Strijd

Tot en met september is marathonloper Thijs Feuth even fulltime topsporter, wat mogelijk wordt gemaakt door het wisselen van baan en door ondersteuning van zijn sponsoren. Omdat de Marathon van Berlijn binnen deze periode valt, heeft hij besloten zich te richten op deze wedstrijd.

Om de progressie die hij de afgelopen jaren heeft geboekt voort te kunnen zetten, zal hij de tijd gebruiken om te trainen en tussen de trainingen door zich mentaal voor te bereiden op de strijd die hij in Berlijn zal moeten leveren.

De leermomenten wil hij graag met u delen. Wij nodigen u dus uit om aan de hand van zijn column ‘Strijd’ u voor te bereiden op uw eigen strijd, of het nu om een wedstrijd gaat, een strijd tegen ziekte of een strijd anderszins.

Vanaf 1 juli verschijnt de column wekelijks op www.losseveter.nl

1: Sabotage Hembrug

2: Moonwalk

3: Excalibur

4: Bergen

5: Rustdag in Bad Durrheim

6: Tijd, ik heb u lief

7: Methode Roseg

8: Alchemist in de bergen

9: Why we run

10: Een onbekroonde strijd

11: Een donker woud

12: Tijd voor daden

13: Twee vrouwen

Variatie door TION-sprinter Jeroen Klein: Arrogantie.

Strijd(12): Tijd Voor Daden

Met een stalen gezicht passeer ik de tafel waaraan hij zit te ontbijten. Alsof hij net als ik een gewone hardloper is, een van degenen die vele kilometers hebben afgelegd om hier morgen aan de start te verschijnen. Ik voel het bloed naar mijn gezicht stromen als hij me even aankijkt. Of kijkt hij naar iemand achter me. Ik lijk wel verliefd. Maar Haile is al bezet, getrouwd met de marathon van Berlijn. Met zijn lach kijkt hij van talloze posters, boekjes en vanuit de televisie de wereld in. Welkom in Berlijn, welkom bij Haile.

Voor de tweede maal schep ik yoghurt met passievrucht en muesli op mijn bord, twee extra croissants en een kop koffie. Nog nooit heb ik zoveel gegeten, nog nooit heb ik zoveel trek gehad. Een teken dat mijn lichaam weet wat het moet doen over 24uur. Net als vogels die in de week voor hun ultralange vlucht naar het zuiden, zonder pitstop, zich vol eten aan bessen, waarbij hun lichaamsgewicht soms verdubbelt.

Bijna 2200km heb ik de afgelopen 12 weken afgelegd, genoeg om vanuit bijna ieder punt in Europa tot Berlijn te komen. Alleen het uiterste zuidwesten van Spanje en Portugal en het noordwesten van IJsland bevinden zich buiten de straal van mijn trainingskilometers. Wat nog rest is een ererondje door de stad, eindigend onder de Brandenburgertoren. Samen met 40.000 mensen start ik daar om 9uur ‘s ochtends, chasing the antilope: Gebreselassi. Aangemoedigd door meer dan een miljoen stemmen. De afgelopen dagen malen die getallen door mijn hoofd, de ervaring van zondag moet overweldigend zijn.

In de trein zat ik gisteren tegenover Bill, een Amerikaan die trots vertelde dat hij het op de marathon goed doet in zijn ‘weight’-klasse van lopers meer dan 120 kilo; deze categorieën zijn een redelijk nieuw verschijnsel in de hardloopnatie van de Verenigde Staten. Testosteron-categorieën kennen ze er overigens nog niet*. Bill is 47 jaar en loopt de marathon rond de 4uur30. Als ik hem vraag blijkt zijn voorbereiding vlak voor de wedstrijd niet veel te verschillen met die van professionele atleten: de laatste twee weken tapering, veel pasta en, opvallend misschien: heel veel water. De laatste dagen drinkt hij zoveel dat hij van water verzadigd raakt -hoeveel hij die dagen plast heb ik hem maar niet gevraagd.  Maar, de belangrijkste voorbereiding zit ‘hier’ zegt Bill terwijl hij naar zijn hoofd wijst, en daarom past hij ook visualisatie toe in de voorbereiding op een marathon.

Ook mijn mentale voorbereiding heeft bijna drie maanden geduurd. Ik ging naar Engeland om te rennen door een inspirerende omgeving. Het lopen moet mooi en inspirerend blijven. Ik geloof dat als de marathonvoorbereiding een sleur wordt, het onmogelijk is om boven jezelf uit te stijgen. In Engeland  heb ik op rotsen gestaan, bovenop een heuvel in de Dartmoors. Toen ik na mijn middelbare school een tijd in Engeland heb gewerkt kwam ik er graag, met de fiets -hardlopen kende ik toen nog niet. Met mijn rug zittend tegen deze rotsen en de zon in het gezicht schreef ik er songteksten, wat toen mijn hobby was. Negen jaar later, gebruik ik dezelfde inspiratie van het landschap maar op een totaal andere manier. Staand op de rots leunde ik tegen de wind in, de armen gespreid, alsof ik zou gaan vliegen.

