Twee paar kinderbenen huppelen over het met steengruis bestrooide fietspad naar een voetbalveldje dat nog half onder een broze ijslaag ligt, en vanuit de bomen wordt de zon verwelkomd met eenzaam maar overtuigend gekwetter. Ik steek mijn hand uit om een straal op te vangen van het vanzelfsprekende geluk van de lente.
Als in de nacht de plassen dooi een laagje creëren dat in de ochtend onder onze voeten zal knisperen, omdat het knisperen en de verraderlijke gladheid net zo goed bij de lente horen als de oogjes op de takken, waar het groen ongeduldig wacht, vliegt hoog door de lucht een stuk kosmisch gruis dat oplicht aan de hemel van mijn geboorteland. In Duitsland raakt een huis beschadigd.
In dezelfde nacht landt een kraanvogel in de Hulavallei, onderweg van Ethiopië, waar hij stilhield tussen het opvlammend geweld tussen de Tigrayanen en Ethiopiërs. In de groene vallei vormen over en weer vliegende raketten oplichtende bogen door de nacht die net zo zwart is als de rijkdommen die uit de grond worden opgepompt. De kraanvogel wacht tot het ochtendgloren, tot zijn kameraden de vleugels uitslaan.
De kraanvogel kent de route van zijn voorouders, over het gebergte van Turkije waar advocaten van de president de aanklachten bedenken die een concurrent een gevangenisstraf moeten opleveren die langer duurt dan de dynastie van de Ottomanen. Hij steekt de Zwarte Zee over, en vliegt boven Oekraïne zij aan zij met een stalen neef met vier propellers die plotseling neerduikt om dood en verderf te zaaien.
Op WhatsApp vraagt een verre vriend of de oorlogen niet te dichtbij komen. Nee, denk ik, de kraanvogel komt, maar de oorlogen hou ik nog op afstand. Ik vang de straal geluk op, wetend dat de wreedheid net zo vanzelfsprekend is, en ik schiet de bal voor me uit. Twee paar benen schieten vooruit en raken in elkaar verstrengeld terwijl de bal tot stilstand komt in de loska.