Noorderlicht en maneschijn?

Splat! splat! Splat! splat! Mijn plenzende passen door de ijsplassen op het fietspad echoën tegen de kale rotswand – maar dat is dan ook het enige bekoorlijke aan de duurloop van vandaag. Met een intermezzo van een paar dagen dooi heeft de winter haar spierwitte elegantie ingeruild voor grauwe somberheid en zijn de paden veranderd in ijsplassen. Nee, in de Finse winter is niet alles noorderlicht en maneschijn.

Geef mij dan maar die nijpende vrieskou van verleden week. Eeva en ik verschenen als enigen aan de start van een lokaal wedstrijdje; vanwege de kou was de race afgelast. Met vijfentwintig graden onder nul was het inderdaad wat fris, dus besloten we er een training van te maken en stuurden we de opgedraafde man van de organisatie naar huis: hij hoefde niet te bevriezen om onze tijden te registreren. Na de tempotraining liep ik naar huis, Eeva reed met de auto achter me aan om eventuele afgevroren ledematen op te rapen.

Of die duurloop enkele dagen later: vanaf ons huis kan ik in ruim twintig kilometer een mooie ronde maken over Hirvensalo, het eerste eiland van de archipel bij Turku. Het bevroren lichaam van de Baltische zee lag roerloos onder de gloeiende dageraad – hoewel ik het liefst had ingehouden om dit gracieuze stilleven op mijn netvlies te branden dwong de hardloper in me mij verder te gaan; de eenzame weg die over het glooiende eiland was uitgeslingerd had nog meer moois te bieden. Op de terugweg had ik de zon in mijn rug; ik volgde de tientallen meters lange gedaante van mijn schaduw die als een monster voortkroop over de ijsweg waarop een voetbreed zandspoor net voldoende grip gaf om te lopen. Over de heuvels, langs de glooiende hellingen waar roggevelden onder een dik winterkleed lagen te wachten tot de lente hen zou wekken.

Over de kou gaan afschuwelijke verhalen rond: een hardloper die tijdens zijn training eens in zijn oor kneep en tot zijn afschuw bemerkte dat de oorlel bij de aanraking afbrak en aan zijn handschoen bleef plakken. Of de ijsblaren die als heroïsche tatoeages je gezicht kunnen misvormen.

Toch is het niet de kou die ik vrees, noch de sneeuw die door de weggebruikers tot een vaste massa is samengeperst, maar juist de dooi. Voor het eerst in maanden glijd ik vandaag onderuit, juist onder toeziend oog van twee wandelaars terwijl er kilometers lang geen levend wezen te bekennen was geweest. De bloedende schrammen op mijn handen en enkels deren me minder dan de gêne. Dan ben ik dus toch nog een mens…


Deze column verscheen in Runner’s World magazine, editie april 2013

Leave a comment

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.