Werner Sonntags (83 jaar) loopt morgen zijn 336e en laatste marathon. Het doel is om uit te lopen, de ronde door zijn stad is vol emotionele indrukken, want deze stad heeft gedurende zijn leven veel doorgemaakt. Haile Gebreselassi en Duncan Kibet willen het wereldrecord aanvallen. Zo heeft ieder  zijn eigen doel.

Vaak wordt me gevraagd wat mijn doel is. Onder 2uur20 is een droom, een poging daartoe wil ik zeker wagen. Sinds Hugo van den Broek anderhalf jaar geleden opperde dat ik ooit misschien onder 2uur20 zou lopen, terwijl ik ‘slechts’ 2uur28 had staan, is mijn perspectief veranderd. Sindsdien durf ik te dromen, dromen omzetten in goud, mijn grenzen verleggen. Maar bij een marathon moet je flexibel zijn, voor  2uur20 moet alles perfect gaan en het verloop van een marathon is en blijft onvoorspelbaar.  Daarom blijft mijn belangrijkste doel om gewoon te genieten van het lopen want dat is het belangrijkste talent waar je als marathonloper over moeten beschikken. Hoe kun je anders die talloze klappen van het asfalt verdragen, iedere heuvel weer als uitdaging zien, de blaren doorprikken en veters strikken. Ik hoop dat die veertigduizend andere lopers er met dezelfde intentie starten. Genoeg woorden nu, het is tijd voor daden.

*Tijdens het schrijven van deze column heerst er wereldwijde consternatie over Caster Semenya die de wereldtitel veroverde op de 800m in Berlijn, maar naar verluid een voor een vrouw ongewoon hoog testosterongehalte zou hebben.

Strijd (11): Een Donker Woud

Nel mezzo del cammin di nostra vita

Mi ritrovai per una selva oscura

Ché la diritta via era smarrita

Op het midden van het levenspad aangekomen

Bevond ik mij in een donker woud

Omdat ik van het rechte pad was afgedwaald

De eerste regels van Dante’s Goddelijke Komedie schieten me te binnen als ik me in de wildernis van de Sallandse heuvelrug bevind. Het is maandag, een 40km-lange duurloop vanaf station Holten naar de Hellendoornse berg en terug. Vanaf de westelijke flank van de Sprengenberg zie ik behalve een enkele torenspits, waarschijnlijk de Palthétoren, alleen maar heide en naaldbos, duizend tinten bruin, groen en paars. Tot het eind van de negentiende eeuw bestond het hele gebied uit heide, het naaldbos werd aangepland om te voorzien in de stuthoutbehoefte van de Limburgse steenkolenmijnen. De aangeplante pijnbomen hebben de wind door hun takken gevoeld als strelingen van een geliefde, hebben haar de verwoestende kracht ontnomen. Na tientallen jaren zijn sommigen langzaam kaal geworden, verdord en verouderd. Takken braken af, de stam begaf het tijdens een sleurende storm, ze zijn weer één geworden met hun oorsprong en hebben de ruimte aan nieuwe generaties planten en bomen gelaten.

Uiterlijk mogen onze vaderlandse bossen dan nog steeds het donkere woud voorstellen, maar van karakter zijn ze onvergelijkbaar. Waar in Dante’s tijd het bos nog synoniem stond voor de dreiging van onzichtbare gevaren, beesten en rovers, is het bos nu nog een park, de fauna bestaand uit onschuldig vreedzame grazers en knaagdieren: reeën en eekhoorns. De strijd is gestreden. Een eindje verderop staat een houten uitkijkhutje, het kronkelige pad gaat over in een geasfalteerd fietspad met langs de route bewegwijzering voor wandelaars en fietsers.

Ik ben van het rechte pad afgedwaald. Ik heb ervoor gekozen om enkele maanden aan mijn passie te besteden: het marathonlopen, waar ik redelijk maar geen uitzonderlijk talent voor heb. De marathon is voor mij een droom, een vlucht uit het georganiseerde maatschappelijk leven. Een strijd tegen de klok, tegen mijn fysieke grenzen, een strijd die tot bevrijding moet leiden, een leven buiten de gebaande paden, het donkere woud in. Geen gevaarlijk woud, maar misschien wel een met verassingen.

Nu, een kleine twee weken voor de marathon, wat mijn moment suprême moet worden, horen de puzzelstukjes in elkaar te vallen. Dat doen ze ook. Bij trainingen en testwedstrijden voel ik dat het lichaam barrières heeft doorbroken, ik ben sterker dan normaal en mag nu gas terugnemen om, gebruik makend van de fysieke supercompensatie, mijn normale kracht te overtreffen. De marathon als metafoor voor de maakbare wereld, het verparkte bos.

