Sarvisaari – laatste rustplaats op een eiland

Kort na zonsopkomst zijn we vertrokken voor een lange skitocht om de uitlopers van het bevroren meer te verkennen. De lucht is egaalgrijs, als een doffe schaduw van de blanke vlakte van het meer dat gehuld gaat in dunne, zwijgende nevels en omringd is door een zwarte rouwrand van naaldbossen. Op het meer ligt een vuistdik laagje sneeuw, dat onder de ski’s tot een paar milimeter wordt samengeperst. Een tweelijnig spoor achtervolgt me, soms onderbroken door een onrustige patroon van krachtige halen, als ik aanzet tot een sprintje. We kruisen het spoor van een haas, en even later dat van een eenzame eland. Zijn sporen zijn hard opgevroren en met een dun laagje poeder bestrooid, hij was ons een paar dagen voor.

We zijn al twee uur onderweg. Eeva skiet een eindje voor me uit, en wijkt ineens uit naar een eiland dat we op de heenweg van de andere kant passeerden. Ze wijst naar boven, naar de heuvel op het eilandje, en roept iets wat ik niet versta. Ik heb pijn aan mijn voet, een drukplek van de skischoen, en volg haar, het heuveltje op. Tussen de bomen door loopt een houten hek, en achter dat hek verrijzen donkere kruizen uit de grond.

De begraafplaats op het eilandje Sarvisaari

Een gammel poortje verleent toegang tot een bescheiden begraafplaatsje. Verrast loop ik tussen de gedenktekens door. Ze zijn van ijzer, verroest en haast onleesbaar, slechts een enkele is van hout of van steen. De meeste zijn zo’n honderd jaar oud, maar ik tref er ook een met het jaartal 1994 aan. De graven zijn begroeid met wilde bessenstruiken en er kronkelt een onduidelijk pad tussendoor. Ik volg het pad, in stilte, en denk terug aan de tijd dat ik in Zuidwest-Engeland woonde, toen ik achttien jaar oud was. Boven op de heuvel bij Buckfastleigh ontdekte ik een prachtige oude kerkhof. Indrukwekkende grafstenen stonden er, ze waren bemost en koud, zoals de dood ook moest aanvoelen. Ik ging tussen de ruïnes van het kerkje zitten en noteerde in een schriftje de gedachten die bij me opkwamen – poezië moest het opleveren, maar die woorden zijn nooit tot leven gekomen.

Het houten gedenkteken van Milda Rantanen en haar kinderen

Hier, op het eiland in het bevroren meer bij Posio, is de begraafplaats nog mysterieuzer dan die in Buckfastleigh. Waarom worden mensen zo ver weg begraven? De lichamen moeten over het ijs, of ‘s zomers in een bootje naar deze plek zijn overgebracht. Ik tref een eenvoudig houten kruis, dat de rustplaats van vier mensen aanduidt. Ze delen hun achternaam, Rantanen, en zijn op een en dezelfde dag overleden: 23 september 1937. Milda, een jonge vrouw van eenendertig jaar en haar drie kinderen, Kari, Raija en Pentti, die op dat moment vier tot zeven jaar oud waren.

Hier ligt een verhaal, een mysterieus en triest verhaal, dat bijna een eeuw later nog het hart doet verkrampen. Toen ze stierf was Milda twee jaar jonger dan ik nu, en haar kinderen stierven ook, en dat op één dag. Tranen bevroren en rolden als knikkers over de grond, en een paar dagen later werden de lichamen op het stille eilandje begraven, op zo’n vijf kilometer van het dorp en de kerk. Geld voor een ijzeren gedenkkruis was er niet – dus kwam er een houten kruis met een laagje verf dat honderd jaar moest houden en de namen werden erin gekerfd. De achternaam en de sterfdatum hoefden alleen op de eerste regel, in de regels daaronder volstond het aanhalingsteken.

Een rustplek tussen de bomen, onder de struiken.
Een rustplek tussen de bomen, onder de struiken.

Leave a comment

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.