Als we na een uur dolen over de onverharde wegen in het meren-gebied van Midden Finland een auto tegenkomen, mompelt Eeva twee engelsklinkende woorden die niet door de spellingscontrole komen. En ze meent het. Ik ben het roerend met haar eens: waarom kunnen we niet lekker onze training afmaken zonder andere mensen tegen te komen? En wie haalt het in zijn hoofd om op deze mooie zomerdag in een stuk blik door het bos te razen?
Twee weken geleden werd hier een bruine beer gespot – stiekem hoopte ik ‘m zelf nog tegen het lijf te lopen, liefst zonder nare complicaties. Het leek me een geweldige belevenis om zo’n levensgrote knuffel te omarmen. In de geraadpleegde boekjes stond dat de meeste (navertelde) mens-beer ontmoetingen vreedzaam verlopen. In plaats van hard weg te rennen is het beter om de rust te bewaren. Lopend zou zelfs Usain Bolt geen schijn van kans maken, en bovendien wek je door te vluchten het jagersinstinct – ja, er bestaat zoiets als dierenpsychologie.
In plaats van de beer verschijnt er dus een auto, op een weg die zeer waarschijnlijk voor auto’s is aangelegd. Maar dat geeft ze nog niet het recht onze rust te verstoren, verdomme! Als de rust is weergekeerd, en onze hijgende adem zich met die van Tapio, de bosgod, mengt, realiseer ik me hoe mijn belevingswereld veranderd is. ‘Eén enkele auto tijdens een duurloop van een uur,’ laat ik me lachend ontvallen. Eeva kan er de lol niet van inzien: dit is ons bos, onze weg, onze training. Bovendien zijn we nog lang niet bovenaan de heuvel. Maar de berm staat vol bruidsboeketten en een eenzame gaai vliegt voor ons uit. Vrede is daar waar geen mensen zijn.
(twee dagen later scheuren we over dezelfde weg met de auto naar het dorp, om per bus verder terug te reizen naar de bewoonde wereld van Zuid-Finland)