De 5 cijfers die mijn finishtijd zullen vormen, lijken nu van grote betekenis. Hoewel ze door hun abstractie ongevoelig zullen zijn voor de tand des tijds, zijn ze zoals de wind en de bomen van de Sprengenberg: ze zullen bemind worden, maar ze zullen ook vergeten worden. Van de gestorven boom blijft de stam nog over, maar door de jaren heen verteerd door mieren blijft er niets meer van over.

Strijd (10): Een onbekroonde strijd

Een anoniem lichaam aan de drietand van Poseidon. Mustapha K was één van de zeventig bootvluchtelingen die vorige week omkwamen bij de kust van Malta. Eén van de honderden, misschien wel duizenden mensen die jaarlijks aanspoelen aan de stranden van de Middellandse Zee. Soms zijn het de agenten van Frontex, het leger dat de Europese grenzen moet bewaken, die hen de dood injagen, soms is het een zeestorm of simpelweg pech.

Een droom of een sterke overtuiging is niet voldoende. Ik kende momenten dat ik me mentaal sterk genoeg voelde om een wereldrecord te lopen, maar het is er nooit van gekomen. Behalve de mentale kracht moeten we het doen met de fysieke mogelijkheden en beperkingen van ons lichaam. Talent is een gift, net als het een gift is dat ik in een vrij land ben geboren. Met training conditioneer ik mijn lichaam om op 20 september in Berlijn de maximale inspanning te leveren. Zoals Eve LeSage1 leerde dat alleen het in het reine komen met zichzelf niet voldoende was om te genezen van haar tumor, ze stierf doordat ze dacht het zonder de medische wetenschap te kunnen stellen, weten we dat een marathonloper behalve talent en overtuiging ook de wil moet hebben om te trainen en de juiste omstandigheden moet creëren.

Mustapha K was een dappere jongen, geboren in Sierra Leone. Zijn vader, die in de oorlog was omgekomen, kon hij zich niet herinneren. Mustapha’s moeder wordt soms nog schreeuwend wakker uit dromen waarin haar man wordt geschopt en vermoord. Mustapha K had zijn eigen droom, een positieve droom over vrijheid en welvaart. Een droom waarvoor hij afscheid nam van zijn moeder zodra hij het geld voor de tocht bij elkaar had gespaard.

Afgelopen dinsdagochtend was ik bezig met een stevige training, een duurloop inclusief drie blokken van twintig minuten in marathontempo. Hiervoor had ik het gebied ten zuiden van Enschede uitgekozen: de mountainbikeroute door het Rutbeek, het bochtige wandelpad langs de jeneverbesstruiken van het Buurserzand en het fietspad door het natte Buurserveen. Nog maar net begonnen aan het derde tempoblok werd ik overvallen door een krampende splanchnische pijn. Mijn ademhaling werd zwaarder en de hemel werd even zwart als de plassen van het veengebied. De pijn herkende ik van mijn 2e en 6e marathon, pijn waarbij je denkt dat ‘het’ afgelopen is, krampen die horen bij een oprakende energievoorraad. Maar deze keer had ik de mogelijkheid om met sportdrank en energiegel de suikerspiegel snel op peil te brengen, zonder het tempo af te breken. Binnen een paar minuten verdwenen de krampen, normaliseerde mijn ademhaling en kon ik het tempo weer opvoeren en zelfs afsluiten met een behoorlijke versnelling. Met deze training ben ik weerbaarder geworden: als ik opnieuw deze pijn zal voelen, weet ik hoe haar te bestrijden.

Mustapha K had de pech te zijn geboren in een land zonder vrijheid en gerechtigdheid. Ondanks zijn dromen, de overtuiging en wilskracht die hem de weg wezen, heeft hij de staat van welvaart nooit gekend. Bij zijn onbekroonde strijd verbleekt de glorie van sportieve prestaties. Als ik in Berlijn binnen 2uur20 weet te finishen, heb ik dat niet alleen te danken aan talent, training en dromen maar ook aan de mogelijkheden die onze welvaart mij levert.

(1) zie: Caesarion van Tommy Wieringa

Strijd (9): Why We Run

Op mijzelf na is het restaurantje bij station Ospizio Bernina leeg. Omdat het vandaag wat bewolkt is en wat frisser dan de afgelopen dagen zijn er weinig wandelaars. De eigenaar is even naar buiten geglipt om zijn sigaret te roken. Een monotoon gezoem van de koelkast met frisdrank vormt samen met een uiterst subtiel knetteren van knappende luchtbelletjes in de opgeklopte melk van mijn cappuccino het einige geluid. Doordat het bewolkt is en de lichten uit zijn is het vrij donker binnen. Aan de wand hangen kitsche schilderijtjes met winterlandschappen in met grove streken goud geverfde lijsten. Op de vensterbank staan bloeiende planten in potten. Daarachter, boven de kanten gordijntjes, biedt het raam uitzicht op de gletsjers aan de overzijde van het Witte Meer.

