Het bos

Soms is ze vrolijk – de lijsters kwinkeleren, en ze zendt meesjes die me nieuwsgierig komen begroeten als ik bij de esp stop om mijn bovenbeenspieren te rekken. Twee eekhoorntjes roetsjen speels langs de boomstam omhoog, haasten zich tot het uiteinde van een dun twijgje en springen dan, met hun staart als parachute, over op een andere boom.

Soms is ze verdrietig. Het lukt de zon niet om de mist te verdrijven. Gapende grotten en zwarte poelen openbaren duistere angsten, en de varens presenteren de tranen van de dauw die de ochtend is vergeten weg te poetsen. Haar triestheid is zo groots en intens, dat je er zelf troost in vindt.

Soms is ze statig. Een blanke wacht van berkenstammen staat stilzwijgend langs het pad waarop het naaldentapijt je passen dempt. De rotsen zijn bekleed met fluweel van eeuwenoude mossen, waarin piepkleine bloempjes als parels verzonken liggen. Zelf ben je slechts een vluchtige passant in de zaal waarin de odeur van eeuwigheid heerst.

Soms is ze eenzaam – de rauwe kreet van een kraai echoot in de peilloze diepte van haar ziel. De pijnbomen staan dicht op elkaar, strekken hun armen uit maar durven elkaar niet te strelen. Je hart brandt, je roept, rent de heuvel op, op zoek naar leven. Ze is overal om je heen, maar ook nergens. Je voelt de ogen van de lynx, die – zelf onzichtbaar – je gadeslaat, liever ziet dat je gaat.

Soms is ze verleidelijk. Haar boezem heeft ze met bosanemonen versierd en ze wenkt je met de lokroep van een vink in paringstijd. Een vlinder fladdert omhoog, langs de zonnestraal die de boomtoppen is doorgebroken. Er gonst een onhoorbaar lied van onvervuld verlangen in de zoete harslucht die tussen de bomen hangt. Ze is onbezonnen en wijs, potsierlijk en kaal. Ze is de dood en de eeuwige wederkeer. Het bos is een vrouw, dat weet ik zeker. Haar gemoed is veranderlijk, haar entourage elegant, en ze weet met haar gratie te bekoren. Het bos vormt de ziel en het geweten van de Fin; ze is meesteres en ze wordt bemind. Hardlopend verken ik de zomen van haar jurk, en stel mezelf voor dat ik haar bezit, dat ze slechts mij haar lichaam biedt. Met een zuchtje wind vertrouwt ze me haar geheimen toe; en met een tempoversnelling heuvelop antwoord ik haar: ik ook van jou.


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie augustus 2013

Leave a comment

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.