor hardlopers. Alleen mijn favoriete route door het bos is vanaf nu het terrein van langlaufers. Het is het pad dat naar de rand van de Baltische kust leidt, waar ’s werelds grootste archipel je het uitzicht op de open zee ontneemt. In plaats daarvan zal ik me moeten vermaken op de straten door de stad, langs de rivier en de haven. Over een paar weken zijn de meren, rivier en misschien wel de zee bevroren. Dan zijn er ineens een hoop nieuwe hardlooproutes.

De vos had me niet gezien. Wat een vreemde plek voor een vos trouwens, bedacht ik me. Leefde hij niet in het bos, verscholen tussen de varens? Misschien dat de kerstlampjes ook voor hem de kou verzachtten. Hoe dan ook, het was een bijzondere vos: een stadsvos. Of een havenvos misschien.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie februari 2017

Zonneschijn

Wat een half jaar geleden nog onvoorstelbaar leek is nu bewaarheid geworden: sinds een paar maanden train ik zonder me zorgen te maken om de knie die me anderhalf jaar lang de bewegingsvrijheid van een hoogbejaarde gaf.

Er was eens een avond dat ik me bedacht de hele dag geen pijn te hebben gehad, maar toen ik de gewandelde meters optelde (door de gang naar de lift, van de fietsenstalling naar mijn werkplek) besefte ik hoe diep het dal was: nog geen vijfhonderd meter kon ik pijnvrij wandelen. Maar juist toen ik in dat lot leerde berusten en ik mezelf als hardloper wilde afschrijven verdwenen de problemen.

Hoewel ik sinds augustus weer voorzichtig kon opbouwen met korte stukjes joggen werd het optimisme in het najaar enigszins getemperd door overbelaste pezen waardoor ik na intensieve trainingen soms dagenlang niet kon lopen. Maar nu de zon dagelijks hoger aan de hemel prijkt en iedere dag 5 minuten langer duurt dan de dag tevoren lijken ook die problemen verdwenen… als sneeuw voor de zon.

Vorige week stonden Eeva en ik als enigen aan de start van een testwedstrijdje: vanwege de kou was de race afgelast. Met -25 graden was het inderdaad wat fris, dus besloten we er een goede training van te maken en stuurden we de man van de organisatie naar huis: hij hoefde niet te bevriezen om onze tijden te registreren.

Nooit heb ik met tegenzin hardgelopen, ik kan me echter niet herinneren ooit zo intens van iedere meter te hebben genoten. Het dal laat ik nu achter me en het uitzicht wordt bij iedere stap mooier en indrukwekkender. De lucht is zo helder dat ik vrij uitzicht heb en in de verte zelfs nieuwe doelen kan ontwaren.

Hoewel ik met 100-120km/week op slechts 75% van mijn ‘normale’ en op 50% van mijn maximale trainingsomvang zit gaan de trainingen zo onwijs gemakkelijk dat ik naar verwachting halverwege 2013 weer op mijn oude niveau zit en stiekem zelfs weer verder omhoog kijk.In februari loop ik in Nederland de Groet uit Schoorl-loop (10km), gevolgd door een halve marathon (waarschijnlijk de Venloop) en als alles zo voorspoedig blijft gaan volgt in juni wellicht de Paavo Nurmi marathon in Turku (Finland), de stad waar ik momenteel woon.

Mijn vriendin Eeva Sajanti tijdens een duurloop langs de bevroren Aura-rivier in Turku

Mocht je benieuwd zijn hoe het hardlopen in de Finse winter bevalt, lees dan mijn column in het hardloperstijdschrift Runner’s World, te koop bij de boekhandel.