Naast mijn schrijfblok ligt het boek dat ik momenteel aan het lezen ben: Why we run, een cadeautje van Michiel Snuverink. In het boek geeft hardloper en bioloog Bernd Heinrich antwoord op de vraag die in de titel wordt gesteld. Eerder is het boek al gepubliceerd geweest onder een andere titel, die in drie woorden dezelfde vraag beantwoordde op twee manieren. Chasing the antilope verwijst niet alleen naar de oorsprong van de mens als duurloper (vanuit evolutionair-biologisch perspectief, terwijl Knippenberg in De mens als duurloper dezelfde vraag beantwoordt vanuit een meer cultuur-historisch perspectief) maar ook naar zijn eigen persoonlijke motivatie: het najagen van een droom, of deze nu al dan niet haalbaar is. Op een bijzonder intrigerende wijze laat de schrijver aan de hand van voorbeelden uit de natuur zien hoe met de evolutie verschillende diersoorten, inclusief de mens, unieke eigenschappen hebben ontwikkelt voor het uitbouwen van snelheid en uithoudingsvermogen om te overleven.

Vanochtend werd ik bij mijn duurloop ingehaald door een jongeman op een mountainbike. a een korte kennismaking racete hij vooruit om me bij zijn huis, aan de ingang van de Roseg vallei, op te wachten en me te vergezellen tijdens de training. Geanimeerd vertelde Michael Buehi hoe hij het hardlopen beleeft. Hoewel hij als 18-jarige een respectabele 1uur10 op de halve marathon heeft staan doet hij zich vooral gelden als bergloper en ultraloper -hij is nu aan het herstellen van een 80km wedstrijd van afgelopen zaterdag. Doordat ik helemaal op ga in het gesprek ben ik me nauwelijks bewust van de duizendstemmige rivier die door de vallei raast, van de frisse geur die het natgeregende naaldbos uitademt en het decor van de wakende bergen die door grijze wolken ommanteld zijn. Michael vertelt me wat hij van de Tibetaanse monniken in de Himalaya heeft geleerd: ren zo hard je kan, en als je voelt dat de vermoeidheid zich in je lichaam dringt, als je niet verder kunt, versnel dan. Zo heeft hij geleerd harder te lopen dan fysiek mogelijk lijkt. Want, zegt hij, lopen doe ik met mijn hoofd.

Ik kan niet anders dan dit beamen. Hoewel het wat mystiek aandoet, is dit hetgene dat ik in mijn zoektocht naar elementen van strijd heb geleerd. In Berlijn moet ik mijn lichaam mijn wil opleggen. Overtuiging, gedachten, dromen of de factor X maken het verschil en kunnen mensen boven zichzelf laten uitstijgen.

Hoe hij tot het hardlopen is gekomen hoeft Micheal me niet uit te leggen. In de sprookjesachtige vallei waar hij is opgegroeid lijkt iedere stap die in het zand, of in andere seizoenen in de sneeuw, wordt gedempt, meer energie oplevert dan kost, en draagt dus bij aan een omgekeerde energiebalans. Maar, zal Bernd Heinrich stellen, als dat zo is zal de negatieve vochtbalans uiteindelijk de beperkende factor zijn. Ook hier heeft Micheal een oplossing gevonden, want aangekomen bij de vlakte loodst hij me glunderend naar een waterbron. Dit, zegt hij, is het beste water op de wereld.

Als ik die middag in het restaurantje bij het station de suiker door mijn cappuccino roer moet ik terugdenken aan de les van de Tibetaanse monniken: het doorbreken van de fysieke grenzen. Is dit waar de Twentse dichter Willem Wilmink, naar wiens voorbeeld ik Het Bolwerk in Enschede als stamkroeg heb uitgezocht op doelt als hij schrijft over marathonlopers?

De mensen zonder een zondebok,

de mensen die het enkel

hebben voorzien op zichzelf

daartoe behoren, behalve

sommige filosofen

ALLE marathonlopers*

*uit: ‘marathonlopers’ van Willem Wilmin

Strijd (7): Methode Roseg

Met de toename van de koude sensatie in mijn onderbenen rijst de vraag waarom ik überhaupt in het water ben gestapt aansluitend op de lange duurloop. Je hoort wel eens dat de één of de ander bij deze koelingsmethode zweert, maar eerlijk gezegd heb ik het nog nooit voldoende serieus genomen om in de literatuur ondersteuning te vinden voor koeling direct na de training. Het was dan ook niet het geloof in enig heilzaam effect dat mij deed besluiten mijn schoenen uit te trekken en het water in te stappen, maar de verleidelijke aanblik van de weerspiegeling van de Piz Nair en een strakblauwe hemel in het rimpelend wateroppervlak van het meer bij Sankt Moritz.

Halverwege de avond schets ik onder het genot van een witbier bij restaurant Sonne mijn indrukken van de eerste lange duurloop van deze hoogtestage. Voorbij het meer, voorbij een volgend meertje, voorbij de door naaldbomen beschutte heuvels, voorbij Pontresina, rechts afgeslagen: een langzaam klimmende weg door de Val Roseg. Terwijl ik het uitzicht over de groene vallei beschrijf, met aan het andere einde een indrukwekkende gletsjer, hoor ik weer het geraas van de rivier en haar talloze watervallen, voel ik weer de ochtendzon branden in mijn gezicht en ruik ik weer de frisse geur van de naaldbomen. De augustuszon is fel maar door de hoogte wordt het niet te warm. Met een lichte helling klimt het pad naar een vlakte op zo’n tweeduizend meter hoogte.

Binnen enkele dagen op hoogte was mijn hartslag genormaliseerd, de trainingen gingen lekker en ik was klaar voor de eerste lange duurloop. De invloed van hoogte op prestatievermogen tijdens wedstrijden is niet onbetwist, evenmin als invloeden van massage, ijskoeling na trainingen of wedstrijden, loopscholing of Zwitserse chocolade. Bewegingswetenschappers, trainers en natuurlijk atleten zweren vaak bij hun eigen methode, en dat is waar het gesprek over gaat als ik halverwege mijn glas witbier ben. Roel vertelt dat hij zojuist een scriptie heeft geschreven over de methode (of mode?) van koeling na de training. Onlangs heb ik zelf een literatuuronderzoekje gedaan naar effect van massage (uitkomst: geen wetenschappelijke ondersteuning voor blessures of prestatievermogen). De uiteindelijke conclusie is altijd weer dat de atleet vooral lekker moet doen waar hij in gelooft, want placebo-effect is ook een effect- zeker in topsport.

Tolstoj schrijft over de kracht van een leger dat het een vermenigvuldiging is van de sterkte (omvang van mankracht) en een factor X en zijn conclusie is dat de X staat voor de moraal van de strijders. Het is niet moeilijk om dit te vertalen naar de praktijk van de sporter. Als geboren Nijmegenaar kan ik simpelweg verwijzen naar twee bizarre seizoenen van de lokale voetbalclub onder het bewind van trainer Mario Been. Als in crisisperiode de ploeg zich achter de trainer schaart wordt de serie verloren wedstrijden onderbroken en verliest de ploeg geen enkele wedstrijd meer. Het aanvankelijk verloren seizoen eindigt in een triomf. Deze onwaarschijnlijke reeks wordt zelfs voortgezet in een uiterst succesvolle start van het volgende seizoen, tot de trainer besluit voor zijn Rotterdamse jeugdliefde te kiezen en de ploeg weer moeite heeft zich staande te houden. De Nijmeegse ploeg heeft dus aan den lijve ondervonden wat de factor X is in de sport: dezelfde moraal als Tolstoj verantwoordelijk achtte voor de ondergang van Napoleon in de strijd tegen de Russen.

Als op de bodem van mijn glas de laatste witte bellen bierschuim blijven plakken en ik afzie van een volgend glas (omdat Raymon er wel een zou nemen) concludeert Rob lachend dat voor mij de romantiek van een zo’n duurloop door de Val Roseg hetzelfde effect zal hebben als een ijsbadje of een paar Staphorster kousen voor een andere atleet. Iedere strijder put de moraal uit andere bronnen. Hoewel de Twentse bodem me nog telkens vele verassingen bezorgt is deze stage in Sankt Moritz een welkome afwisseling en maakt het lopen nog meer tot een genot. De liefde voor het lopen is mijn moraal, mijn factor X die Berlijn aan mijn beblaarde voeten zal werpen.

Strijd (6): Tijd, ik heb u lief

In een dik boek ‘van hogerhand’ vind ik een aanwijzing voor  de strijd die ik in Berlijn moet gaan leveren. Heb je vijanden lief.

Tegen wie, vraag ik me af, moet ik in Berlijn strijd leveren, wie is mijn vijand? Als Raymon me na 35 kilometer inhaalt is dat mooi voor hem, jammer voor mij, maar niet het ergste wat me kan overkomen. Erger zal het zijn, als ik bijgehaald wordt door de Tijd, die met regelmatige passen haar eigen tempo bepaalt. Tik-tik-tik-tik, hier komt de Tijd. Minuten sluipen voorbij, seconden lijken voorbij te vliegen. Als ik Tijd, mijn ware vijand, kan liefhebben, zal onze strijd in een vriendschap eindigen.

De Tijd is niet wat zij geweest is, de kranten staan er vol van. Als ik in Amsterdam ben, mijn oude studentenstad, besluit ik er enkele dagen door te brengen. Door te trainen op dezelfde plekken als vroeger en op zoek te gaan naar veranderingen laat ik het Verleden herleven.

Zondagavond. Als de meeste strijden gestreden zijn* zoek ik met een lange duurloop vrede in het Amsterdamse Bos. Het is zonnig en warm, met ontbloot bovenlijf loop ik met mijn oud-huisgenoot Thomas door het bos en langs de bosbaan.

Maandagochtend. Langs het rustig kabbelend wateroppervlak van de meanderende rivier vergeet ik de verkeerschaos langs de route van tramlijn 3. Een bootje dobbert langs de kant, twee discussiërende roeiers, de roeispanen iets boven het water uitgestrekt als de vleugels van de reiger die een eindje verderop haar plekje vindt. Op deze weg wordt in oktober om de Nederlandse marathontitel gestreden. Via Ouderkerk aan de Amstel, de Kalfjeslaan en de Amstelveenseweg loop ik terug naar de Overtoom. Een duurloop met blokken in stevig marathontempo.

Maandagavond. Het Westerpark in volle glorie. Het wandelpad gaat deels verscholen onder een weid uitgroeiende berm met wilde bloemen. De leeuw van het oude postbankgebouw is gaan liggen, het giroblauw is vervangen door het wit en oranje van de ING. Verder is alles nog zoals het altijd was.

Dinsdagmiddag. Wandelend door de Kennemerduinen waar de paden van de Brederodeberg zout smaken: het zweet dat met de duintrainingen van Gerard van Lent werd vergoten langs de hellingen van deze heuvel is inmiddels opgedroogd. Als ik na zo’n training thuiskwam plofte ik neer op de bank, vrat me vol met suikerbrood en ander brandstof om pas laat in de middag weer bij te komen.

Woensdagochtend. Op weg naar de inloopbaan van het Olympisch Stadion waar ik mijn baantraining afwerk, blijkt ook het Vondelpark grotendeels onveranderd: nog steeds wordt de Grote Ronde onderbroken door werkzaamheden en het lijken dezelfde mensen die hun droeve rondjes joggen door het park: bezwete koppen, gebogen ruggen, puddingbillen en zwaaiende armen. Het geoefend oog vindt de verschillen: nu hebben de meeste trimmers een bandje om de bovenarm en dopjes in de oren. Aipod. En een stel wulpse billen gevangen in een hardlooprokje.

Woensdagavond. Terug in Heden: Twente, mijn zelfgekozen thuis. De zon hangt laag in het westen, heeft haar felste krachten verbruikt en verleent de glooiende korenvelden hun gouden avondglans. Hier wil ik mijn dagen slijten.  De Toekomst een vraagteken maar vol beloften.

Tijd, ik heb u lief. Ik heb u lief als een ware minnaar, ik bemin u in al uw gedaanten. Laten wij in Berlijn zij aan zij gaan, onafscheidelijk als geliefden.


*Zondag werden de Nederlandse Kampioenschappen baanatletiek gehouden in het Olympisch Stadion te Amsterdam.

Strijd (5): Rustdag in Bad Durrheim

Dinsdag. Hoewel op het schema van Bram als rustdag gemarkeerd, sta ik vroeg op voor een duurloop. In deze vroege morgen kan ik de honger naar het lopen niet weerstaan en bovendien kent een marathonloper geen vermoeidheid. In mijn eentje begeef ik me op weg langs de heuvels en de graanvelden richting de mooiste plek van de omgeving van Bad Dürrheim*.

Een open plek in het bos met een regenboog aan wilde bloemen. Wit fluitenkruid, gele leeuwenbekjes en paardenbloemen, paarse distels en rode klaprozen tussen het hoge gras, met nog vele soorten bloemen in alle tinten blauw, geel, wit en roze, waarvan ik de namen niet ken. De ochtendzon schittert in het groen van de loofbomen die nog nat zijn van de onweersbui van gisterenavond. Het uitzicht over de glooiing van de heuvels verleent het landschap haar derde dimensie. Vóór mij strekt zich een onverhard pad uit, wikkelt zich om een heuvel, richting het dorp waar we zaterdag nog doorheen liepen met Marco Gielen, Erik Negerman en Raymon. Even verderop, aan de linkerkant, maakt het loofbos plaats voor een viaduct onder de grote weg door. Rechts van me, aan de overzijde van de open plek, een heuvel bedekt met donkergroene naaldbossen van kale stammen bekroond met naaldentoppen in de hoogte.

Rustdag. De pas vertraagt, de benen komen bijna tot stilstand, bewegen zich nog voorzichtig van het pad af, naar de bloemen. Een geel-zwarte vlinder vlucht voor de vreemdeling, verdwijnt even verderop uit het zicht, achter een struik. Het gras is inderdaad nog nat en zou me bovendien het uitzicht ontnemen als ik hier zou gaan zitten. Ik veeg een druppel van een onbekend lichtblauw bloemblaadje, als de traan van een wang. Verdriet om een dag die nog nauwelijks begonnen is?

Hoor de krekels en, in de verte, een specht. Twee handen glijden over de toetsen, zijn vingers lijken de toetsen aan te wijzen zonder ze te raken. Op de maat van de muziek beweegt de rechtervoet, lijkt danspassen te maken op haar plaats. Beweegt zijn bovenlichaam op de vierkwartsmaat van de muziek of vinden de zangerige melodie en de gebroken akkoorden haar oorsprong in dat lichaam? Sonate pathétique, een bonkend hart. Een afsluitend akkoord, maar niet het laatste: de onrustige sprongen maken plaats voor een teder adagio cantabile.

Hardlopen is meer dan een sport. Hardlopen als kunst, the art of running. Een ritme, trance, het verzetten van de zinnen. Het lichaam beweegt zich voort, de benen draaien, de tenen lijken de grond aan te wijzen zonder haar te raken. Armen en benen bewegen zich in hetzelfde ritme. Wordt het lichaam gedragen door die draaiende benen, of stuurt het deze beweging aan? Een bonkend hart in het Zwarte Woud. Dynamiek van het glooiende landschap.

Een roofvogel -alweer spijt het me geen bioloog te zijn – hangt in de lucht, als aan een onzichtbare draad maar wordt dan ineens losgelaten. Prooi op de grond voor het prooi van de zwaartekracht. Een doodskreet, paniek – stilte. Dagelijks moorden zonder gewetenswroeging, daar moet ik een hoop van kunnen leren. Een rustdag zou voor het dier en haar jong een hongerdag betekenen, honger om te moorden. Strijd! Moord om de honger te stillen.

Lust naar lopen. Het woord ‘rustdag’ deed vanochtend mijn speeksel vloeien: dorst naar bloed, honger naar moord. Een oerdrift trok mij naar mijn schoenen, strikte mijn veters. Moet ik werkelijk die oerkrachten weerstaan?

De roofvogel maakt zich los van de grond, het prooi in haar klauwen, waarschijnlijk een muis. Ik pluk de lichtblauwe bloem en ruik eraan. De geur komt me bekend voor maar haar naam zou ik niet weten. Het betoverende moment is verbroken, de honger gestild. Voldaan keer ik terug naar huis, om een andere wezenlijke honger te stillen.

*Bad Dürrheim, dorp in het Zwarte Woud, basis van huidige trainingsstage.

Strijd (4): Bergen

Strijd 4: Bergen

Laat ik hem Raymon noemen. Door het weglaten van de achternaam spreken we niet alleen ‘onder ons’, maar in dit speciale geval levert het voordeel op in de strijd. De atleet over wie ik spreek was gedurende de eerste 32 kilometer van mijn debuutmarathon mijn directe tegenstander, en heeft de naam in zijn voordeel: Van den Berg. Zelfs de Perzen schrijven in hun Wetboek van Meden en Perzen al: Van den Berg heeft men voordeel in de strijd.

Van jongs af aan had ik al wat met bergen. Zelf zijn we nooit met vakantie weg geweest: de hond, de geiten , kippen, ganzen, katten en mijn goudvis konden ons immers niet wekenlang missen. Bovendien hadden we genoeg bewegingsvrijheid op het erf aan de rand van Nijmegen, en in het huis wat inmiddels ten gronde is gegaan aan de bouwlust van een gemeenteambtenaar. Bij ons was het altijd vakantie. Toch was ik altijd benieuwd naar de foto’s van schoolvriendjes die wel met vakantie waren geweest, gebiologeerd zocht ik naar plaatjes met witte bergtoppen op de achtergrond, waarbij ik werkelijk weg kon dromen.

In de eerste klas van de middelbare school was ik kortstondig verliefd op een meisje dat Sanne van den Berg heette. Verliefd was ik op haar naam en op een foto die ik van haar kreeg waarop ze dwars op een fauteuil lag met een boek op haar schoot. Toen ik net ging hardlopen en al snel bij de selectie atleten van Phanos onder Gerard van Lent terechtkwam vond ik al gauw een role-model: Gert van Bergen. Onder zijn aanmoedigingen won ik mijn eerste wedstrijd, in Wales, waarin heuvels als bergen deel uitmaakten van het parcours. Toen ik mijn eerste marathon ging lopen vroeg ik hem nog om advies, want Van Bergen was marathonloper pur sang.

Die eerste marathon was in Enschede, aan de startlijn maakte ik kennis met Raymon van den Berg, een atleet tegen wie ik opkeek (als een berg). Die dag overwon ik mijzelf, want ik versloeg Van den Berg omdat ik hem tutoyeerde. Zaratustra daalde van zijn berg en bevond zich daardoor op gelijke hoogte met ‘het gepeupel’ met het bericht dat God dood was. Als ik Nietzsche herschrijf maak ik gebruik van de oorlogsstrategie van de Perzen en versla Zaratustra in een gevecht van man tot man. Inderdaad, God is dood, maar jij ook, want jij bent mijn gelijke en dus sterfelijk.

Inmiddels had ik als jong-volwassene al gereisd, kennis gemaakt met de bergen van de Pyreneeën, de Alpen, de Himalaya en Noorwegen. Wat ik daar leerde was om het bestaan van de helling simpelweg te ontkennen. Kijk nooit naar boven, maar naar beneden, naar je voeten. Zie de meters die je pakt. Zo rende ik naar boven van Pokhara naar het topje van Sarangkot, om de zonsopgang te zien. Zo rende ik twee weken geleden langs de kust in Cornwall en zo ren ik vandaag tegen Raymon in Bad Dürrheim, de plek waar de strijdlust wordt toegediend, opgelost in de sportdrank (pepti-plus versus pepto-pro) en tijdens de maaltijden tussen de trainingen door. Officieel zijn we nu geen tegenstanders maar trainingsmaatjes, toch houden we elkaar nauwlettend in de gaten: dit biertje laat ik maar even staan, ik loop wat extra kilometers in de vroege morgen en de laatste heuvel van de duurloop zet ik nog even extra aan, want die blijft het langst hangen.

Raymon zal vannacht wakker worden met nachtmerries over de laatste kilometers van Berlijn, want daar lopen we samen. Als maatjes of als tegenstanders? Hoe dan ook, de strijd is losgebarsten.

Strijd (3): Excalibur

Vroeger wilde ik een held worden, als kleuter droomde ik ervan mijn schoolvriendinnetje uit een brandend huis te redden, in die dromen droeg ze een witte jurk. Later sneed ik mijn eigen houten wapens uit hout, een zwaard, dolk, pijl en boog: de riddertijd zou vast wederkeren en daarop was ik me aan het voorbereiden. Hoofse verhalen over helden en liefde inspireerden me, ik schoof aan bij de ronde tafel van Koning Arthur, bewonderde zijn zwaard Excalibur, dat hem in staat stelde het land te herenigen.

Een held ben ik nooit geworden, realiseer ik me als ik voetje voor voetje afdaal langs de zoveelste heuvel van het wandelpad langs de kust van Noord-Cornwall. Het is geen hoogtevrees, ik ben ook niet echt bang te vallen, het is misschien eerder een vorm van liefde voor het leven die me weerhoudt risico te nemen.

Na een paar dagen hevige spierpijn went mijn lichaam snel aan de steile hellingen van het kustpad van Devon en Cornwall. Omdat het nog vroeg in de marathonvoorbereiding is kan wat aspecifieke training niet veel kwaad, maar op vrijdag ga ik me eraan storen: geen vijf minuten van mijn geplande duurloop van twee uur kan ik blijven doorlopen, telkens word ik gedwongen voorzichtig af te dalen of mijn benen rust te gunnen na een steile klim.

Tegen de helling, tegen de helling

zal nooit een stroom naar boven springen

Neer langs de helling, neer langs de helling

Zo is de loop van alle dingen.*

Op vrijdag vertrek ik noordwaarts vanaf Sandy Mouth nabij Bude. Hier in Noord-Cornwall vinden de legendes van Koning Arthur hun oorsprong. Hoewel het uitzicht over de klotsende, helder blauwe oceaan, de schapen op de weides en de ruïnes die net als ik wachten op de terugkomst van de ridders veel goedmaken besluit ik na ruim een uur toch maar te kiezen voor een zijpad, dat me zal leiden naar de asfaltwegen landinwaarts. Aan de hellingen gewend ren ik op volle snelheid over de weg die met 15% daalt.

“Wanneer een appel rijp is en valt, waardoor valt hij dan? Door de zwaartekracht, doordat de steel dor wordt, doordat hij indroogt in de zon en zwaar wordt, doordat de wind hem schudt, of is het omdat er een jongen onder de boom staat die hem wil opeten?” Tolstoj concludeert in Oorlog en Vrede, het boek dat ik tijdens deze trainingsstage aan het lezen ben, dat geen van deze dingen de oorzaak is, ze vormen slechts het samenstel van voorwaarden waaronder elk levend, organisch proces zich voltrekt.**

Met training proberen we aan bepaalde van deze voorwaarden te voldoen, proberen we de ideale omstandigheden te creëren en te organiseren zodat op dat ene moment de prestatie als het ware al geleverd is en het resultaat enkel verzilverd hoeft te worden. Iedere atleet kent aan verschillende voorwaarden een bepaalde waarde toe: sommige lijken onmisbaar (zware trainingen of goed slapen) andere zouden mogelijk bijdragen (peace of mind) en weer andere lijken eerder te berusten op bijgeloof (vitaminetabletten).

Als marathonloper ben ik nog steeds dat kind van zo’n twintig jaar geleden, op zoek naar mijn Excalibur, het wapen waarmee ik de strijd in mijn voordeel zal beslechten.

* uit: Copla’s van Hendrik de Vries

** Tolstoj, Oorlog en Vrede, deel drie hoofdstuk I.I (nieuwe vertaling Van Oorschot 2006)